Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:17016

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-05-2014
Datum publicatie
26-08-2015
Zaaknummer
AWB 14/8656 (voorziening) en 14/8655 (beroep)
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Italië, kwetsbare vreemdelinge, ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 14/8656 (voorziening) en 14/8655 (beroep)

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 19 mei 2014 in de zaak tussen

[naam], eiseres,

gemachtigde mr. W.A. Berghuis,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. J.C.O. Stiphout.

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2014 (het bestreden besluit) is de asielaanvraag van eiseres afgewezen.

Op 9 april 2014 heeft eiseres tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op haar beroep is beslist.

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 8 mei 2014. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. J.E. de Poorte, kantoorgenote van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Aangezien nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk op het beroep worden beslist. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2. Eiseres heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 1982 en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Zij heeft op 10 februari 2014 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de aanvraag afgewezen omdat uit onderzoek in EU-Vis is gebleken dat eiseres op 21 november 2013 door de buitenlandse vertegenwoordiging van Italië te Nairobi (Kenia) in het bezit is gesteld van een visum met nummer ITA019599353, geldig van 6 december 2013 tot 6 juli 2014. Verweerder houdt Italië daarom verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. Met het claimakkoord van 24 maart 2014 heeft Italië deze verantwoordelijkheid aanvaard. Verweerder volgt eiseres niet in haar stelling dat ten aanzien van Italië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

4. Eiseres handhaaft haar standpunt dat ten aanzien van Italië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder dient de asielaanvraag van eiseres aan zich te trekken. Eiseres heeft nooit de intentie gehad om in Italië asiel aan te vragen omdat zij zich wenste te onttrekken aan de invloed van haar echtgenoot. Eiseres zal als alleenstaande vrouw in Italië kwetsbaar zijn.

Ter onderbouwing van haar standpunt heeft zij zich beroepen op vragen die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 3 december 2013 heeft gesteld aan verweerder. Deze vragen hebben inmiddels geleid tot een uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2014 (kenmerk: 201309818/1/V4). Eiseres is van mening dat deze uitspraak, vanwege het feit dat deze betrekking heeft op de vorige Verordening (EG) 343/2003, niet op haar van toepassing is.

Voorts heeft eiseres zich beroepen op het rapport “Gutachten zum Beweisbeschluss des VG Braunschweig vom 28.09.2009” van de vluchtelingenorganisatie Borderline-Europe van december 2012 en uitspraken van het Verwaltungsgericht Braunschweig, het Oberverwaltungsgericht Rheinland-Pfalz, het Oberverwaltungsgericht Nordrhein-Westfalen en het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main, waarin werd bepaald dat Duitsland het asielverzoek naar zich toe moest trekken.

Tevens heeft eiseres zich nog beroepen op vier uitspraken van deze rechtbank. Het betreft een uitspraak zittingsplaats Haarlem (AWB 14/4325) van 3 april 2014, van Den Haag van 3 februari 2014 (AWB 13/29937), van zittingsplaats Zwolle van 29 januari 2014 (AWB 13/29689) en van zittingsplaats Arnhem van 4 februari 2014 (AWB 14/506). Tot slot heeft zijn zich nog beroepen op een toegewezen ‘interim measure’ van 29 april 2014 (no. 30900/14) van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

5. Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

6. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

7. Niet in geschil is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiseres.

8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder ten opzichte van Italië nog immer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de beslissingen van het EHRM, onder meer die van 2 april 2013 in de zaak S. Mohammed Hussein e.a tegen Nederland en Italië, nr. 27725/10, van 18 juni 2013 in de zaak N. Halimi tegen Oostenrijk en Italië , nr.53852/11, van 27 augustus 2013 in de zaak N. Mohammed Hassan e.a. tegen Nederland en Italië, nr. 40524/10, en van 10 september 2013 in de zaak N. Hussein Diirshi e.a. tegen Nederland en Italië, nr. 2314/10, moet het volgende worden afgeleid. In Italië is geen sprake van systematische tekortkomingen in de ondersteuning van asielzoekers en vluchtelingen als een kwetsbare groep, zoals in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland. De rechtbank verwijst hiertoe tevens naar de uitspraken van de Afdeling van 26 februari 2014, 201310166/1/V4, 201310669/1/V4 en 201309818/1/V4 (ECLI:NL:RVS:2014:803, 2014:799 en 2014:805). Uit de drie uitspraken van de Afdeling volgt dat de situatie van asielzoekers niet wezenlijk is verslechterd ten opzichte van de situatie in de periode die in voormelde beslissingen van het EHRM aan de orde was. De Afdeling heeft daarbij in één van deze uitspraken (met kenmerk ECLI:NL:RVS:2014:799) het door eiseres aangehaalde rapport “Gutachten zum Beweisbeschluss des VG Braunschweig vom 28.09.2009” en de voornoemde uitspraken van de Duitse rechters in de beoordeling betrokken, zodat deze geen bespreking meer behoeven. Desgevraagd heeft gemachtigde ter zitting bevestigd dat zij de uitspraken kent. De omstandigheid dat de uitspraken onder de vorige Dublinverordening zijn gewezen is niet van belang omdat het toetsingskader, het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet gewijzigd is.

9. Het beroep op de vier rechtbankuitspraken kan om de navolgende redenen niet slagen. Drie van de vier uitspraken dateren van vóór voornoemde uitspraken van de Afdeling. Voorts is de uitspraak van zittingsplaats Haarlem van 3 april 2014 niet vergelijkbaar omdat het een gezin betrof dat dreigde van elkaar te worden gescheiden. De uitspraak van de voorzieningenrechter te Den Haag van 3 februari 2014 betreft een voorziening die is toegewezen in afwachting van een uitspraak van de Afdeling die inmiddels is gewezen. De uitspraak van zittingsplaats Zwolle van 28 januari 2014 en de uitspraak van zittingsplaats Arnhem van 4 februari 2014 zijn gewezen omdat in de betrokken bestreden besluiten sprake was van een motiveringsgebrek.

10. Voorts heeft eiseres zich beroepen op een ‘interim measure’ van het EHRM van 29 april 2014 (no. 30900/14) waarbij het EHRM aan de Nederlandse regering twee vragen heeft gesteld over de overdracht aan Italië van een alleenstaande moeder met twee kinderen. Eiseres meent dat de voorzieningenrechter in afwachting van de beantwoording van deze vragen geen uitspraak kan doen.

De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat er geen aanleiding is om het verzoek op voorhand toe te wijzen, nu de termijn voor het beantwoorden van de vragen nog loopt. Uit de rechtspraak van de Afdeling, onder meer uit de uitspraak van 5 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX6829) blijkt dat door verweerder voorafgaand aan iedere overdracht van een vreemdeling aan Italië contact wordt opgenomen met de Italiaanse autoriteiten en dat daarbij ook de persoonlijke omstandigheden en, voor zover van belang, de hulpbehoefte van de over te dragen vreemdeling onder de aandacht worden gebracht. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat verweerder ook ten aanzien van eiseres deze gedragslijn in acht zal nemen. Voorts heeft verweerder ter zitting aangegeven dat eiseres blijkens het claimakkoord van 24 maart 2014 bij terugkeer in Italië valt onder de voorzieningen van het project “Dublino 1” van het European Refugee Fund.

11. Ten aanzien van de gestelde kwetsbaarheid van eiseres vanwege het zijn van een alleenstaande vrouw overweegt de voorzieningenrechter dat dit gegeven als zodanig, wat hier verder ook van zij, niet leidt tot de conclusie dat zij niet aan Italië mag worden overgedragen. Voor zover zij vreest problemen ondervinden in Italië van haar echtgenoot overweegt de voorzieningenrechter dat eiseres zich bij eventuele problemen tot de Italiaanse autoriteiten (politie en justitie) dient te wenden. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Italiaanse autoriteiten haar niet kunnen en willen helpen.

12. Uit het vorenstaande volgt dat de door eiseres aangedragen landeninformatie en jurisprudentie niet kan leiden tot de conclusie dat verweerder ten aanzien van Italië niet had mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres daarom terecht afgewezen.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

15. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.