Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16955

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
12-06-2015
Zaaknummer
AWB 14 / 1493 en AWB 14 / 1494
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft op 2 januari 2014 op het daartoe bestemde formulier haar verzoek om internationale bescherming ingediend bij de Nederlandse autoriteiten. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres afgewezen omdat de Italiaanse autoriteiten op 6 september 2013 aan eiseres een toeristenvisum hebben verstrekt. De Nederlandse autoriteiten hebben Italië op grond van artikel 9, vierde lid, van de Verordening 343/2003 verzocht eiseres over te nemen. Op 5 januari 2014 hebben de Italiaanse autoriteiten met de overname van eiseres ingestemd. De voorzieningenrechter oordeelt dat nu vast staat dat eiseres op 2 januari 2014 op het daartoe bestemde formulier haar verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, gelet op de overgangsbepalingen van de Verordening 604/2013, voornoemde Verordening van toepassing is op de asielaanvraag van eiseres. Nu verweerder de asielaanvraag in zijn bestreden besluit heeft getoetst aan Verordening 343/2003, berust het bestreden besluit op een onjuiste wettelijke grondslag. De voorzieningenrechter beslist meteen op de hoofdzaak en verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit maar laat in dit geval de rechtsgevolgen in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 14 / 1493 en AWB 14 / 1494

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 februari 2014 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. L.S.T.H. Ruijters),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Beening).

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2014 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), afgewezen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (AWB 14 / 1493). Voorts heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (AWB 14 / 1494).

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2014, waar eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2.

Eiseres, volgens haar verklaring geboren op 5 maart 1995 en burger van de Democratische Republiek Congo (DRC) heeft op 2 januari 2014 de hiervoor genoemde aanvraag ingediend op de wijze als voorgeschreven in artikel 37, aanhef en onder a, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 3.108, eerst lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en artikel 3.42 van het Vreemdelingenvoorschrift 2000 (VV 2000).

3.

De voorzieningenrechter ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of het besluit van verweerder berust op een juiste wettelijke grondslag en overweegt daartoe als volgt.

4.

Eiseres heeft op 23 oktober 2013 ten overstaan van de Nederlandse autoriteiten haar wens om internationale bescherming kenbaar gemaakt. Op 4 november 2013 hebben de Nederlandse autoriteiten de Italiaanse autoriteiten verzocht eiseres over te nemen. Op 5 januari 2014 hebben de Italiaanse autoriteiten impliciet ingestemd met de overname van eiseres. Op 2 januari 2014 heeft eiseres haar verzoek om internationale bescherming schriftelijk bij de Nederlandse autoriteiten ingediend.

5.

Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking) (Verordening 604/2013) heeft met ingang van 1 januari 2014 Verordening 343/2003 vervangen. Ingevolge artikel 49 van de Verordening 604/2013, gelezen in samenhang met de Engelse tekst van deze bepaling, is deze verordening van toepassing op verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend (“lodged”) vanaf 1 januari 2014, en is zij vanaf die dag van toepassing op elk verzoek tot overname of terugname van verzoekers, ongeacht de datum waarop het verzoek is ingediend. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór die datum is ingediend, wordt bepaald volgens de criteria die zijn vastgesteld in Verordening 343/2003.

6.

Volgens artikel 20, tweede lid, van de Verordening 604/2013, wordt een verzoek om internationale bescherming geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de eiseres ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. Bij een niet-schriftelijk verzoek dient de termijn tussen de intentieverklaring en het opstellen van een proces-verbaal zo kort mogelijk te zijn.

7.

De voorzieningenrechter stelt vast dat eiseres op 2 januari 2014 op het daartoe bestemde formulier haar verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Dat betekent dat op grond van voormelde overgangsrechtelijke bepaling Verordening 604/2013 van toepassing is op het verzoek om internationale bescherming van eiseres. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd aangegeven aan de voormalige Verordening 343/2003 te hebben getoetst vanwege de onder rechtsoverweging 4 genoemde feiten en omstandigheden, die in 2013 een aanvang hebben genomen. Voor deze stelling of aanname kan echter geen steun worden gevonden in de onder rechtsoverwegingen 5 en 6 aangehaalde bepalingen van de nieuwe Verordening. Nu verweerder onderhavige asielaanvraag in zijn bestreden besluit heeft getoetst aan Verordening 343/2003 en het derhalve berust op een onjuiste wettelijke grondslag, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beroep van eiseres reeds om die reden gegrond is, zodat het bestreden besluit zal worden vernietigd. De voorzieningenrechter ziet echter wel aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.

8.

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. In dat kader acht verweerder van belang dat volgens het Europees Visum Informatie Systeem (EU-Vis) door de Italiaanse vertegenwoordiging te Kinshasa (DRC) op 6 september 2013 aan eiseres een toeristenvisum (visumnummer [visumnummer]) is verstrekt. Het visum is verstrekt in een paspoort met paspoortnummer [paspoortnummer] en geldig van 18 september 2013 tot 12 oktober 2013. Dit visum is aan eiseres verstrekt onder de naam [naam], geboren op [geboortedatum] en van Congolese nationaliteit. Uit dactyloscopisch onderzoek is gebleken dat aan eiseres middels het afgeven van haar vingerafdrukken ten behoeve van het verkrijgen van een visum, voornoemd visum is aangevraagd. Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten dan ook op 4 november 2013 verzocht eiseres en het door haar ingediende asielverzoek over te nemen. Op 5 januari 2014 hebben de Italiaanse autoriteiten (impliciet) met de overname ingestemd. Tevens heeft verweerder ter zitting onbestreden gesteld dat Italië inmiddels ook expliciet heeft ingestemd met de overname van eiseres. Volgens verweerder staat daarmee de verantwoordelijkheid van Italië vast.

9.

Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en heeft daartoe aangevoerd dat zij niet op basis van het door Italië afgegeven visum het grondgebied van de Europese Unie (EU) is ingereisd. De geldigheidsduur van het visum was zelfs reeds verstreken op het moment dat zij het grondgebied van de EU is ingereisd. Nu niet vast staat dat eiseres van het visum gebruik heeft gemaakt om het grondgebied van de EU in te reizen is eiseres van mening dat verweerder Italië ten onrechte verantwoordelijk houdt voor haar asielaanvraag. Voorts heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat er in geval van overname door de Italiaanse autoriteiten sprake is van schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechter van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) nu de Italiaanse asielprocedure structurele tekortkomingen kent die leiden tot een situatie in strijd met voornoemde bepaling. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiseres zich beroepen op een uitspraak van het EHRM van Tarakhel e.a. tegen Zwitserland (no. 29217/12), een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 3 oktober 2013 (AWB 13/22420), een brief van de Afdeling gericht aan verweerder van 13 december 2013 en een notitie van Vluchtelingenwerk Nederland van december 2013.

10.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

11.

Ingevolge artikel 3 van het EVRM mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

12.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van deze wet afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag, ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

13.

In geschil is allereerst of Italië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiseres. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat Italië primair verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van eiseres. Uit het EU-Vis blijkt immers dat aan eiseres een Italiaans toeristenvisum is verstrekt. De Italiaanse autoriteiten zijn bovendien akkoord gegaan met de overname van eiseres. Wat betreft de stelling van eiseres dat zij niet met het aan haar afgegeven visum het grondgebied van de lidstaten van Europese Unie is ingereisd, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verweerder heeft zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij niet op basis van het aan haar verstrekte visum het grondgebied van een lidstaat van de EU is ingereisd en dat zij daarin niet is geslaagd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder dit standpunt heeft kunnen innemen en overweegt daartoe als volgt. Eiseres heeft tijdens het eerste gehoor van 2 januari 2014 een verklaring afgelegd over de door haar afgelegde reisroute. De door eiseres afgelegde verklaring heeft verweerder echter onvoldoende onderbouwd mogen achten om voor waar aan te nemen. Zo weet eiseres niet op welke vliegvelden zij is geweest, met welke vliegtuigmaatschappijen zij heeft gereisd en hoe lang de vluchten duurden. Verder heeft eiseres verklaard dat niet zij maar haar reisagent haar reispapieren in handen had. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiseres de door haar gestelde afgelegde reisroute niet aannemelijk heeft gemaakt. Nu verweerder de door eiseres gestelde afgelegde reisroute in twijfel heeft kunnen trekken, heeft verweerder de stelling van eiseres dat zij niet op basis van het reisvisum het grondgebied van de EU is ingereisd ook niet aannemelijk kunnen achten. De verklaring van eiseres dat niet zij maar haar reisagent de reispapieren in handen heeft gehad werkt in dit kader ook niet in haar voordeel nu dit de stelling van eiseres dat zij niet op basis van haar visum de EU is ingereisd, niet onderbouwt. Eiseres weet immers niet op basis van welke papieren zij heeft gereisd.

14.

Nu de voorzieningenrechter van oordeel is dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat de Italiaanse autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de asielaanvraag van eiseres, staat voorts nog ter discussie de vraag of verweerder, gelet op hetgeen eiseres heeft aangevoerd, kan vasthouden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië of toch gehouden is de asielaanvraag van eiseres zelf in behandeling te nemen.

15.

Zoals blijkt uit paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, maakt verweerder terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het asielverzoek hier te lande te behandelen. De bevoegdheid wordt in ieder geval gebruikt in de volgende situaties:

- er zijn concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt;

- bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de asielzoeker aan de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

16.

Het ligt op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM wordt weerlegd. Hiervan is sprake als de vreemdeling aannemelijk maakt dat in de asielprocedure van de verantwoordelijke lidstaat ten aanzien van de vreemdeling niet zal worden onderzocht en vastgesteld of er sprake is van een schending van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM.

17.

Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) bij herhaling heeft overwogen, blijkt uit het arrest van het EHRM van 21 januari 2011 in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland (no. 30696/09) dat het EHRM bij de beoordeling of overdracht van een vreemdeling met toepassing van de Verordening aan een andere lidstaat in strijd is met artikel 3, dan wel artikel 13 van het EVRM, in het bijzonder betrekt de detentie- en/of levensomstandigheden waarmee de overgedragen asielzoeker in dat land wordt geconfronteerd en de kwaliteit van de asielprocedure in dat land. Voorts houdt het arrest in dat ook in een situatie waarin ten aanzien van deze aspecten informatie is overgelegd die niet specifiek op de betrokken vreemdeling ziet, een lidstaat die een asielzoeker wenst over te dragen, zich ervan dient te vergewissen dat de wetgeving van de lidstaat waaraan de vreemdeling wordt overgedragen, op deze punten wordt toegepast op een wijze die in overeenstemming is met het EVRM.

18.

Ook in een situatie waarin een vreemdeling zijn stelling dat overdracht strijdig is met artikel 3 van het EVRM louter onderbouwt met een beroep op algemene documentatie die informatie bevat over één of meer van de blijkens het arrest relevante aspecten, is een zorgvuldige beoordeling daarvan geboden. Het is immers mogelijk dat deze informatie tot de conclusie moet leiden dat zich, gelet op tekortkomingen bij de behandeling van asielzoekers in het land waaraan wordt overgedragen, feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM wordt weerlegd.

19.

Verweerder heeft met betrekking tot de door eiseres genoemde rapportages en de door eiseres genoemde uitspraken een op deze rapporten en uitspraken toegespitste standpuntbepaling gegeven. Zo heeft verweerder onder meer verwezen naar de uitspraken van het EHRM van 2 april 2013 (nr. 27725/10), van 18 juni 2013 (nr. 53852/11), van 27 augustus 2013 (nr. 40524/10) en van 10 september 2013 (nr. 2314/10). Het EHRM heeft in deze arresten overwogen dat de behandeling van vreemdelingen in Italië, zowel als asielzoeker als statushouder, niet de ondergrens raakt die vereist is om binnen het bereik van artikel 3 van het EVRM te vallen. Weliswaar kan er in Italië ten aanzien van de algemene situatie en leefomstandigheden voor asielzoekers en vluchtelingen sprake zijn van onvolkomenheden, maar niet is aangetoond dat sprake is van een systematische tekortkoming in de ondersteuning van asielzoekers of voorzieningen gericht op asielzoekers als kwetsbare groep zoals het geval was in de zaak van M.S.S. De voorzieningenrechter volgt verweerders standpunt dat de door eiseres overgelegde stukken onvoldoende grond bieden om aan te nemen dat Italië zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en dat eiseres op basis van deze stukken niet zou mogen worden overgedragen en dat aldus niet zou kunnen worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

20.

De voorzieningenrechter volgt verweerder verder in zijn standpunt dat ook het persoonlijke relaas van eiseres, waarop door de gemachtigde van eiseres ter zitting de nadruk is gelegd, onvoldoende indicaties biedt voor het oordeel dat de Italiaanse asielprocedure niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Eiseres kan in Italië een asielaanvraag indienen en gedurende de behandeling van die aanvraag zal aan haar opvang worden geboden. Voor zover zij daarvoor niet in aanmerking zou komen overweegt de voorzieningenrechter dat eiseres, gelet op het arrest van het EHRM van 2 december 2008 (JV 2009/41), dit betoog bij de Italiaanse autoriteiten naar voren kan brengen en (vervolgens) zo nodig bij het EHRM. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat eiseres in Italië (zonder beoordeling van haar asielaanvraag) zal worden bedreigd met uitzetting naar de DRC. Evenmin bestaat er reden te vrezen dat eiseres in Italië slachtoffer zal worden van een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling.

21.

Eiseres heeft zich ten slotte op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte de asielaanvraag niet aan zich houdt omdat de overdracht aan Italië, gelet op haar psychische gesteldheid, getuigt van een onevenredige hardheid.

22.

De voorzieningenrechter overweegt dat de enkele aanwezigheid van medische omstandigheden slechts voor verweerder aanleiding kan geven onderhavige asielaanvraag aan zich te houden, indien eiseres met concrete aanwijzingen aannemelijk maakt dat de medische voorzieningen in de lidstaat waardoor zij wordt overgenomen, niet vergelijkbaar zijn met de medische voorzieningen hier te lande. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in de door eiseres overgelegde gegevens geen steun te vinden is voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de door eiseres benodigde medische voorzieningen in Italië geacht moeten worden vergelijkbaar te zijn met die in Nederland.

23.

Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder ter zitting desgevraagd heeft toegelicht dat indien eiseres daadwerkelijk zal worden overgedragen aan Italië, haar medische toestand, alvorens de fysieke overdracht zal plaatsvinden, wordt bekeken en zo nodig onderzocht. Voorts staat het eiseres vrij, in geval van uitzetting, een beroep te doen op artikel 64 van de Vw 2000.

24.

Op grond van het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat door de overdracht van eiseres aan de Italiaanse autoriteiten geen situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft zich met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt kunnen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Italië de refoulementverboden niet zal schenden.

25.

Onder verwijzing naar wat in rechtsoverweging 7 is overwogen, zal de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat de rechtgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

26.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op in totaal € 1.461,= (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,= en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

-

verklaart het beroep gegrond;

-

vernietigt het bestreden besluit;

-

bepaalt dat de rechtgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

-

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

-

veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.461,= (wegens door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand).

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.J. Govaers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van Rie, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2014.

w.g. E. van Rie,

griffier

w.g. E.J. Govaers,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 18 februari 2014

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak staat voor belanghebbenden en het bestuursorgaan hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.