Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16831

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
16-04-2015
Zaaknummer
C/09/479637 / KG RK 14-2470
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.

Vanwege misbruik van het rechtsmiddel wraking wordt bepaald dat een volgend verzoek om wraking, betrekking hebbend op de onderliggende hoofdprocedure, niet in behandeling wordt genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2014/74

zaak-/rekestnummer: C/09/479637 / KG RK 14-2470

parketnummers: 09/755075-12 en 09/766046-14

datum beslissing: 23 december 2014

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van:

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

BPR-adres: [adres], [postcode] [woonplaats],

verzoeker,

raadsman: mr. D.H. van den Elzen, advocaat te Rotterdam,

strekkende tot wraking van:

mrs. M. Koole, M. Rootring en A.M. Boogers,

strafrechters in de rechtbank Den Haag,

hierna gezamenlijk te noemen: de rechters.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1

De hoofdzaak betreft een strafzaak waarin verzoeker verdachte is ter zake van - kort weergegeven - corruptie en witwassen (hierna ook: de strafzaak). De strafzaak wordt door de rechtbank gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de strafzaken tegen een viertal medeverdachten, onder wie [medeverdachte]. In de strafzaak zijn door de rechtbank zes zittingsdagen voorzien, te weten 10, 12, 15, 16, 17 en 31 december 2014.

1.2.

Ter zitting van 10 december 2014 heeft de raadsman de rechters gewraakt, waarop de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting heeft aangehouden. Bij beslissing van 16 december 2014 heeft de wrakingskamer van deze rechtbank het wrakingsverzoek afgewezen en bepaald dat de strafzaak zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek.

1.3.

Bij e-mailbericht van 16 december 2014 heeft mr. Koole aan de raadsman onder meer bericht dat de behandeling van de strafzaak op 17 december 2014 zal worden voortgezet en dat op die dag naar verwachting te 14.00 uur zal worden aangevangen met de zaken tegen verzoeker en [medeverdachte].

1.4.

Bij e-mailbericht van 16 december 2014 heeft de raadsman aan mr. Koole onder meer bericht dat de behandeling van de strafzaak op 17 december 2014 zijns inziens niet kan worden voortgezet, omdat de zaak tegen [medeverdachte] eerder voor onbepaalde tijd was aangehouden en zij, gelet op de wettelijke oproepingstermijnen, eerst tegen een latere datum kan worden opgeroepen. Verder heeft de raadsman te kennen gegeven dat verzoeker niet is voorbereid op een behandeling van de strafzaak op 17 december 2014, omdat de verdediging daarvoor nog geen tijd heeft gehad. Ten slotte heeft de raadsman bij voormeld e-mailbericht meegedeeld dat hij, indien door de rechtbank gewenst, op 17 december 2014 ter zitting zal verschijnen om een aanhoudingsverzoek te doen.

1.5.

Bij e-mailbericht van 16 december 2014 heeft mr. Koole de raadsman verzocht ter zitting van 17 december 2014 te verschijnen en hem onder meer meegedeeld dat alsdan een aanhoudingsverzoek kan worden ingediend en besproken.

1.6.

Bij e-mailbericht van 17 december 2014 aan mr. Koole heeft de raadsman een schriftelijk aanhoudingsverzoek ingediend en onder meer meegedeeld dat hij verhinderd is ter zitting te verschijnen. Verder heeft de raadsman opgemerkt dat de verdediging geen rekening heeft gehouden (of moeten houden) met voortzetting van de strafzaak op 17 december 2014 nu de zaak tegen [medeverdachte] eerst nadien zal worden voortgezet en de rechtbank het eerder wenselijk heeft geacht beide zaken gelijktijdig te behandelen.

1.7.

Bij e-mailbericht van 17 december 2014 heeft mr. Koole aan de raadsman onder meer het navolgende bericht:

“Voor de goede orde bericht ik u dat de rechtbank uitdrukkelijk wenst dat u verschijnt, ook al weet de rechtbank dat u daartoe niet bent verplicht. Uw cliënt is tegen vandaag gedagvaard.

Vanmiddag om 15.00 uur gaat de rechtbank uw aanhoudingsverzoek behandelen. Na de behandeling van uw verzoek zal de rechtbank, eveneens ter zitting, beslissen op welke wijze en wanneer de zaak van [verzoeker] zal worden voortgezet.”

1.8.

Ter terechtzitting van 17 december 2014 zijn verzoeker en zijn raadsman niet verschenen. De rechtbank heeft ter terechtzitting het aanhoudingsverzoek afgewezen en dit blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal als volgt gemotiveerd:

“Na beraadslaging deelt de voorzitter als beslissing van de rechtbank mede, dat de rechtbank het verzoek tot aanhouding afwijst. Gelet op de gegeven motivering van de raadsman ziet de rechtbank geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden. Het feit dat de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] voor onbepaalde tijd is aangehouden, heeft geen invloed op de verdere behandeling van de zaak voor vandaag, temeer nu heden, zoals blijkt uit bovengenoemd e-mailbericht van de voorzitter d.d. 16 december 2014 te 17.52 uur, zal worden aangevangen met de behandeling van de verdenking wegens corruptie. In die zaaksdossiers is [medeverdachte] immers geen medeverdachte. Voorts is de rechtbank van oordeel dat ook niet het vertrouwen is gewekt dat de zaak van verdachte voor onbepaalde tijd zou worden aangehouden, noch door hetgeen ter zitting is gezegd, noch door hetgeen per mail is gecommuniceerd.”

Voorts heeft de rechtbank ter terechtzitting met instemming van de officier van justitie bepaald dat het strafdossier betrekking hebbend op de verdenking ter zake van corruptie uit de onderzoeken ‘Goudhaantje’ en ‘Toowoomba’ als voorgehouden kan worden beschouwd.

1.9.

Bij brief van 19 december 2014 aan mr. Koole heeft de raadsman de rechters gewraakt en de gronden daartoe weergegeven.

1.10.

Bij brief van 22 december 2014 aan de wrakingskamer hebben de rechters meegedeeld niet in de wraking te berusten en hun standpunt omtrent de wraking kenbaar gemaakt.

1.11.

Bij brief van 22 december 2014 aan de wrakingskamer heeft de officier van justitie mr. R.A.E. van Noort zijn standpunt omtrent de wraking kenbaar gemaakt.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 23 december 2014 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker en zijn raadsman zijn verschenen. Het wrakingsverzoek is door de raadsman nader toegelicht. Verzoeker heeft eveneens het woord gevoerd. Verder zijn verschenen mrs. Koole en Boogers. Mr. Koole heeft het woord gevoerd. Mr. Rootring is met kennisgeving niet verschenen. Ten slotte is verschenen de officier van justitie, die eveneens het woord heeft gevoerd.

3 Het standpunt van verzoeker

Aan het wrakingsverzoek is - kort weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. Blijkens de door de rechtbank voorafgaand aan de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting vastgestelde planning zou de verdenking ter zake van corruptie uit de onderzoeken Goudhaantje en Toowoomba oorspronkelijk op 15 en 16 december 2014 worden behandeld. Omdat volgens deze planning op 17 december 2014 uitsluitend zaken van medeverdachten aan de orde zouden komen, mocht de raadsman aannemen dat verzoeker en hijzelf op die dag niet aanwezig hoefden te zijn. Door eerst zeer kort tevoren, te weten op 16 december 2014, mee te delen dat de genoemde verdenking in afwijking van de eerder vastgestelde planning in de namiddag van 17 december 2014 zou worden behandeld en vervolgens ter zitting buiten aanwezigheid van de verdediging te bepalen dat de betreffende dossiers als voorgehouden kunnen worden beschouwd, is de verdediging de mogelijkheid van een goed voorbereide verdediging ontnomen en is aan het beginsel van hoor en wederhoor tekortgedaan. Het voor de zitting ingediende aanhoudingsverzoek had in redelijkheid niet afgewezen mogen worden nu zowel verzoeker als de raadsman verhinderd waren ter zitting te verschijnen en het feitelijk onmogelijk was de betreffende omvangrijke dossiers in het korte tijdsbestek van een namiddag te behandelen. Het voorgaande klemt volgens verzoeker temeer nu de verdediging aan het hiervoor onder 1.7. geciteerde e-mailbericht van mr. Koole het vertrouwen mocht ontlenen dat de zitting van 17 december 2014 slechts een regiekarakter zou hebben. Verzoeker meent dat de rechtbank al met al blijk heeft gegeven van vooringenomenheid, althans de schijn daarvan heeft gewekt.

4 Het standpunt van de gewraakte rechters

De rechters hebben - kort weergegeven - aangevoerd dat uit de afwijzing van het aanhoudingsverzoek en de motivering daarvan niet blijkt van (de schijn van) vooringenomenheid. De verdediging wist dat 17 december 2014 een zittingsdag zou zijn nu verzoeker tegen onder meer die datum was gedagvaard en had daarop voorbereid moeten zijn. Het eerder ingediende wrakingsverzoek en de daarop volgende aanhouding in de strafzaak tegen verzoeker en die tegen [medeverdachte] in afwachting van de beslissing van de wrakingskamer kunnen daar niet aan afdoen. Verder stond de aanhouding van de strafzaak van [medeverdachte] aan voortzetting van de strafzaak van verzoeker niet in de weg aangezien zij ter zake van de te behandelen verdenking geen medeverdachte is. Het standpunt dat het de verdediging ontbrak aan voorbereidingstijd kan evenmin standhouden nu de betreffende dossiers blijkens de oorspronkelijke planning al op 15 december 2014 aan de orde zouden komen. Ten slotte heeft de rechtbank de wrakingskamer in overweging gegeven toepassing te geven aan artikel 515, lid 4, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Ter zitting heeft mr. Koole overigens nog opgemerkt dat het onderzoek ter terechtzitting in de zaak van verzoeker thans nog niet is gesloten en dat verzoeker later alsnog kan worden gehoord.

5 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek als ongegrond moet worden afgewezen en de wrakingskamer in overweging gegeven toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 515, lid 4, Sv.

6 De beoordeling

6.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.2.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

6.3.

De wrakingskamer stelt voorop dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek ter terechtzitting van 17 december 2014 moet worden aangemerkt als processuele beslissing. Dergelijke beslissingen vormen in principe geen grond voor een wraking. Alleen indien de beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechtbank jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. De wrakingskamer is van oordeel dat dit hier niet het geval is en overweegt daartoe als volgt.

6.4.

Nadat het eerdere wrakingsverzoek bij beslissing van 16 december 2014 was afgewezen, diende de strafzaak te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek. De beslissing van de rechtbank om de strafzaak op 17 december 2014 voort te zetten is dan ook, mede bezien in het licht van het feit dat verzoeker reeds ruim voor aanvang van het onderzoek ter terechtzitting was gedagvaard tegen 17 december 2014, zijnde één van de zes door de rechtbank voorziene zittingsdagen, niet zonder meer onbegrijpelijk. De aanname van de raadsman dat ter zitting van 17 december 2014 uitsluitend zou worden beslist op het aanhoudingsverzoek en dat de zitting slechts een regiekarakter zou hebben, kan, anders dan hij stelt, aan de inhoud van het onder 1.7. geciteerde e-mailbericht niet worden ontleend. De wrakingskamer kan hieruit immers niet anders afleiden dan dat eerst ter zitting van 17 december 2014 zou worden beslist op het aanhoudingsverzoek en dat, zoals gebruikelijk, afhankelijk van de uitkomst daarvan zou worden beslist over de voortzetting van de strafzaak. Hiermee is niet vooruitgelopen op de te nemen beslissing op het aanhoudingsverzoek. De verdediging had derhalve rekening moeten houden met de mogelijkheid dat het aanhoudingsverzoek zou worden afgewezen en had kunnen voorzien dat in dat geval, eveneens zoals gebruikelijk, onmiddellijk een aanvang zou worden gemaakt met de behandeling van de voorziene dossiers. De keuze om niet ter terechtzitting te verschijnen komt dan ook voor risico van de verdediging.

6.5.

De afwijzing van het aanhoudingsverzoek en de motivering daarvan, zoals onder 1.8. weergegeven, zijn evenmin onbegrijpelijk. Zoals overwogen was 17 december 2014 als voorziene zittingsdatum bij de verdediging genoegzaam bekend, zodat een later opgekomen verhindering niet zonder meer tot aanhouding van de strafzaak moest leiden. De stelling dat aanhouding bovendien was geboden, omdat het de verdediging ontbrak aan voorbereidingstijd, treft geen doel, nu de te behandelen dossiers blijkens de oorspronkelijke planning al op 15 december 2014 aan de orde zouden komen. Ook de aanhouding van de strafzaak tegen [medeverdachte] stond niet zonder meer aan voortzetting van de strafzaak van verzoeker in de weg, aangezien de zaken niet gevoegd worden behandeld en [medeverdachte] ter zake van de op 17 december 2014 te behandelen verdenking geen medeverdachte is.

6.6.

De wrakingskamer overweegt bovendien dat de omstandigheid dat de rechtbank heeft bepaald dat de betreffende dossiers als voorgehouden kunnen worden beschouwd niet meebrengt, dat aan verzoeker ter zake daarvan ter zitting geen vragen meer kunnen worden gesteld, nu uit het bepaalde in artikel 286, lid 4, en artikel 311, lid 5, Sv volgt, dat hem tot de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting (ook door de raadsman) vragen kunnen worden gesteld. Aan het beginsel van hoor en wederhoor is dan ook reeds daarom niet tekortgedaan.

6.7.

Gelet op het voorgaande zal het wrakingsverzoek worden afgewezen.

6.8.

Ten slotte stelt de wrakingskamer vast dat verzoeker tweemaal een ongegrond wrakingsverzoek heeft ingediend naar aanleiding van een zuiver processuele beslissing. De wrakingskamer heeft de overtuiging bekomen dat verzoeker het wrakingsinstrument heeft aangewend ter verkrijging van uitstel in de strafzaak en aldus daarvan misbruik heeft gemaakt. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking niet in behandeling zal worden genomen.

7 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het proces in de strafzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker, betrekking hebbend op de strafzaak, niet in behandeling zal worden genomen;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, lid 3, Sv wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a zijn raadsman;

• de rechters;

• de officier van justitie.

Aldus beslist in raadkamer door mr. E. Rabbie, voorzitter, en mrs. D. Aarts en

S.J. Hoekstra-van Vliet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.P.C. van Essen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2014.