Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:17011

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2014
Datum publicatie
21-08-2015
Zaaknummer
AWB 14/12565 (verzoek) en AWB 14/12563 (beroep)
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, 3.118a Vb, Frankrijk

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000 3.118a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 14/12565 (verzoek) en AWB 14/12563 (beroep)

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in vreemdelingenzaken van 19 juni 2014 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde mr. drs. R.P. Duijn,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. drs. S.F.E. Verdonck.

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2014 (het bestreden besluit), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), is de asielaanvraag van eiser afgewezen.

Op 26 mei 2014 heeft eiser tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op zijn beroep is beslist.

De behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 12 juni 2014. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Aangezien nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zal met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onmiddellijk op het beroep worden beslist. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedag] 1984 en de Iraanse nationaliteit te bezitten. Op 12 maart 2014 heeft hij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

3. Verweerder heeft bij het bestreden besluit deze aanvraag afgewezen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Verweerder voert daartoe aan dat uit onderzoek in het EU-VIS-systeem is gebleken dat eiser door de buitenlandse vertegenwoordiging van Frankrijk in Teheran in het bezit is gesteld van een visum dat geldig is van 27 januari 2014 tot 21 februari 2014. Verweerder heeft Frankrijk op 18 maart 2014 gevraagd om eiser over te nemen en Frankrijk heeft daarmee op 16 mei 2014 ingestemd, aldus verweerder. Volgens verweerder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die een belemmering vormen voor de feitelijke overdracht van eiser aan Frankrijk.

4. Eiser stelt dat verweerder in strijd met artikel 3.118a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) heeft gehandeld, nu het voornemen is uitgebracht nadat het verzoek tot overname is ingediend. Het overnameformulier is niet volledig ingevuld. De Franse autoriteiten zijn daardoor niet op de hoogte van het feit dat eiser doof en daardoor kwetsbaar is. Eiser is mogelijk niet in staat om zelf zijn recht op opvang in Frankrijk te verwezenlijken. Eiser is door de handelwijze van verweerder benadeeld en beroept zich op een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 14 mei 2014 ECLI:NL:RBDHA:2014:5806. Voorts heeft verweerder niet afdoende gereageerd op de brief met bijlagen van VluchtelingenWerk van 21 mei 2014. Volgens eiser blijkt ook hieruit dat opvang in Frankrijk niet gewaarborgd is. Tot slot wijst eiser op het feit dat hij drie maanden in Nederland verblijft, is bekeerd tot het christendom, daardoor christelijke vrienden heeft gekregen en een sociaal netwerk heeft opgebouwd. Overdracht aan Frankrijk zal een schending van zijn privéleven opleveren.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5. Ingevolge artikel 3.118a, eerste lid, van het Vb 2000, zoals dat gold vóór 1 januari 2014, wordt, indien de staatssecretaris oordeelt dat een ander land ingevolge een verdrag of een voor dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), en uit dien hoofde het andere land om overname of terugname zal verzoeken, het schriftelijk voornemen om de aanvraag af te wijzen, vooruitlopend op aanvaarding van het verzoek tot overname of terugname door het andere land, aan de vreemdeling uitgereikt.

Artikel 3.118a, achtste lid, van het Vb 2000 luidt met ingang van 1 januari 2104 als volgt. Onze Minister houdt rekening met een na afloop van de termijn ontvangen schriftelijke zienswijze, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt. Met een na afloop van de termijn ontvangen aanvulling op een eerder ingediende zienswijze wordt rekening gehouden, indien de beschikking nog niet bekend is gemaakt en de afdoening van de zaak daardoor niet ontoelaatbaar wordt vertraagd. Het ontbreken van de schriftelijke zienswijze, na het verstrijken van de termijn waarbinnen de vreemdeling zijn zienswijze schriftelijk naar voren kan brengen, staat niet aan het verzoek om overname in de weg, en evenmin aan het nemen van de beschikking bij aanvaarding van het verzoek tot overname.

6. Ter zitting heeft eiser zich beroepen op het nieuwe artikel 3.118a, van het Vb 2000 en meer in het bijzonder het achtste lid, zoals dat in de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank in rechtsoverweging 5.1 is beoordeeld. Deze voorzieningenrechter heeft het volgende overwogen:

“Deze wetstekst impliceert dat een verzoek om overname en het nemen van een besluit na aanvaarding van het overnameverzoek voorafgegaan dienen te worden door een voornemen, waarna de vreemdeling in de gelegenheid dient te worden gesteld om een zienswijze in te dienen. Dat geldt temeer nu uit de totstandkomingsgeschiedenis van het nieuwe artikel 3.118a niet blijkt dat met de wijziging van de wetstekst een inhoudelijke wijziging is beoogd ten opzichte van hetgeen was neergelegd in artikel 3.118a van het Vb 2000 vóór de wijziging van dit wetsartikel.”

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat artikel 3.118a, van het Vb 2000 is gewijzigd per 1 januari 2014 in verband met de inwerkingtreding van het zogenoemde Programma Stroomlijning Toelatingsprocedure (samenvoeging eerste gehoor en Dublingehoor). De voorzieningenrechter is van oordeel dat het achtste lid uitsluitend betrekking heeft op de gevolgen van termijnoverschrijding bij het indienen van een zienswijze en geen bepaling bevat omtrent het moment waarop het voornemen dient te worden uitgebracht. Ook uit de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikellid is hieromtrent niets bepaald. Het oordeel in de aangehaalde uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 mei 2014 wordt derhalve niet gevolgd. Dit betekent dat verweerder niet in strijd met artikel 118a, achtste lid, van het Vb 2000 heeft gehandeld door het voornemen uit te brengen vóór het claimverzoek.

8. Vervolgens overweegt de voorzieningenrechter dat op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt afgewezen indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

9. In dit geval is Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Verordening) van toepassing.

10. Tussen partijen is niet in geschil dat in dit geval Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Er dient vervolgens te worden beoordeeld of Nederland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser op humanitaire gronden, met toepassing van artikel 17 van de Verordening, aan zich had moeten trekken.

11. Uit het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 21 januari 2011, JV 2011, 68 (M.S.S. tegen België en Griekenland) blijkt dat bij de beoordeling of de overdracht van een vreemdeling met toepassing van de Verordening aan een andere lidstaat in strijd is met artikel 3, dan wel 13 van het EVRM, in het bijzonder worden betrokken de detentie- en/of leefomstandigheden waarmee de overgedragen asielzoeker in dat land wordt geconfronteerd en de kwaliteit van de asielprocedure in dat land. Voorts houdt dat arrest in dat ook in een situatie waarin ten aanzien van deze aspecten informatie is overgelegd die niet specifiek op de betrokken vreemdeling ziet, een lidstaat die een asielzoeker wenst over te dragen, zich ervan dient te vergewissen dat de wetgeving van de lidstaat waaraan de vreemdeling wordt overgedragen, op deze punten wordt toegepast op een wijze die in overeenstemming is met het EVRM.

12. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is eiser, die bijna helemaal doof is en knieklachten en littekens heeft vanwege een ongeluk in het verleden, er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen niet naleeft. Frankrijk heeft de claim van Nederland geaccepteerd dus is verplicht om eiser in de asielprocedure op te nemen. Frankrijk is immers partij bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag. Dit betekent dat op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag worden gegaan dat de autoriteiten van Frankrijk zich houden aan deze verdragen. Verweerder heeft in het bestreden besluit en ter zitting afdoende gereageerd op de brief met bijlagen van VluchtelingenWerk betreffende de situatie van asielzoekers in Frankrijk en redelijkerwijs kunnen stellen dat niet is gebleken dat er sprake is van systematische tekortkomingen in de opvang.

In dit geval kan op voorhand niet worden gesteld dat eiser vanwege zijn handicap niet in staat is om zijn recht op opvang in Frankrijk te realiseren. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat eiser al vanaf zijn geboorte slechthorend is en ook in Iran met deze handicap heeft moeten leven. Vervolgens is hij in staat geweest om zijn vertrek naar Europa te regelen door in Teheran een visum aan te vragen en na een kort verblijf in Frankrijk naar Nederland te reizen om vervolgens asiel aan te vragen. Verweerder heeft zich derhalve ter zitting op het standpunt kunnen stellen dat de medische situatie van eiser niet dusdanig is dat schending van artikel 3 van het EVRM dreigt. Daarbij is van belang de verklaring van verweerder ter zitting, dat de medische stukken onderdeel uitmaken van het dossier van eiser, dat bij de feitelijke overdracht wordt meegegeven zodat de Franse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers handicap. Desgewenst kan ook nog een Fit-to-fly verklaring worden afgegeven. Verweerder wijst nog op het feit dat asielzoekers met gezondheidsproblemen in Frankrijk volgens de informatie die eiser heeft overgelegd, voorrang krijgen bij de aanwijzing van opvangplekken in centra.

Ten aanzien van de omstandigheid dat eiser zich in Nederland heeft bekeerd tot het christendom en inmiddels banden heeft opgebouwd met geloofsgenoten, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat dit, ook gelet op het korte duur van het verblijf van eiser in Nederland, niet zodanig bijzonder is dat verweerder toepassing zou moeten geven aan artikel 17 van de Verordening.

13. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

14. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

15. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Loonstra griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.