Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16945

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2014
Datum publicatie
30-06-2015
Zaaknummer
09-994177-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft nagelaten om twee ongebruikelijke transacties als bedoeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (tijdig) te melden bij het daartoe bestemde meldpunt. Dat is veel meer dan een slordigheid, zoals dit nalaten door de verdediging is bestempeld. De verdachte heeft door zijn handelen de overheid de mogelijkheid ontnomen om zicht te krijgen op geldstromen die kunnen duiden op criminaliteit en om achterliggende strafbare feiten op te sporen. De financiële schade die witwassen in de samenleving veroorzaakt is groot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige economische kamer

Parketnummer: 09/994177-13

Datum uitspraak: 22 december 2014

Tegenspraak

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in economische strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats] op[geboortedag] 1967,

adres: [adres][woonplaats].

De terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 7 oktober 2013 en 8 december 2014.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. E.M.J. Thomas, advocaat te Breda, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr. D.E. Kruimel heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de bij dagvaarding onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten en gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van € 25.000,00, subsidiair de daarmee corresponderende vervangende hechtenis, waarvan € 5.000,00, subsidiair de daarmee corresponderende vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De tenlastelegging
Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 7 oktober 2013 - ten laste gelegd dat:

1.

hij [Bedrijf 1] op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 januari 2010 tot en met 03 mei 2010, althans in het jaar 2010, te Bergen op Zoom en/of Zoetermeer en/of (elders) in Nederland, (telkens) als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000,- Euro, (telkens) opzettelijk, in strijd met de verplichting zoals geformuleerd in artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, verrichte of voorgenomen ongebruikelijk transactie(s) niet of niet-onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de (voorgenomen) transactie(s) bekend is geworden heeft gemeld aan de Financiële inlichtingen eenheid, immers heeft hij (telkens) opzettelijk geen (onverwijlde) melding gedaan van:

- een op of omstreeks 19 januari 2010 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 30.000,- Euro door[Bedrijf 2],

- een op of omstreeks 03 mei 2010 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten (een) (geheel of gedeeltelijk (e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 28.500,- Euro door[Bedrijf 3];

2.

hij [Bedrijf 1]op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 maart 2010 tot en met 11 juni 2011, althans in het jaar 2010 en/of 2011, te Bergen op Zoom en/of Zoetermeer en/of (elders) in Nederland, (telkens) als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 15.000,- Euro, (telkens) opzettelijk, in strijd met de verplichting geformuleerd in artikel 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, geen danwel niet volledig cliëntenonderzoek heeft gedaan, immers heeft hij (telkens) opzettelijk geen identiteit vastgesteld en/of gecontroleerd en/of geen uittreksel van de kamer van koophandel aangevraagd en/of gecontroleerd bij de volgende transacties:

- een op of omstreeks 15 maart 2010 verrichtte transactie, te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 19.000,- Euro door[Bedrijf 4] en/of

- een op of omstreeks 26 maart 2010 verrichtte transactie, te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 15.000,- Euro door [Bedrijf 5] en/of

- een op of omstreeks 20 april 2010 verrichtte transactie, te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 17.500,- Euro door [Bedrijf 3] en/of

- een op of omstreeks 20 april 2010 verrichtte transactie, te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 15.000,- Euro door [Bedrijf 3] en/of

- een op of omstreeks 03 mei 2010 verrichtte transactie, te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 28.500,- Euro door [Bedrijf 3] en/of

- een op of omstreeks 05 augustus 2010 verrichtte transactie, te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 22.000,- Euro door [persoon] en/of

- een op of omstreeks 20 augustus 2010 verrichtte transactie, te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 57.500,- Euro door[Bedrijf 6] en/of

- een op of omstreeks 19 oktober 2010 verrichtte transactie, te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 21.000,- Euro door [Bedrijf 3] en/of

- een op of omstreeks 10 november 2010 verrichtte transactie, te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 50.000,- Euro door [Bedrijf 7] en/of

- een op of omstreeks 05 januari 2011 verrichtte transactie, te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 35.000,- Euro door [Bedrijf 8]en/of

- een op of omstreeks 20 januari 2011 verrichtte transactie, te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 29.000,- Euro, door [Bedrijf 6] en/of

- een op of omstreeks 24 januari 2011 verrichtte transactie, te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 50.000,- Euro door [Bedrijf 7] en/of

- een op of omstreeks 24 januari 2011 verrichtte transactie, te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 18.000,- Euro door [Bedrijf 3] en/of

- een op of omstreeks 26 januari 2011 verrichtte transactie, te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 19.500,- Euro door [Bedrijf 3] en/of

- een op of omstreeks 04 februari 2011 verrichtte transactie, te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 15.000,- Euro door [Bedrijf 8] en/of

- een op of omstreeks 13 mei 2011 verrichtte transactie, te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 16.000,- Euro door[Bedrijf 2] en/of

- een op of omstreeks 06 juni 2011 verrichtte transactie, te weten (een) (geheel of gedeeltelijk(e)) contante betaling(en) van (in totaal) (minstens) 27.000,- Euro door [Bedrijf 3]

Vrijspraak

Aan de verdachte is onder feit 2 – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij ten aanzien van 17 transacties, waarbij er € 15.000,00 of meer contant aan hem is betaald, geen dan wel niet volledig cliëntenonderzoek heeft gedaan, zoals verplicht gesteld bij artikel 3 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Blijkens het dossier heeft er op 13 maart 2012 en 12 april 2012 een toezichtonderzoek plaatsgevonden bij de eenmanszaak van de verdachte. Uit het toezichtrapport (bijlage 8) komt naar voren dat in de administratie van de verdachte 39 contante transacties zijn aangetroffen met een waarde van € 15.000,00 of meer. Van die 39 transacties is van 20 transacties vastgesteld dat er geen (volledig) cliëntenonderzoek heeft plaatsgevonden, waarbij een lijst is gevoegd met daarop (onder meer) de 17 transacties die in de tenlastelegging zijn genoemd. Door de toezichthouder is vervolgens aan de Financial Intelligence Unit te Zoetermeer gemeld dat de verdachte ten aanzien van 20 transacties geen cliëntenonderzoek heeft verricht (bijlage 5).

De verdachte is op 27 augustus 2012 gehoord door de Belastingdienst/FIOD. Tijdens dit verhoor is de verdachte geconfronteerd met voornoemde lijst met transacties. De verdachte heeft daarop verklaard dat hij tijdens de controle 16 of 17 van deze transacties heeft kunnen weerleggen en dat er bij een aantal transacties inderdaad geen identiteitsbewijs of uittreksel van de Kamer van Koophandel aanwezig was in de administratie (bijlage 12).

De rechtbank overweegt dat uit het dossier valt af te leiden dat de verdachte in elk geval bij een aantal transacties onzorgvuldig en onvolledig is geweest met het cliëntenonderzoek. Op basis van het dossier kan de rechtbank echter niet vaststellen of dit het geval is geweest bij de in de tenlastelegging genoemde transacties. De verdachte heeft immers tegenover de Belastingdienst/FIOD verklaard dat hij ten aanzien van 16 of 17 transacties tijdens de controle heeft aangetoond dat de identiteit van de koper wel degelijk bekend was, daar het hier regelmatig terugkerende cliënten betrof en bij eerdere transacties reeds cliëntenonderzoek had plaatsgevonden. Uit het dossier is weliswaar niet af te leiden hoe dit ‘aantonen’ is geschied, maar evenmin bevat het dossier aanwijzingen dat de verdachte hierin niet zou zijn geslaagd. Het hiervoor overwogene maakt dat de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan, te weten dat:

1.

hij [Bedrijf 1] op tijdstippen in de periode van 19 januari 2010 tot en met 03 mei 2010 te Bergen op Zoom en Zoetermeer,

telkens als beroeps- of bedrijfsmatig handelende verkoper van goederen, voor zover betaling van deze goederen in contanten plaatsvindt voor een bedrag van 25.000,00 euro,

telkens opzettelijk, in strijd met de verplichting zoals geformuleerd in artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, verrichte ongebruikelijke transacties niet of niet-onverwijld nadat het ongebruikelijke karakter van de

transacties bekend is geworden heeft gemeld aan de Financiële inlichtingen eenheid,

immers heeft hij telkens opzettelijk geen (onverwijlde) melding gedaan van:

- een op 19 januari 2010 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een contante betaling van 30.000,00 euro door[Bedrijf 2], en

- een op 03 mei 2010 verrichte ongebruikelijke transactie, te weten een contante betaling van 28.500,00 euro door[Bedrijf 3]

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De strafoplegging

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft nagelaten om twee ongebruikelijke transacties als bedoeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (tijdig) te melden bij het daartoe bestemde meldpunt. Dat is veel meer dan een slordigheid, zoals dit nalaten door de verdediging is bestempeld. De verdachte heeft door zijn handelen de overheid de mogelijkheid ontnomen om zicht te krijgen op geldstromen die kunnen duiden op criminaliteit en om achterliggende strafbare feiten op te sporen. De financiële schade die witwassen in de samenleving veroorzaakt is groot.

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Wel neemt de rechtbank in aanmerking dat blijkens het dossier ook al in 2005 en 2008 proces-verbaal ter zake van soortgelijke feiten tegen de verdachte is opgemaakt.

Bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen geldboete houdt de rechtbank, naast de financiële situatie waarin de verdachte verkeert, rekening met de omvang van de niet-gemelde transactiebedragen van € 30.000,00 en € 28.500,00.

Alles afwegende acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke geldboete van € 5.850,00 passend.

Voorts houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop in deze zaak. Zij overweegt hiertoe als volgt. De verdachte is op 27 augustus 2012 gehoord als verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM op deze datum aangevangen. Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bepaalde bijzondere omstandigheden. Nu de rechtbank van dergelijke bijzondere omstandigheden niet is gebleken en er heden, 22 december 2014, vonnis wordt gewezen, stelt zij vast dat de redelijke termijn met ongeveer vier maanden is overschreden.

De rechtbank ziet in de voormelde overschrijding van de redelijke termijn aanleiding een substantieel gedeelte van de hiervoor vermelde geldboete voorwaardelijk op te leggen.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

  • -

    14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;

  • -

    16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een geldboete van € 5.850,00 (vijfduizend achthonderdvijftig euro);

bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen

door hechtenis voor de tijd van 64 (vierenzestig) dagen;

bepaalt dat een gedeelte van die geldboete, groot € 1.850,00 (duizend achthonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 28 (achtentwintig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het eind van de hierbij op twee (2) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mr. M.L. Ruiter, rechter,

mr. M. Enthoven, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. J.L.D. Timmermans, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 december 2014.