Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16968

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-08-2014
Datum publicatie
13-07-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 411
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2016:5958
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gerectificeerd; zie: ECLI:NL:RBDHA:2016:5958

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/411

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 augustus 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: drs. M.L. Hassell),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Krari).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser (van 3 mei 2013) op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) gedeeltelijk toegewezen. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 12 december 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser (kennelijk) ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2014. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft daarbij het onderzoek geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen te onderzoeken of zij er samen uit kunnen komen.

Op 18 april 2014 heeft eiser een reactie ingediend. Op 13 mei 2014 heeft verweerder hierop zijn reactie ingediend. Op 20 mei 2014 heeft eiser hierop nader gereageerd. Op 22 mei 2014 heeft verweerder nog een nadere reactie gegeven. Op 27 mei 2014 heeft eiser hierop gereageerd. Op 24 juni 2014 heeft verweerder nog een nadere reactie gegeven. Partijen hebben daarbij toestemming gegeven uitspraak te doen zonder nadere zitting.

Het onderzoek is gesloten en partijen is bericht dat er binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan.

Overwegingen

1. Bij brief van 3 mei 2013 heeft eiser verweerder een aantal vragen gesteld in verband met een onderzoek naar de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen. Hierbij heeft eiser verzocht om de ingebrekestellingen en bijbehorende documenten die bij de CVOM zijn ingediend vanwege Wob-verzoeken.

Bij besluit van 9 juli 2013 heeft verweerder reeds openbaar gemaakte overzichten van de aantallen dwangsommen en de hoogte van de dwangsommen die in de jaren 2011 en 2012 door verweerder zijn uitgekeerd verstrekt. Verweerder heeft het verzoek verder afgewezen, omdat het verzoek betrekking heeft op niet-bestaande documenten dan wel omdat sprake is van een onbegrensd informatieverzoek.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd. Verweerder heeft tevens geoordeeld dat geen dwangsom is verschuldigd voor het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift.

2 Eiser heeft in beroep -samengevat- het volgende aangevoerd.

Verweerder heeft hem ten onrechte niet gehoord. Voorts kan een wob-verzoek slechts worden afgewezen op grond van de in artikel 10 en 11 van de Wob neergelegde uitzonderingsgronden en beperkingen. De Wob voorziet niet in de mogelijkheid de openbaarmaking van informatie te weigeren op de enkele grond dat voldoen aan het verzoek veel werk met zich brengt. Het besluit berust dan ook niet op een deugdelijke motivering. Daarnaast had verweerder onderzoek moeten doen naar het bestaan van de gevraagde documenten. Nu geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij geen dwangsom verschuldigd is. Eiser verzoekt in dit verband om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over het maximumbedrag aan dwangsom.

3.1

Ter zitting van 8 april 2014 heeft eiser zijn verzoek beperkt tot het verstrekken van de wob-verzoeken, de ingebrekestellingen en dwangsombesluiten over 2010 en 2011 (hierna: de gevraagde documenten). De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen om na te gaan of aan eiser de gevraagde documenten kunnen worden verstrekt.

3.2

Bij brief van 13 mei 2014 heeft verweerder zich bereid verklaard om de gevraagde documenten tegen berekening van de kosten van minimaal € 630,- (gebaseerd op 300 zaken waarin zich in elke zaak minimaal zes documenten bevinden á € 0,35 per document), gebaseerd op artikel 2, tweede lid van het Besluit tarieven openbaar bestuur, te verstrekken.

3.3

In de reactie van 27 mei 2014 heeft eiser zich bereid verklaard om het bedrag aan kosten voor het vervaardigen van kopieën te betalen. Eiser stelt voorts dat het naar zijn oordeel gaat om circa 170 dossiers en dat niet valt in te zien waarom verweerder niet kan overgaan tot het verstrekken van de gevraagde documenten.

3.4

Bij brief van 24 juni 2014 heeft verweerder zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 11 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2061) op het standpunt gesteld dat de brief van 4 oktober 2013 niet als een ingebrekestelling is aan te merken nu daaruit niet valt af te leiden dat eiser verweerder heeft willen manen binnen een nieuwe termijn (van twee weken) alsnog een besluit te nemen bij gebreke waarvan aanspraak wordt gemaakt op een dwangsom. Er wordt slechts verzocht met voortvarendheid een beslissing op bezwaar te nemen aangezien verweerder de wettelijke beslistermijn uit het oog heeft verloren. Derhalve verbeurt verweerder geen dwangsom.

4 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob, kan een ieder een verzoek om informatie, neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid, richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Artikel 7 van de Wob luidt:

1. Het bestuursorgaan verstrekt de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door:

a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken,

b. kennisneming van de inhoud toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of

d. inlichtingen daaruit te verschaffen.

2. Het bestuursorgaan verstrekt de informatie in de door de verzoeker verzochte vorm, tenzij:

a. het verstrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs niet gevergd kan worden;

b. de informatie reeds in een andere, voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is.

5.1

De rechtbank stelt vast dat niet (meer) in geschil is dat de door verzoeker in de brief van 3 mei 2013 gestelde vragen niet onder het bereik van de Wob vallen. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat het wob-verzoek van 3 mei 2013 van eiser -voor zover dat ziet op ingebrekestellingen en alle bijbehorende documenten- als onbegrensd informatieverzoek is aan te merken. Verweerder was dan ook niet gehouden een dergelijk verzoek in te willigen (vergelijk de uitspraak van de AbRS van 31 maart 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO6516). De rechtbank is echter wel van oordeel dat dit informatieverzoek van eiser verweerder aanleiding had moeten geven om eiser behulpzaam te zijn bij het nader concretiseren van zijn verzoek (vergelijk de uitspraak van de AbRS van 9 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP7115). Verweerder heeft zich daartoe in de bestuurlijke fase onvoldoende ingespannen. Het had op de weg van verweerder gelegen om eiser mondeling dan wel schriftelijk in de gelegenheid te stellen zijn verzoek te beperken, bijvoorbeeld wat betreft de periode en de aard van de documenten die eiser wenst te ontvangen. Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat verweerder het primaire- en het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid en genomen. Het bestreden besluit berust niet op een deugdelijke motivering zoals bedoeld in artikel 7:12 van de Awb.

5.2

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, voor zover daarbij door verweerder is geweigerd aan het verzoek van eiser te voldoen.

5.3

De rechtbank stelt vast dat eiser het wob-verzoek heeft beperkt tot de wob-verzoeken, de ingebrekestellingen en de dwangsombesluiten over 2010 en 2011.

Op 13 mei 2014 heeft verweerder zich bereid verklaard de gevraagde documenten, tegen betaling van de kosten daarvan te verstrekken. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op het Besluit tarieven openbaar bestuur. Eiser heeft bij brief, ontvangen op 27 mei 2014, verklaard bereid te zijn de kosten voor de kopieën te dragen. Volgens eiser gaat het om circa 170 dossiers en een bedrag van minimaal € 178,50.

5.4

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank, uit het oogpunt van finale geschilbeslechting, aanleiding om te bepalen dat haar uitspraak in plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit en te bepalen dat verweerder de gevraagde documenten verstrekt aan eiser tegen betaling door eiser van de kosten voor het verstrekken van die documenten aan verweerder.

6.1

Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten voor zover die zien op de beslissing van verweerder om aan eiser geen dwangsom uit te keren. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

6.2

Ingevolge artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen.

Ingevolge het derde lid is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

6.3

Bij brief van 4 oktober 2013 heeft de gemachtigde van eiser een brief aan verweerder gezonden met als onderwerp CVOM/BV/WOB/2013/115. Hierin staat het volgende vermeld:

“Onder verwijzing naar het bezwaarschrift d.d. 09 augustus 2013 over bovengenoemd onderwerp bericht ik U hierbij het volgende.

De bestuurlijke besluitvorming naar aanleiding van de inhoud van mijn bezwaarschrift verloopt naar mijn eigen inzicht uitermate traag. Ik verzoek U dan ook om met voortvarendheid een beslissing op bezwaar te nemen, aangezien U de wettelijke beslistermijn uit het oog heeft verloren.”

De rechtbank stelt vast dat de brief van 4 oktober 2013 slechts een verwijzing naar de brief van 9 augustus 2013 betreft, met het verzoek daarop voortvarend een besluit te nemen. Uit de brief valt niet af te leiden dat eiser verweerder daarmee heeft willen manen binnen een bepaalde termijn alsnog een besluit op het bezwaarschrift te nemen of dat aanspraak op een dwangsom zal worden gemaakt, indien dat besluit niet binnen een redelijke termijn wordt genomen (vergelijk de uitspraken van de AbRS van 14 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2061 en van 5 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5083). De rechtbank is dan ook van oordeel dat de brief van 4 oktober 2013 niet kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling. Dat in de brief wordt aangegeven dat verweerder de wettelijke beslistermijn uit het oog heeft verloren, maakt dit niet anders.

6.4

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toekennen van een dwangsom aan eiser. Hetgeen eiser in dit kader verder heeft aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking.

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.092,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting en 0.5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijzen na de zitting van 8 april 2014 met een waarde per punt van € 437,-. De overige door de gemachtigde van eiser genoemde kosten, te weten zijn reis- en verblijfkosten in Nederland, komen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover voor zover daarbij door verweerder is geweigerd aan het verzoek van eiser te voldoen;

- bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder de wob-verzoeken, ingebrekestellingen en dwangsombesluiten over 2010 en 2011 verstrekt aan eiser tegen betaling door eiser van de kosten voor het verstrekken daarvan aan verweerder, gebaseerd op artikel 2, tweede lid, van het Besluit tarieven openbaar bestuur;

- laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand voor zover daarbij door verweerder is beslist dat aan eiser geen dwangsom is verschuldigd;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 160,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.092,50, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. V. van Rhijn, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 augustus 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.