Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:17013

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-05-2014
Datum publicatie
21-08-2015
Zaaknummer
AWB 14/9578
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin II/III. Cyprus. In de overgelegde rapporten bestaat geen aanleiding om af te wijken van het oordeel in uitspraak van 31-12-2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 14/9578 (voorlopige voorziening) en 14/9576 (beroep)

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 22 mei 2014 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

gemachtigde: mr. W.H.M. Ummels,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.P. de Boo.

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2014 (bestreden besluit 1) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen en bepaald dat eiseres zal worden overgedragen aan de autoriteiten van Cyprus.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat uitzetting hangende het beroep achterwege blijft.

Op 7 mei 2014 heeft verweerder een aanvullend besluit (bestreden besluit 2) genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen R. Ghanbari, tolk in de Farsi taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Aangezien nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk op het beroep worden beslist.

2. Eiseres stelt op [geboortedag] 1984 te zijn geboren en de Iraanse nationaliteit te bezitten. Eiseres heeft op 31 december 2013 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000.

3. Verweerder heeft in bestreden besluit 1 de asielaanvraag van eiseres afgewezen en bepaald dat eiseres zal worden overgedragen aan de autoriteiten van Cyprus met inachtneming van de Nederlandse wetgeving en procedures. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres een visum voor Cyprus heeft, geldig van 4 december 2013 tot 3 maart 2014 en dat eiseres een origineel paspoort met dit visum heeft overgelegd. Cyprus is daarom verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek. Nu de autoriteiten van Cyprus niet tijdig hebben gereageerd op het overnameverzoek, staat daarmee per 9 maart 2014 de verantwoordelijkheid van Cyprus vast. In bestreden besluit 2 is verweerder aanvullend ingegaan op de zienswijze van eiseres van 5 januari 2014 en heeft verweerder nader gemotiveerd dat hetgeen in de zienswijze van eiseres is aangevoerd geen aanleiding vormt om toepassing te geven aan artikel 3, tweede lid, van de Verordening (EG) nr. 343/2003. Eiseres heeft, aldus verweerder, niet aannemelijk gemaakt dat Italië de bepalingen van het Vluchtelingenverdrag en het Europees verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet naleeft.

4. Eiseres voert in beroep aan dat ten onrechte Verordening (EG) nr 343/2003 is toegepast in plaats van Verordening (EU) nr. 604/2013. Voorts meent zij dat niet zeker is dat het visum echt is. Zij handhaaft haar standpunt dat ten aanzien van Cyprus niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder dient de asielaanvraag aan zich te trekken. Eiseres is een alleenstaande jonge vrouw met een kwetsbare mentale balans. Er is geen garantie dat Cyprus de in acht te nemen minimumnormen voor de opvang van asielzoekers nakomt. Verweerder heeft daarnaar onvoldoende onderzoek gedaan. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres zich beroepen op de uit de jurisprudentie bekende KISA rapporten, het Amnesty International Rapport 2013, alsmede op nog niet in de rechtspraak beoordeelde rapporten met betrekking tot de situatie op Cyprus in 2013. Die betreffen het hoofdstuk “Protection of Refugees” uit Country Reports on Human Rights Practices for 2013 van het United States Department of State, een deel uit het rapport ‘Access to Health Care for undocumented Migrants and Asylumseekers’ alsmede het rapport ‘Asylum in the Republic of Cyprus’ afkomstig van het Contact and Consultation Center for Refugees and Migrants te Berlijn. Eiseres stelt dat uit deze rapporten blijkt dat in 2013 sprake was van langdurige detentie in afwachting van beoordeling van het asielverzoek, inconsistente toepassing van opvangvoorzieningen, vermindering van de financiële ondersteuning en ernstige gebreken in de medische zorg alsmede van het ontbreken van effectieve toegang tot rechtshulp.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5. Op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag, ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van de Europese Unie van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Dublin II), behandelen de lidstaten van de Europese Unie elk asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van hen wordt ingediend, hetzij aan de grens hetzij op hun grondgebied. Een asielverzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III van de Verordening genoemde criteria verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek.

Op grond van het tweede lid, voor zover thans van belang, kan, in afwijking van het eerste lid, elke lidstaat een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Ingevolge artikel 9, vierde lid, gelezen in samenhang met het tweede lid, van Dublin II is, wanneer de asielzoeker houder is van een visum, dat minder dan zes maanden is verlopen en dat hem daadwerkelijk toegang heeft verschaft tot het grondgebied van een lidstaat, de lidstaat die dit visum heeft afgegeven verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek zolang de asielzoeker het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten.

Ingevolge artikel 21, eerste lid van Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Dublin III) verricht de aangezochte lidstaat de nodige naspeuringen en reageert op het verzoek tot overname binnen twee maanden nadat hij het heeft ontvangen.

Ingevolge het zevende lid staat het zonder reactie laten verstrijken van de in lid 1

bedoelde termijn van twee maanden gelijk met aanvaarding van het overnameverzoek en houdt de verplichting in om de persoon over te nemen en te zorgen voor passende regelingen voor de aankomst.

Op grond van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

6. Nu niet is gebleken dat partijen daarbij onvoldoende belang hebben, zijn gelet op artikel 6:19 en artikel 8:81, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening van rechtswege mede gericht tegen bestreden besluit 2.

7. De asielaanvraag is op 31 december 2013 gedaan. Dat betekent dat op grond van artikel 49 van Dublin III, in dit geval Dublin II van toepassing is voor de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Blijkens artikel 49 zijn met betrekking tot het verzoek tot overname van eiseres de (formele) regels van Dublin III van toepassing.

8. Er is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen aanleiding voor de veronderstelling dat het visum voor Cyprus niet echt is. Het door eiseres zelf overgelegde paspoort is voorzien van het daarin opgenomen visum voor Cyprus door de Koninklijke Marechaussee als daartoe bevoegde autoriteit, als echt aangemerkt. Dat eiseres, zoals zij stelt, zich niet bewust was dat zij een visum voor Cyprus had verkregen, speelt geen rol bij de bepaling welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.

Nu de autoriteiten van Cyprus niet binnen de termijn van twee maanden op het overnameverzoek van 8 januari 2014 hebben gereageerd, staat daarmee op grond van artikel 21, zevende lid, van Dublin III de verantwoordelijkheid van Cyprus voor de behandeling van de asielaanvraag vast.

9. Vervolgens staat ter beoordeling of verweerder de behandeling van de asielaanvraag van eiseres aan zich had moeten trekken op grond van artikel 3, tweede lid, van Dublin II, omdat ten aanzien van Cyprus niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In beginsel mag verweerder uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat dit uitgangspunt voor Cyprus moet worden verlaten.

10. Uit het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 21 januari 2011, JV 2011, 68 (M.S.S. tegen België en Griekenland) blijkt dat bij de beoordeling of overdracht van een vreemdeling met toepassing van de Verordening aan een andere lidstaat in strijd met artikel 3, dan wel 13 van het EVRM, in het bijzonder worden betrokken de detentie- en/of leefomstandigheden waarmee de overgedragen asielzoeker in dat land wordt geconfronteerd en de kwaliteit van de asielprocedure in dat land. Voorts houdt dat arrest in dat ook in een situatie waarin ten aanzien van deze aspecten informatie is overgelegd die niet specifiek op de betrokken vreemdeling ziet, een lidstaat die een asielzoeker wenst over te dragen, zich ervan dient te vergewissen dat de wetgeving van de lidstaat waaraan de vreemdeling wordt overgedragen, op deze punten wordt toegepast op een wijze die in overeenstemming met het EVRM.

11. Over - niet nader door eiseres gespecificeerde - KISA rapporten alsmede over een rapport van Amnesty International (A.I.) van juni 2012 over de detentie van vreemdelingen in Cyprus heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, uitspraak gedaan op 31 december 2013 (ECLI:NL:RBDHA:2013:18430). Daarbij is mede betrokken de reactie van het ministerie van Binnenlandse Zaken van Cyprus op dit A.I. rapport.

Uit deze uitspraak volgt dat de asielprocedure, de rechtshulp en effectiviteit van rechtsmiddelen in Cyprus weliswaar voor verbetering vatbaar zijn, maar dat er geen aanleiding is voor de eindconclusie dat de Cypriotische asielprocedure in zijn geheel gezien zodanige gebreken vertoont dat hieruit moet worden afgeleid dat voor eiseres bij overdracht aan Cyprus een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3, dan wel artikel 13 van het EVRM. Ook zijn er volgens de rechtbank geen concrete aanknopingspunten dat de situatie in Cyprus ten aanzien van de detentieomstandigheden zodanig ernstig is dat sprake is van dreigende schending van artikel 3 EVRM bij overbrenging van de betreffende asielzoeker naar Cyprus.

12. Het door eiseres overgelegde gedeelte van het rapport van A.I. van 2013 ziet vooral op lichtvaardige en langdurige detentie van asielzoekers. Uit een nader door verweerder overgelegde brief van mevrouw E. Ioannou van de Asylum Service, Dublin Office, van het ministerie van Binnenlandse Zaken van Cyprus van 12 september 2012 blijkt dat de asielzoeker, op wiens asielaanvraag nog niet is beslist, na overbrenging naar Cyprus niet wordt gedetineerd. Dat betekent in het geval van eiseres, van wie het verzoek van 31 december 2013 het eerste asielverzoek is, dat zij niet zal worden gedetineerd. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om nader in te gaan op de stelling van eiseres met betrekking tot de detentieomstandigheden op Cyprus.

13. Uit het Country Report 2013 is weliswaar af te leiden dat de opvangvoorzieningen ten aanzien van asielzoekers niet steeds consistent worden toegepast, dat het voorkomt dat bij de toegang tot (langdurige) medische zorg asielzoekers gediscrimineerd werden, en dat de financiële ondersteuning van asielzoekers is gehalveerd. Echter naar het oordeel van de rechtbank is deze informatie niet zodanig gedetailleerd, dat daarmee aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een zodanige verslechtering van de situatie in 2013 dat het oordeel van de rechtbank van 31 december 2013 niet overeind zou kunnen blijven.

14. Van het rapport ‘Access to Healthcare for undocumented Migrants and Asylumseekers’ is de herkomst onduidelijk en is niet af te leiden op welke periode het rapport ziet, nog daargelaten dat eiseres een geldig paspoort heeft en dus een gedocumenteerde asielzoeker is. Daarnaast is ook niet duidelijk hoe het onderzoek heeft plaatsgevonden. Uit dien hoofde is het onmogelijk conclusies te trekken over de ernst en de duurzaamheid van gesignaleerde problemen. Het rapport ‘Asylum in the Republic of Cyprus’ afkomstig van het genoemde centrum in Berlijn is blijkens het rapport gebaseerd op vooronderzoek in de periode november 2011 tot september 2012 en op veldwerk in de periode van 26 september 2012 tot 14 oktober 2012. Daarmee staat al vast dat het niet ziet op de periode 2013. Voorts is het onderzoek gebaseerd op interviews. Nu onduidelijk is op hoeveel interviews het is gebaseerd, wie daarbij gehoord zijn en of deze interviews als representatief te beschouwen zijn, kan de informatie uit dit rapport niet als voldoende objectieve onderbouwing van de stellingen van eiseres in aanmerking worden genomen. Bovendien blijkt ook uit dit rapport niet dat de situatie zodanig is verslechterd ten opzichte van de situatie beschreven in de door de rechtbank in de uitspraak van 31 december 2013 besproken rapporten, dat sprake is van systematische tekortkomingen.

15. Ten aanzien van de gestelde - en verder niet door enig medisch rapport of anderszins onderbouwde - (mentale) kwetsbaarheid van eiseres als alleenstaande en zwangere vrouw, overweegt de voorzieningenrechter dat dit gegeven als zodanig niet automatisch leidt tot de conclusie dat zij niet aan Cyprus mag worden overgedragen. Dat geldt evenmin voor het argument dat eiseres zich op Cyprus onveiliger voelt dan in Nederland omdat Cyprus dichterbij Iran is gelegen dan Nederland. In dit verband merkt de voorzieningenrechter op dat verweerder er onweersproken op heeft gewezen dat de afstand tussen Iran en Cyprus 1892 kilometer bedraagt.

16. Uit het vorenstaande volgt dat de door eiseres aangedragen landeninformatie niet kan leiden tot de conclusie dat verweerder ten aanzien van Cyprus niet had mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres daarom terecht afgewezen.

17. Het beroep is ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter :

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.M. Bins-Scheffer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2014.

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.