Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16953

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-04-2014
Datum publicatie
12-06-2015
Zaaknummer
AWB 13 / 15057
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is hier te lande veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar wegens het plegen van het misdrijf als bedoeld in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht (doodslag). Verweerder heeft daarom verblijfsrecht van eiser voor Nederland beëindigd op grond van de Richtlijn 2004/38/EG. Tevens heeft verweerder eiser ongewenst verklaard op grond van het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser een actuele en werkelijke bedreiging vormt. Er zijn geen feiten en omstandigheden gebleken of gesteld op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de actuele bedreiging is verdwenen of is verminderd. De bewezen verklaarde gedragingen die eiser heeft begaan vormen naar het oordeel van de rechtbank tevens een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Eiser heeft met zijn daad de rechtsorde zeer ernstig geschokt en deze daad is hem door de strafrechter ook zwaar aangerekend. Verder leveren de verblijfsbeëindiging en de ongewenstverklaring geen schending op van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13 / 15057

Uitspraak van de meervoudige kamer van 1 april 2014 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.A.K. Rahman),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verblijfsrecht van eiser beëindigd en hem tevens ongewenst verklaard.

Bij besluit van 21 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2014. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en in het bezit van de Belgische nationaliteit. Hij heeft nimmer in Nederland gewoond. Wel heeft hij twee minderjarige kinderen die in Nederland bij hun moeder, de ex-partner van eiser, wonen. Bij vonnis van 24 juli 2012 (parketnummer 01/825547-11) is eiser hier te lande veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar wegens het plegen van het misdrijf als bedoeld in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht (doodslag).

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder het verblijfsrecht van eiser voor Nederland beëindigd op grond van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004 L 158; hierna: de Richtlijn). Volgens verweerder is er geen verbetering in het gedrag van eiser opgetreden zodat de omstandigheden die maken dat eiser een actuele bedreiging van de openbare orde vormt nog steeds aanwezig zijn. Verder heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de aard van het misdrijf waarvoor eiser is veroordeeld, een fundamenteel belang van de (Nederlandse) samenleving is aangetast. Daarnaast vormen de gedragingen van eiser een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving omdat eiser het delict heeft begaan onder invloed van alcohol en drugs. Geconcludeerd is dat eiser, gelet op zijn persoonlijke gedrag, een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Verweerder heeft in hetgeen eiser over zijn gezinsleven heeft gesteld geen zwaarwegende redenen aanwezig geacht om de verblijfsbeëindiging van eiser in Nederland achterwege te laten. Tevens heeft verweerder eiser ongewenst verklaard op grond van het bepaalde in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Na heroverweging in bezwaar heeft verweerder het primaire besluit bij bestreden besluit gehandhaafd.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiser erkent dat hij is veroordeeld wegens een ernstig misdrijf, maar volgens hem kan uit deze enkele veroordeling geen actueel, werkelijk en voldoende gevaar voor de openbare orde worden afgeleid. Er is geen sprake van recidivegevaar, aldus eiser. Eiser gaat gebukt onder wroeging en schuldgevoel en heeft blijk gegeven van inzicht in zijn daden. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat de verblijfsbeëindiging en de ongewenstverklaring in strijd zijn met het recht op family life als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Volgens artikel 2, eerste lid, van de Richtlijn wordt voor de toepassing van de Richtlijn onder "burger van de Unie" verstaan: eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Volgens het derde lid wordt onder "gastland" verstaan: de lidstaat waarheen de burger zich begeeft om zijn recht van vrij verkeer of verblijf uit te oefenen. Volgens artikel 3, eerste lid, is de Richtlijn van toepassing op iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit.

Volgens artikel 27, eerste lid, van de Richtlijn kunnen de lidstaten de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Unie, ongeacht hun nationaliteit, beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. De lidstaten mogen deze redenen niet voor economische doeleinden aanvoeren. Volgens het tweede lid moeten de om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend zijn gebaseerd op het gedrag van betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die losstaan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mag een lidstaat niet aanvoeren.

6. Bij uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 november 2011 (C-430/10) is voor recht verklaard dat artikel 27 van de Richtlijn niet in de weg staat aan een nationale regeling die het mogelijk maakt het recht van een staatsburger van een lidstaat om zich naar het grondgebied van een andere lidstaat te begeven, te beperken, mits in de eerste plaats het gedrag van die staatsburger een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, in de tweede plaats de voorgenomen beperkende maatregel geschikt is om het ermee beoogde doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken van dat doel, en in de derde plaats die maatregel het voorwerp kan zijn van een effectieve rechterlijke toetsing waarin kan worden nagegaan of die maatregel rechtens en feitelijk rechtmatig is naar het recht van de Unie.

7. Op grond van artikel 28, eerste lid, van de Richtlijn neemt een gastland alvorens een besluit tot verwijdering van het grondgebied om redenen van openbare orde of openbare veiligheid te nemen, de duur van het verblijf van betrokkene op zijn grondgebied, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het gastland en de mate waarin hij binding heeft met zijn land van oorsprong, in overweging.

8. Ingevolge artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan verweerder een vreemdeling ongewenst verklaren, indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd.

9. Ingevolge artikel 8.22, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8.7, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan verweerder een vreemdeling die de nationaliteit bezit van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie het rechtmatig verblijf ontzeggen of beëindigen, om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijke gedrag van die vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

10. De rechtbank ziet zich, gelet op de beroepsgronden, gesteld voor de vraag of het gedrag van eiseres een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Bij de beoordeling van die vraag betrekt de rechtbank het arrest van het Europese Hof van Justitie van 27 oktober 1977 in zaak nr. 30/77, Bouchereau, Jur. 1977, blz. 1999 (RV 1977, 87). In dit arrest is overwogen dat het aan de nationale autoriteiten en eventueel aan de nationale rechterlijke instanties is in elk afzonderlijk geval te oordelen over het bestaan van een persoonlijk gedrag dat een actuele bedreiging van de openbare orde vormt, gelet op de bijzondere rechtspositie van de onder het gemeenschapsrecht vallende personen en op het fundamentele karakter van het beginsel van het vrij verkeer van personen (punten 28-30). De specifieke omstandigheden die een beroep op het begrip openbare orde zouden kunnen rechtvaardigen, kunnen naar land en tijd verschillen. Daarom moet ten deze aan de bevoegde nationale autoriteiten een beoordelingsmarge worden toegekend binnen de door het EG-Verdrag en de ter uitvoering daarvan vastgestelde bepalingen gestelde grenzen (punt 34). Uit dit arrest leidt de rechtbank af dat verweerder enige beoordelingsruimte heeft bij de beantwoording van de vraag of het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

11. Verweerder heeft aan de beëindiging van het verblijfsrecht van eiser onder meer ten grondslag gelegd dat eiser is veroordeeld voor het feit dat hij een persoon om het leven heeft gebracht door hem met een glas in het gezicht en de hals te slaan. Blijkens het vonnis van de strafrechter heeft eiser laten zien dat hij er niet voor is teruggeschrokken om geweld te gebruiken en heeft hij zich het lot van het slachtoffer volstrekt niet aangetrokken, hetgeen de strafrechter als zeer ernstig heeft gekwalificeerd. In de door eiser aangevoerde omstandigheid dat het misdrijf dat hem wordt tegengeworpen is gepleegd onder invloed van drugs en alcohol, heeft verweerder geen rechtvaardigingsgrond gezien voor het plegen ervan. De mogelijk negatieve effecten van het gebruik van deze middelen komen volgens verweerder immers voor eisers eigen rekening en risico. Volgens verweerder is er geen verbetering in het gedrag van eiser opgetreden en kan dus niet gezegd worden dat er geen sprake meer is van een actuele bedreiging van de openbare orde. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat eiser momenteel gedetineerd is, zodat hij nog geen positieve gedragsverandering in de maatschappij heeft kunnen laten zien.

12. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser een actuele en werkelijke bedreiging vormt. Er zijn geen feiten en omstandigheden gebleken of gesteld op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat de actuele bedreiging is verdwenen of is verminderd. De gestelde omstandigheid dat eiser volgens zijn verklaringen thans geen drugs meer gebruikt is, wat hier verder ook van zij, onvoldoende grond om dit aan te nemen. De omstandigheid dat nadien niet is gebleken dat eiser zich wederom aan strafbare gedragingen heeft schuldig gemaakt, is ook geen reden om tot afwezigheid of vermindering van de actuele bedreiging te concluderen. Hierbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat eiser thans in detentie verblijft en dus reeds hierom niet in staat is zich wederom schuldig te maken aan strafbare feiten. De hierboven genoemde (bewezen verklaarde) gedragingen vormen naar het oordeel van de rechtbank tevens een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving. Eiser heeft met zijn daad de rechtsorde zeer ernstig geschokt en deze daad is hem door de strafrechter ook zwaar aangerekend. In dit verband heeft verweerder tevens in redelijkheid kunnen concluderen dat eiser geen, althans onvoldoende, blijk heeft gegeven van inzicht in zijn daden. Hierbij heeft verweerder geen overwegende betekenis hoeven toekennen aan het reclasseringsadvies dat op 23 december 2011 over eiser is opgesteld. Blijkens dat rapport heeft eiser desgevraagd naar voren gebracht dat hij het verschrikkelijk vindt wat er is gebeurd. Deze verklaring strookt echter niet met hetgeen eiser tijdens het gehoor van 26 november 2012 over het voornemen tot ongewenstverklaring naar voren heeft gebracht. Toen heeft eiser namelijk verklaard dat hem ten onrechte doodslag is verweten en dat sprake is geweest van een ongeluk.

13. Verder leveren de verblijfsbeëindiging en de ongewenstverklaring geen schending op van het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Niet kan worden gezegd dat verweerder zich bij de fair balance die moet worden gevonden tussen de belangen van eiser enerzijds en het algemeen belang anderzijds (zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 augustus 2001, nr. 54273/00, JV 2001/254, Boultif tegen Zwitserland) niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat inmenging in de uitoefening door eiser van zijn recht op familie- en gezinsleven gerechtvaardigd is. Niet gebleken is namelijk dat het voor eiser als gevolg van de verblijfsbeëindiging en de ongewenstverklaring onmogelijk wordt om zijn kinderen te ontmoeten. Voor deze ontmoeting is eiser immers niet per se gebonden aan Nederland. De rechtbank verwijst in dat verband nog naar het verhandelde ter zitting. Eisers gemachtigde heeft toen desgevraagd verklaard dat de kinderen van eiser, voordat hij in detentie zat, voornamelijk naar Luik kwamen waar eiser woonachtig is. Niet valt in te zien waarom die bezoeken aan Luik vanwege de beëindiging van het recht van verblijf van eiser in Nederland en de ongewenstverklaring niet meer mogelijk zouden zijn.

14. Het voorgaande in aanmerking genomen, is de rechtbank van oordeel dat het besluit tot handhaving van de verblijfsbeëindiging en de ongewenstverklaring de rechterlijke toets kan doorstaan.

15. Eerst ter zitting heeft eiser nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel en in dat verband verwezen naar een besluit van 29 januari 2013 inzake een niet nader genoemde vreemdeling. Deze grond laat de rechtbank wegens strijd met de goede procesorde buiten beoordeling. Niet valt in te zien waarom eiser deze grond niet eerder dan tijdens de zitting naar voren heeft kunnen brengen.

16 Het beroep is ongegrond.

17 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer (voorzitter), mr. R.M.M. Kleijkers

en mr. B.T. Nijeholt, leden, in aanwezigheid van mr. W.A.M. Bocken, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2014.

w.g. W.A.M. Bocken,

griffier

w.g. M.C.M. Hamer,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 1 april 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.