Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16818

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
C-09-369921 - HA ZA 10-2306
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadestaatprocedure. Tussenvonnis. In eerder stadium van de procedure zijn partijen bindend advies overeengekomen. In geschil is of het bindend advies voldoet aan de daaraan te stellen maatstaven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/369921 / HA ZA 10-2306

Vonnis van 17 december 2014

in de zaak van

1 [A],

2. [B],

3. [C],

4. [D],

5. [E],

6. [F],

allen wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

verweerders in de voorwaardelijke incidenten,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DE RAAD BOUWONTWIKKELING B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE RAAD BOUW B.V.,

beide gevestigd te Noordwijk en kantoorhoudende te Katwijk,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

eiseressen in de voorwaardelijke incidenten,

advocaat mr. P.A. Arisz-Versteeg te Rotterdam en mr. J. Weermeijer te Hoofddorp.

Partijen worden hierna [A] c.s. (mannelijk enkelvoud) en De Raad c.s. (vrouwelijk enkelvoud) genoemd. Eisers in conventie, tevens verweerders in reconventie en verweerders in de voorwaardelijke incidenten, zullen ieder afzonderlijk bij hun achternaam genoemd worden. Gedaagden in conventie, tevens eiseressen in reconventie en eiseressen in de voorwaardelijke incidenten, worden ieder afzonderlijk De Raad Bouwontwikkeling respectievelijk De Raad Bouw genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 18 juni 2010 met producties;

  • -

    het productieoverzicht bij inleidende dagvaarding met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 8 september 2010, waarbij de rechtbank een comparitie van partijen heeft bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 26 januari 2011 en de daarin vermelde stukken;

  • -

    de beschikking van 23 februari 2011, waarbij de rechtbank een plaatsopneming heeft bevolen;

  • -

    het tussenvonnis van 27 april 2011, waarbij is bepaald dat de plaatsopneming voorshands geen doorgang zal vinden en waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 27 mei 2011, waarin melding is gemaakt van een mondeling tussenvonnis waarbij een plaatsopneming is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van plaatsopneming van 1 juli 2011, waarin onder meer is vermeld dat de plaatsopneming zal worden voortgezet;

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting plaatsopneming van 30 september 2011 en de daarin genoemde stukken, blijkens welk proces-verbaal de rechtbank heeft bepaald dat de ter gelegenheid van de plaatsopneming geopende comparitie van partijen zal worden voortgezet;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie buiten aanwezigheid van partijen van 21 december 2011 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de akte van 13 november 2013 houdende wijziging van eis tevens akte overlegging producties van de zijde van [A] c.s., met producties;

  • -

    de antwoordakte van 11 december 2013 tevens houdende akte uitlating wijziging eis van de zijde van De Raad c.s.;

  • -

    de akte van 8 januari 2014 houdende aanvulling eiswijziging van de zijde van [A] c.s., met producties;

  • -

    de beschikking van 3 februari 2014, waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van partijen van 31 maart 2014 en de daarin vermelde stukken;

  • -

    de beschikking van 6 augustus 2014, waarin de rechtbank een voortzetting van de comparitie van partijen heeft bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting van de comparitie van partijen van 4 november 2014 en de daarin genoemde stukken;
    - de brief van 25 november 2014 van de advocaat van [A] c.s., met een bijlage;

  • -

    de op 26 november 2014 ter griffie van deze rechtbank ontvangen brief (die naar de rechtbank aanneemt per abuis is gedateerd op 15 oktober 2014) van een van de advocaten van De Raad c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden. Bij de voorbereiding van dit vonnis heeft de rechtbank het proces-verbaal van de comparitie van 4 november 2014 gelezen met inachtneming van de opmerkingen die partijen daarover hebben gemaakt.

2 De feiten

2.1.

[A] en [B], [C] en [D], [E] en [F] zijn de respectieve eigenaars van de woningen gelegen aan het [adres 1], [adres 2] en [adres 3] te [woonplaats]. Deze woningen vormen tezamen een in drieën gesplitste monumentale villa, genaamd ‘[de villa]’, die in 1906 op een duinheuvel is gebouwd en op staal is gefundeerd. Op een perceel grond naast deze villa heeft De Raad c.s. de nieuwbouw tot stand gebracht van een hotel (het [Hotel]) met bijbehorende voorzieningen. De Raad Bouwontwikkeling is de opdrachtgever tot de bouw van het hotel en De Raad Bouw was de uitvoerend aannemer.

2.2.

Een extern bureau, Risk Consultants, heeft op 23 november 1999 een vooropname van elk van de drie woningen in de villa uitgevoerd. De drie rapporten van Risk Consultants van 26 november 1999 (met de kenmerken K2114, K2114-K2250 en K2114-K2251), met als bijlagen de foto’s waarnaar in deze rapporten wordt verwezen, zijn op 9 december1999 gedeponeerd bij een notaris. In de rapporten is ten aanzien van de drie woningen opgenomen dat de staat van onderhoud redelijk tot goed is. Voorts is ten aanzien van de drie woningen vermeld dat er geen deformatiemeting is uitgevoerd en dat het pand, voor zover zichtbaar, niet aan deformatie onderhevig is. Ten aanzien van de woning van [A] en [B] ([adres 1]) is voorts vermeld dat de fundering bij de erker gescheurd is, dat reparaties door middel van injecteren en opvijzelen hebben plaatsgevonden en dat het geheel na reparatie scheurloos is doch nog niet afgewerkt. Vervolgens is ten aanzien van de drie woningen een opsomming van de gebreken van de woning gegeven, telkens met verwijzing naar de bij het rapport gevoegde foto’s.

2.3.

Bij de aanvang van de bouwwerkzaamheden, in het begin van 2000, is op ongeveer twee meter afstand van de linkerzijgevel van de woning [adres 3] in opdracht van De Raad Bouw een uit palen bestaande betonnen damwand aangebracht.

2.4.

Tijdens het ontgraven van het zandpakket en het aanbrengen van de verankering van de damwand is de damwand in de richting van de bouwput gaan wijken, waardoor zettingen ontstonden in het zandpakket onder de villa. Als gevolg daarvan is de villa verzakt, waardoor de constructie van de villa is beschadigd. De Raad c.s. is voor deze schade aansprakelijk jegens [A] c.s.

2.5.

Eind 2001 heeft [A] c.s. bij deze rechtbank een bodemprocedure (hierna ook te noemen de hoofdprocedure) aangespannen tegen De Raad c.s. tot vergoeding van de schade aan de villa. Deze procedure heeft het zaak- en rolnummer 172081 / HA 01-3841 gekregen. Deze procedure heeft het zaak- en rolnummer 172081 / HA 01-3841 gekregen.

2.6.

In het voorjaar van 2002 heeft [A] c.s. bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een kort geding aangespannen tegen De Raad c.s. In het proces-verbaal van de behandeling van dit kort geding op 12 maart 2002 is het volgende opgenomen:

‘(…)

Partijen zijn ter zitting overeengekomen hetgeen is vermeld in aangehechte akte. Deze luidt als volgt:

“Vraagstelling aan Geotechniek Delft.

1. Is gezien de toestand van het duin en de schade aan de bovenbouw, herstel van de fundering en de bovenbouw mogelijk.

2. Is het duin(zand) nadat destabilistaie tijdens de bouw van de keerwand is opgetreden, weer volledig gestabiliseerd.

3. Indien het duin niet is gestabiliseerd, wilt u dan suggesties doen om zulks te bewerkstelligen.

4. Indien Geotechniek Delft vaststelt dat het duin(zand) is gestabiliseerd, op welke wijze dient dan herstel van de fundering plaats te vinden. Partijen zullen door middel van hun wederzijdse experts suggesties doen.

5. Hoe en op welke wijze kan herstel van de bovenbouw plaatsvinden opdat het pand zoveel mogelijk wordt gebracht in de toestand van voor de bouwwerkzaamheden aan het [Hotel].

(…)

7. Na verkregen offerte zal zo spoedig mogelijk opdracht worden verstrekt aan TNO-Bouw en Geotechniek

8. Indien herstel substantieel duurder is dan afbraak en herbouw, schadetechnisch uitsluitend de laatste situatie in aanmerking komt. Hierbij spelen aspecten van nieuw voor oud en waardevermindering een rol.

(…)

10. Redelijke kosten voor vergelijkbare woonruimte en noodmaatregelen en de daarvoor noodzakelijke verhuizingen en eventuele opslag van goederen, zullen door De Raad worden vergoed. Onder aftrek van bespaarde kosten.

(…)’

2.7.

In de genoemde hoofdprocedure heeft de rechtbank op 23 april 2003 een tussenvonnis uitgesproken. In dit tussenvonnis heeft zij, met het oog op de vaststelling van de omvang van de door De Raad c.s. aan [A] c.s. te vergoeden schade, ir. F.B.J. Gijsbers van TNO Bouw Civiele Infrastructuur te Delft en ing. H.J. Everts van Geodelft te Delft benoemd tot deskundigen teneinde een onderzoek in te stellen en een schriftelijk en met redenen omkleed antwoord te geven op zes in dat vonnis opgenomen vragen. Na deponering ter griffie van het gezamenlijke hoofdrapport (met vijf deelrapporten) door de deskundigen op 24 augustus 2006 heeft [A] c.s. zijn eis gewijzigd. [A] c.s. vorderde – na eiswijziging en voor zover hier van belang – in de hoofdprocedure:

I. primair:

De Raad c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [A] en [B] € 580.158,-, aan [C] en [D] € 557.128,66 en aan [E] en [F] € 436.196,23, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2000 tot de dag der algehele voldoening;
subsidiair (indien en voor zover sloop en herbouw van de woningen niet als schadegrondslag zullen worden toegewezen):
De Raad c.s. hoofdelijk te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis aan hen te betalen de volledige schade, vast te stellen op basis van de door de deskundigen uitgebrachte rapportage(s), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2000 tot de dag der algehele voldoening;

II. De Raad c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan hem te vergoeden de volledige schade die hij heeft geleden of nog zal lijden, als gevolg van vervangende huisvesting, opslag van inboedel, gemaakte expertisekosten en kosten van tuinaanleg e.d., nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf een door de rechtbank te bepalen datum tot de dag der algehele voldoening.

2.8.

In het deskundigenrapport van TNO Bouw en Ondergrond van 4 augustus 2006, kenmerk 2004-CI-R0055 (hierna ook te noemen: het TNO-rapport), is het volgende opgenomen:

‘(…)

1 Inleiding

(…)

De eigenaren [A] c.s. van de woningen in de villa enerzijds en de bouwer De Raad c.s. van het [Hotel] anderzijds zijn het erover eens dat door het maken van de bouwput schade is ontstaan aan de villa. De twee partijen verschillen echter van mening over de wijze van herstel van de schade en daarom is deze zaak voorgelegd aan de Rechtbank te Den Haag. De Rechtbank te Den Haag heeft vervolgens een zestal vragen voorgelegd aan TNO Bouw en Ondergrond (…).

Om de gestelde vragen op een gefundeerde wijze te kunnen beantwoorden, is een opname gemaakt van de schade aan de villa. Deze opname heeft plaatsgevonden op 30 en 31 maart 2004 (…). In vervolg hierop hebben de heren (…) op 14 december 2005 een herhalingsinspectie uitgevoerd, teneinde na te gaan of de schade in de tijd is toegenomen.

In de onderhavige rapportage wordt (…) in hoofdstuk 3 een beschrijving gegeven van scheurvlakken die over een relatief groot deel van de villa doorlopen. Daarna wordt in de hoofdstukken 4 – 6, per woning en per ruimte, een omschrijving gegeven van de overige schade die is waargenomen. In hoofdstuk 7 worden de resultaten gegeven van de herhalingsinspectie. Ten slotte wordt in hoofdstuk 8 aangegeven op welke wijze de waargenomen schade hersteld kan worden.

(…)

7 Herhalingsinspectie

(…)

Uit de herhalingsinspectie is naar voren gekomen dat de schade in de periode van maart 2004 tot december 2005 niet is toegenomen. Er is geen nieuwe scheurvorming waargenomen en ook geen toename van de wijdte van de scheuren.

8 Herstelmogelijkheden

(…)

Langs een aantal deur- en raamkozijnen in de buitengevel is een naad zichtbaar. Deze naad kan hersteld worden door in de betreffende aansluitingen een kitvoeg aan te brengen. Deze wijze van herstel is echter niet mogelijk als de ruimte wijder is dan 3 mm. In dat geval zijn de vervormingen dusdanig groot dat een duurzaam en esthetisch verantwoord herstel alleen mogelijk is als het metselwerk plaatselijk wordt verwijderd en opnieuw, in verband, wordt ingemetseld.

Langs een aantal deur- en raamkozijnen in de binnenmuren is eveneens een naad zichtbaar. Deze naden kunnen hersteld worden door de betreffende naden op te vullen met een cementgebonden materiaal, eventueel aangevuld met het verbreden dan wel verplaatsen van de randlijsten.

Voor de deur- en raamkozijnen in zowel de binnen- als de buitenmuren geldt dat de kozijnen die scheef, scheluw en/of gescheurd zijn, hersteld kunnen worden door de kozijnen uit te halen, te herstellen en op een juiste wijze terug te plaatsen. Na het uithalen van de kozijnen zal uit een visuele beoordeling van de kozijnen moeten blijken of herstel nog mogelijk is, of dat de kozijnen geheel vervangen moeten worden door nieuwe. Bij herstel of vervanging van kozijnen zullen ook de betreffende deuren aangepast of vervangen moeten worden.

(…)’

2.9.

Bij eindvonnis van 27 juni 2007 in de genoemde hoofdprocedure heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, De Raad c.s. hoofdelijk veroordeeld om aan [A] c.s. te vergoeden de schade zoals vastgesteld in de onderdelen 2.16 en 2.17 van dat vonnis, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen (met herstel van een kennelijke verschrijving in de naam van [A] c.s.):

‘(…)

2.1.

De rechtbank blijft bij hetgeen zij heeft overwogen en beslist in het tussenvonnis van 23 april 2003. Daarin zijn, met het oog op de vaststelling van de omvang van de door De Raad cs aan [A] cs te vergoeden schade, ir. F.B.J. Gijsbers van TNO Bouw Civiele Infrastructuur te Delft en ing. H.J. Everts van Geodelft te Delft benoemd tot deskundigen teneinde een onderzoek in te stellen en een schriftelijk en met redenen omkleed antwoord te geven op een zestal vragen.

(…)

2.4. (…)

Op basis van het deskundigenrapport moet worden geconcludeerd dat zowel de fundering als de bovenbouw van de villa kunnen worden hersteld. (…) Bezien in het licht van het voorgaande hebben [A] cs hun stelling dat de villa moet worden gesloopt en (volledig) herbouwd onvoldoende onderbouwd, zodat daaraan zal worden voorbij gegaan.

(…)

2.14.

Al het bovenstaande betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat herstel van zowel de fundering als de bovenbouw mogelijk is. In aanmerking nemend de nog steeds voortdurende instabiliteit van het duin, leest de rechtbank voor wat betreft de herstelmogelijkheden drie opties in het deskundigenbericht, te weten:

a. het uitvoeren van een (nader) “meetplan”, gedurende 5 tot 10 jaar; gedurende de loop daarvan wordt niet tot herstel overgegaan (…);

b. het uitvoeren van voormeld “meetplan”; zonder de resultaten daarvan af te wachten worden stabilisatiewerkzaamheden aan het duin verricht, waarna direct de restauratiewerkzaamheden worden uitgevoerd (…);

c. door middel van sonderingen het niveau vaststellen waaronder het duin voldoende stabiel is; vervolgens onder de villa een paalfundering realiseren, waarin – in de lengterichting van de villa – een trekvast frame wordt aangebracht; daarna worden de herstelwerkzaamheden aan de bovenbouw uitgevoerd; stabilisatiewerkzaamheden aan het duin behoeven daarbij niet te worden verricht (…).

2.15.

Met [A] cs is de rechtbank van oordeel dat – gelet op het (zeer) lange tijdsverloop sedert het ontstaan van de eerste schade (3 maart 2000) – [A] cs thans redelijkerwijs mogen verlangen dat alle mogelijke risico’s ten aanzien van verdere schade in de toekomst worden vermeden en dat zij nu aanspraak kunnen maken op een deugdelijke en definitieve herstelmethode. Hieraan komt in feite alleen de hiervoor onder c. genoemde optie tegemoet. Optie a. betekent dat er nog eens vele jaren niets zal gebeuren, met alle risico’s op verderoplopende schade (als gevolg van de instabiliteit van het duin) vandien. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat na afronding van het “meetplan” wordt vastgesteld dat het duin nog steeds niet stabiel is. Met betrekking tot optie b. geldt – zoals de deskundigen bij de antwoording van vraag 6 aangeven – dat het risico bestaat dat na de restauratie van de villa zal blijken dat het duin nog enige vervorming ondergaat, waarna nader onderzoek naar (i) de oorzaak daarvan en de noodzaak tot het treffen van aanvullende maatregelen, alsmede (ii) verdere herstelwerkzaamheden zullen moeten plaatsvinden. Dat risico moet thans worden uitgesloten.

2.16.

Zoals reeds in het tussenvonnis van 23 april 2003 overwogen (r.o. 3.1.) is tussen partijen slechts in geschil de omvang van de door De Raad cs aan [A] cs te vergoeden schade. Dat [A] cs schade hebben geleden en de aansprakelijkheid daarvoor van De Raad cs staan vast.

De omvang van die schade dient allereerst te worden bepaald aan de hand van de beantwoording door de deskundigen van de vragen 4, 5 en 6, in die zin dat De Raad cs aansprakelijk zijn voor de kosten verbonden aan (i) de sonderingen die nodig zijn voor de bepaling van het niveau waaronder het duin voldoende stabiel is, (ii) de realisatie van een paalfundering, waarin – in de lengterichting van de villa – een trekvast frame is aangebracht, (iii) de herstelwerkzaamheden aan de bovenbouw van de villa, zoals omschreven in het door TNO uitgebrachte deelrapport met nummer 2004-CI-R0055 en (iv) de herstelkosten verbonden aan vier verzakkingen zoals in februari 2006 hebben plaatsgevonden. Met het oog op de begroting van de omvang van voormelde kosten (i t/m iv) dienen – overeenkomstig de tussen partijen op 12 maart 2002 in het kader van het kort geding gemaakte afspraken (sub 7.) – bij een drietal aannemers een offerte te worden gevraagd. Nu partijen daaromtrent geen afspraken hebben gemaakt en teneinde verdere discussies te voorkomen, wordt hierbij beslist dat de keuze van die aannemers geheel bij [A] cs. ligt, alsmede dat [A] cs uiteindelijk bepalen op basis van welke offerte de herstelwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd, mits daarbij de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in acht worden genomen. Nu de reeds aanwezige verschilzakkingen in de villa niet teniet worden gedaan, betreft een volgende schadepost (v) de blijvende waardevermindering van de villa, zoals door de deskundigen aangegeven bij de beantwoording van vraag 6. De grootte daarvan kan naar het oordeel van de rechtbank het best worden vastgesteld door een ter plaatse bekende – en door [A] cs aan te wijzen – onafhankelijke makelaar.

Ten slotte is in dit verband van belang dat [A] cs voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij mogelijkerwijs schade hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van expertisekosten (vi), vervangende huisvesting (vii), opslag van inboedel (viii) en tuinaanleg (ix). De Raad cs dienen ook deze – hen toerekenbare – schade te vergoeden. De Raad cs lijken voormelde posten overigens grotendeels te erkennen, gelet op hetgeen partijen dienaangaande (onder 10.) afspraken op 12 maart 2002 in het kader van het kort geding. In dit verband zij nog opgemerkt op dat op bedoelde schadeposten in mindering dienen te strekken de eventuele besparingen aan de zijde van [A] cs.

2.17. (…)

Verder komt het de rechtbank thans redelijk voor om te zijner tijd te bepalen dat het uiteindelijk vast te stellen schadebedrag dient te worden voldaan uiterlijk vier weken vóór de aanvang van de te verrichten herstelwerkzaamheden. Gelet hierop is er geen reden om de wettelijke rente in te laten gaan op een vóór dat tijdstip gelegen moment.

(…)’

2.10.

Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis van 27 juni 2007 van de rechtbank in de hoofdprocedure. Bij arrest van 10 maart 2009 heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage (hierna: het hof), voor zover hier van belang, het principale hoger beroep van De Raad c.s. tegen het rechtbankvonnis verworpen en in het door [A] c.s. ingestelde incidentele hoger beroep dat vonnis vernietigd en – opnieuw rechtdoende – De Raad c.s. hoofdelijk veroordeeld om aan [A] c.s. te vergoeden de schade zoals vastgesteld in de onderdelen 2.16 en 2.17 van het vonnis van de rechtbank, met uitzondering van de laatste twee zinnen van onderdeel 2.17, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2000 voor zover de schade bestaat in waardevermindering van de villa en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag dat de schade is geleden ten aanzien van de overige schadeposten.

Hiertoe heeft het hof het volgende overwogen:

‘(…)

3.24 (…)

Het hof is het met de rechtbank eens dat er voor wat betreft de herstelmogelijkheden in het deskundigenrapport slechts drie reële opties te lezen zijn.

(…)

3.26

Voorzover het door De Raad c.s. ter toelichting op de grief gestelde ervan uitgaat dat het duin stabiel is, gaat het hof aan deze stellingen voorbij, aangezien dit uitgangspunt onjuist is.

(…)

3.28 (…)

Toen de rechtbank uitspraak deed, leefde [A] c.s. reeds meer dan zeven jaar in ellendige woonomstandigheden, zonder dat De Raad c.s. ook maar een begin had gemaakt met herstel van de door hem veroorzaakte schade. Het is dan ook begrijpelijk dat de rechtbank in haar vonnis aanwijzingen gaf hoe het verder zou moeten, zeker nu een verzoek daartoe uit de conclusie na deskundigenbericht van [A] c.s. valt af te leiden. Ook acht het hof het begrijpelijk dat de rechtbank De Raad c.s. instrumenten die tot verdere vertraging van herstel van de schade zouden kunnen leiden, uit handen heeft willen slaan en daarom heeft beslist dat de keuze van de aannemers geheel bij [A] c.s. ligt en dat [A] c.s. uiteindelijk bepaalt op basis van welke offerte de herstelmogelijkheden zullen worden uitgevoerd, mits daarbij de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in acht worden genomen. Ook acht het hof het begrijpelijk dat de rechtbank daarom heeft bepaald dat [A] c.s. de makelaar aanwijst die de blijvende waardevermindering van de villa vast stelt.

3.29

Op het moment dat het hof arrest wijst, leeft [A] c.s. bijna negen jaar in ellendige woonomstandigheden en heeft De Raad c.s. nog steeds geen begin gemaakt met het herstel van de door hem aangerichte schade. Naar het oordeel van het hof heeft De Raad c.s. daarmee het recht verwerkt om sommige vormen van inspraak uit te oefenen die tot verdere vertraging zouden kunnen leiden. De Raad c.s. heeft onbetwist gesteld, dat partijen inmiddels overeenstemming hebben bereikt over de drie aannemers aan wie een offerte zal worden gevraagd. Om verdere vertraging te voorkomen lijkt het het hof juist dat [A] c.s. uiteindelijk bepaalt op basis van welke offerte de herstelwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd mits daarbij de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in acht worden genomen. Om dezelfde reden acht het hof het ook juist dat [A] c.s. de makelaar aanwijst die de blijvende waardevermindering van de villa vaststelt.

(…)

3.33

De grief in het incidenteel hoger beroep is gericht tegen de afwijzing in het eindvonnis van de rechtbank van de gevorderde wettelijke rente over het vast te stellen schadebedrag vanaf 3 maart 2000. De grief is in die zin gegrond dat voorzover de schade bestaat in waardevermindering van de villa, wettelijke rente verschuldigd is vanaf 3 maart 2000, ten aanzien van de overige schadeposten wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag dat de schade is geleden en dat de vordering terzake wettelijke rente voor het overige moet worden afgewezen.

(…)’

2.11.

Op 18 mei 2009 heeft De Raad c.s. aan [A] c.s. een voorschot op de schadevergoeding van € 50.000,- betaald.

2.12.

Partijen hebben overeenstemming bereikt over de drie aannemers die een offerte zouden uitbrengen voor de herstelwerkzaamheden aan de villa. [A] c.s. heeft na ontvangst van de drie offertes vervolgens bepaald dat de herstelwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd door een van de drie aanbieders, [H] Bouwbedrijf B.V. (hierna: [H]). In de offerte van [H] van 25 maart 2010 is het volgende opgenomen:

‘(…)

De offerte is gebaseerd op de volgende stukken:

 Tekening [I] bouwconstructies nr 2090231 -01- dd 25-09-2009 getiteld Fundaties

 Tekening [I] bouwconstructies nr 2090231 -02- dd 25-09-2009 getiteld Betonvorm funderingsherstel

 Tekening [I] bouwconstructies nr 2090231 -03- dd 25-09-2009 getiteld Stutconstructie funderingsherstel bestaande kelders

 CD-rom met informatie

 Document: Overzicht van activiteiten – met calculatiegegevens en hoeveelheden.

 Diverse bezoeken ter plaatse met onderaannemers en gesprekken met dhr Vos.

De offerte is opgezet volgens ons eigen offreringssysteem en verdeeld in een deel Algemeen en per woning een deel. Tevens is onze begroting aangevuld met kosten die wij voorzien om de doelstelling te behalen. Daarnaast zijn er in een aantal gevallen op verzoek van onderaannemers alternatieven aangeboden, omdat men voorziet dat de bedachte oplossing niet uitvoerbaar is.

Onze aanbieding ziet er als volgt uit:

Onderdeel Calculatie Stelposten Totaal

Algemeen € 550.624,28 € - € 550.624,28

[adres 1] € 419.282,48 € 30.400,90 € 449.683,38

[adres 2] € 316.891,60 € 27.886,82 € 344.778,42

[adres 3] € 374.294,44 € 21.114,00 € 395.408,44

Totaal excl. BTW € 1.740.494,52

BTW á 19% € 330.693,96

Eindtotaal incl. BTW € 2.071.188,47

Een stelpostenoverzicht is als bijlage bijgevoegd.

De volgende opmerkingen zijn van toepassing:

1. Wij zijn ervan uitgegaan dat alle herstelwerkzaamheden uitgevoerd worden, zodanig dat de woningen bewoonbaar zijn in dezelfde staat als voor de verzakking intrad. Wij hebben dus het bouwbesluit niet aangehouden in de calculatiekosten. Het bouwbesluit stelt regels omtrent isolatie, deze zijn buiten beschouwing gelaten.

2. Voor alle installaties (binnenriolering, water-, gas-, verwarmings- en elektrotechnische installatie) wordt als uitgangspunt genomen, dat de huidige installaties (zoals aangetroffen) voldoen aan de eisen, en NEN-normen. De genoemde kosten zijn alleen van toepassing op de huidige installatie. Vervanging, uitbreiding of aanpassing aan hedendaagse eisen van de installaties is niet in deze begroting opgenomen. Indien installaties niet voldoen aan de gestelde eisen worden de extra kosten daarvan beschouwd als meerwerk en op basis van nacalculatie verrekend.

3. De huidige (zoals aangetroffen) radiatoren inclusief armaturen, CV-ketels / boilers worden schoongemaakt en herplaatst.

4. Voor deze begroting zijn we ervan uitgegaan dat de woningen gedurende de periode van renovatie onbewoond zijn en leeg van huisraad en goederen.

(…)’

De twee andere offertes sluiten op € 1.802.670,39 inclusief BTW en op € 1.986.110,- inclusief BTW.

2.13.

Op 18 juni 2010 is [A] c.s. de onderhavige procedure begonnen als schadestaatprocedure na de hoofdprocedure bij de rechtbank en het hof.

2.14.

Bij vonnis in kort geding van 26 juli 2010 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank op vordering van [A] c.s. De Raad c.s. hoofdelijk veroordeeld om binnen zeven dagen na betekening van dat vonnis aan [A] c.s. een voorschot op de schadevergoeding te betalen. Dit voorschot is bepaald op de som van € 2.000.000,-. De Raad c.s. heeft dit bedrag op 2 augustus 2010 aan [A] c.s. betaald.

2.15.

Bij beschikking van 23 februari 2011 in de onderhavige procedure heeft de rechtbank – nadat partijen overeenstemming hadden bereikt over de verdere gang van zaken en over de persoon van de deskundige – een plaatsopneming bevolen in en om de woningen van [A] c.s. in aanwezigheid van partijen, hun advocaten, de door partijen aangewezen deskundige ir. [bindend adviseur] (hierna: [bindend adviseur]) en een of meer medewerkers van [H].

2.16.

Tijdens deze procedure hebben partijen overeenstemming bereikt over de wijze waarop zij een deel van het geschil tot een oplossing kunnen brengen. De overeenstemming is vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst die [A] c.s. op 31 oktober 2011 heeft ondertekend en De Raad c.s. op 17 november 2011. Bij deze overeenkomst hebben zij [bindend adviseur] aangewezen als bindend adviseur. In de overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

‘(…)

IN AANMERKING NEMENDE DAT:

a. [A] c.s. de respectievelijke eigenaars zijn van de woningen gelegen aan het [adres 1], [adres 2] en [adres 3] te [woonplaats]. De woningen bevinden zich in een (in drieën gesplitste) monumentale villa, genaamd “[de villa]”;

b. De Raad c.s. een hotel ([Hotel]) met bijbehorende voorzieningen heeft gerealiseerd, op een perceel grond gelegen tussen [straat 1] en [straat 2] te [woonplaats], welk perceel is gelegen direct naast de villa “[de villa]” van [A] c.s.;

c. als gevolg van de bouwwerkzaamheden van De Raad c.s. ten behoeve van het hotel schade is ontstaan aan de voornoemde woningen van [A] c.s.;

d. naar aanleiding van deze schade [A] c.s. een procedure zijn gestart tegen De Raad c.s. Deze (hoofd)procedure heeft geleid tot het arrest van het Hof ’s-Gravenhage van 10 maart 2009, zaak-/rolnummer: 172081/HA ZA 01-3814;

e. in aansluiting op bovengenoemd arrest [A] c.s. bij de Rechtbank ’s-Gravenhage een schadestaatprocedure zijn gestart tegen De Raad c.s., zaak-rolnummer 369921 / HA ZA 10-2306;

f. partijen een minnelijke regeling hebben getroffen, welke minnelijke regeling is vastgelegd in de fax van de advocaat van [A] c.s. van 11 oktober 2011 aan de Rechtbank ’s-Gravenhage en de heer [bindend adviseur]. De minnelijke regeling zoals deze is verwoord in deze fax van 11 oktober 2011, heeft de advocaat van De Raad c.s. bevestigd bij de fax van 12 oktober 2011 aan de Rechtbank ’s-Gravenhage;

g. teneinde de opname van deze minnelijke regeling door de Rechtbank ’s-Gravenhage in een proces-verbaal op zo kort mogelijke termijn te bewerkstelligen, een door alle partijen ondertekende (vaststellings)overeenkomst, waarin deze minnelijke regeling is bevestigd, is vereist. Daartoe bevestigen partijen hierbij dat de door hen getroffen minnelijke regeling luidt alsvolgt.

ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:

1. [A] c.s. dan wel zijn rechtsopvolger onder algemene of bijzondere titel zal overgaan tot herstel van de villa conform hetgeen hierna is overeengekomen.

2. Het rapport van TNO van 4 augustus 2006 (kenmerk: 2004-CI-R0055) inclusief de aan TNO verstrekte vooropnames is leidend bij dit herstel.

3. Ten behoeve van het herstel van de fundering van de villa zal nog het volgende worden gedaan dan wel onderzocht:
- er zullen vier nieuwe sonderingen tot tien meter min NAP worden gemaakt waarvan de plaats wordt bepaald door de heer [bindend adviseur] na overleg met [I] en ir. [J], werkzaam bij [O];
- er zullen controleberekeningen door [I] gemaakt worden van de secan palenwand waarbij rekening wordt gehouden met de werkelijk aanwezige bovenbelasting uit de villa, één keer inclusief de aanwezigheid van de twee bovenste rijen trekankers en één maal ter controle indien de bovenste twee rijen trekankers niet meer functioneren. Deze controleberekeningen worden getoetst door de heren [J] en [bindend adviseur];
- [I] zal in samenspraak met [H] een alternatieve uitvoeringsmethode onderzoeken waarbij de nieuwe palen binnen de kelder gemaakt worden. De uitkomsten hiervan staan ter beoordeling van de heren [J] en [bindend adviseur];
- de locatie en de functionaliteit van de schoorbokken zullen nader worden vastgesteld, indien en voor zover dit niet reeds door TNO definitief is gedaan. Een en ander zal gebeuren door de heren [J] en [bindend adviseur] na overleg met [I];
- er zal een proefpaal in de grond worden gebracht waarvan de specificaties worden aangeleverd door [I], met inachtneming van het rapport van Geodelft van 2 februari 2005 (kenmerk: CO405550/20), een en ander na overleg met de heren [J] en [bindend adviseur]. Wanneer de proefpaal niet in de grond kan worden gebracht, komen de tot dan toe gemaakte kosten voor rekening en risico van De Raad c.s. In dat geval zal de heer [bindend adviseur] na overleg met [I] en de heer [J] een advies geven over een alternatief.

4. Ten behoeve van de onder 3. genoemde punten zal de heer [bindend adviseur] samen met zijn assistent en de heer [J] en desgewenst [I] een bezoek brengen aan de villa, buiten aanwezigheid van partijen. Er wordt naar gestreefd dit te laten plaatsvinden op 19 en 20 oktober 2011.

5. Over de offerte van [H] zal de heer [bindend adviseur] zich verstaan met [H]. Ten behoeve hiervan zal de heer [bindend adviseur] samen met zijn assistent, de heer [K], de heer [C] en de heer [L] een bezoek brengen aan de villa. Er wordt naar gestreefd dit te laten plaatsvinden op 19 en 20 oktober 2011.

6. [I] streeft ernaar binnen vier tot zes weken na het onder 4. en 5. genoemde bezoek te rapporteren aan de heer [bindend adviseur]. De heer [bindend adviseur] streeft ernaar binnen één week hierna zijn bevindingen in concept op schrift te stellen. Dit concept zal de heer [bindend adviseur] voorleggen aan partijen, waarna deze hierover binnen een week na ontvangst van dat concept kunnen reageren. De heer [bindend adviseur] zal vervolgens zijn bevindingen binnen twee weken definitief vastleggen.

7. Op basis van alle bevindingen zal [H] de begroting van de herstelkosten waar nodig aanpassen. Indien tot aanpassing van de begroting wordt overgegaan, zal de aangepaste begroting vervolgens worden voorgelegd aan de heer [bindend adviseur]. De bevindingen over de aangepaste begroting van de heer [bindend adviseur] zullen in concept aan partijen worden voorgelegd, waarna deze hierop waar nodig binnen één week na ontvangst kunnen reageren. [bindend adviseur] zal vervolgens zijn bevindingen binnen twee weken definitief vastleggen.

8. Over een eventuele aftrek nieuw voor oud zal de heer [bindend adviseur] eveneens adviseren. De bevindingen hierover zullen in concept aan partijen worden voorgelegd, waarna deze hierop waar nodig binnen één week na ontvangst kunnen reageren. [bindend adviseur] zal vervolgens zijn bevindingen binnen twee weken definitief vaststellen.

9. Alle bevindingen van de heer [bindend adviseur] zijn bindend voor partijen.

10. De heer [J] is reeds benaderd door de heer [bindend adviseur] en verdere contacten met de heer [J] zullen door de heer [bindend adviseur] worden gelegd. Ook [I] zal door de heer [bindend adviseur] worden benaderd.

11. Mocht tijdens de uitvoering van het funderingsherstel blijken dat dit in het geheel niet volgens plan kan worden uitgevoerd, dan komt deze omstandigheid voor rekening en risico van [A] c.s.

12. Mocht tijdens de uitvoering van het funderingsherstel blijken dat het op onderdelen niet volgens plan kan worden uitgevoerd, dan zijn de extra kosten die daaruit voortvloeien voor rekening van [H].

13. Indien de (eventueel aangepaste, door de heer [bindend adviseur] goedgekeurde) begroting het door De Raad c.s. reeds betaalde voorschot van € 2.050.000,- inclusief rente te boven gaat, zal dit verschil inclusief BTW door De Raad c.s. binnen 14 dagen aan [A] c.s. worden betaald.

14. De facturen die [A] c.s. van [H] zal ontvangen, zal hij binnen één week na ontvangst van die facturen in afschrift toezenden aan De Raad c.s.

15. De kosten van de deskundigen de heer [bindend adviseur] en zijn assistent, de heer [J], en [I], voor zover deze niet reeds in de vordering zijn opgenomen of in de offerte van [H] worden begroot, komen voor rekening van De Raad c.s. De heer [bindend adviseur] en de heer [J] zullen hun kosten rechtstreeks aan De Raad c.s. factureren. [A] c.s. zullen kopieën van de facturen van [I] aan De Raad c.s. verstrekken, die daarna de door [I] bij [A] c.s. in rekening gebrachte kosten direct aan [A] c.s. zullen vergoeden.

16. Partijen verklaren dat, nadat voornoemde punten zijn uitgevoerd, zij over en weer niets meer van elkaar te vorderen zullen hebben ter zake van de in het geding zijnde kwesties met uitzondering van de onder 17. genoemde punten en zijn verlenen elkaar reeds nu voor alsdan ter zake over en weer finale kwijting.

17. Na ontvangst van de (eventueel aangepaste) begroting als bedoeld onder 13. zullen partijen binnen vier weken in overleg treden over de punten die hen nog verdeeld houden, zijnde de verhuis- en opslagkosten, de kosten van tuinaanleg, de expertisekosten zoals gevorderd, de kosten van vervangende huisvesting en de (ingangsdatum van de) wettelijke rente.

18. Partijen dragen ieder de eigen proceskosten.

(…)’

2.17.

Hierna heeft [bindend adviseur] werkzaamheden als bindend adviseur verricht. Op of omstreeks 12 juli 2012 heeft hij een eerste concept van het bindend advies aan partijen gezonden.

2.18.

Met een brief van 24 augustus 2012 heeft mr. Otten namens [A] c.s. aan de bindend adviseur het volgende bericht:

‘(…)

Cliënten hebben uw concept-rapportage van 12 juli jl. inmiddels kunnen bekijken. (…)

Allereerst vragen cliënten uw aandacht voor de in de vaststellingsovereenkomst vastgelegde, door u in het kader van de uitvoering van uw opdracht te volgen procedure. (…)

Cliënten zijn op basis van uw concept-rapport tot de conclusie gekomen dat u deze procedure niet heeft gevolgd.

(…)

Dit dient u in het kader van de aan u door partijen gegeven opdracht alsnog te doen.

(…)

Zo hebben cliënten geconstateerd dat u zich over de offerte van [H] niet heeft verstaan met [H].

Cliënten achten het in het licht van het bovenstaande dan ook niet opportuun om op dit moment inhoudelijk te reageren op uw concept-rapport. (…)

Wel wijs ik op dit moment u nog op het bepaalde onder 2. van de vaststellingsovereenkomst. Ook hier is vastgelegd dat het rapport van TNO van 4 augustus 2006, inclusief de aan TNO verstrekte voorafnames, leidend is bij het herstel en derhalve ook bij uw bindende advisering.

(…)

Juist op basis van het TNO-rapport heeft [H] haar offerte opgesteld.

(…)

Tenslotte wijzen cliënten erop dat er rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat cliënten in de onmogelijkheid verkeerden om onderhoud aan de villa te verrichten, teneinde niet in een ongunstige(r) bewijsrechtelijke positie te komen verkeren. Deze omstandigheid kan uiteraard in de gegeven omstandigheden niet voor rekening en risico van cliënten komen.

(…)

Uit de – evenzeer leidende – opnamerapporten blijkt overigens dat in 2005 nog geen sprake was van achterstallig onderhoud.

(…)

Kort gezegd is de strekking van de aan u verleende opdracht – naast het beoordelen van de (on-) mogelijkheid van het paalfunderingsplan – te beoordelen of [H] daadwerkelijk volledig en juist haar offerte heeft gebaseerd op het rapport van TNO, inclusief de opnamerapporten.

De tuinaanleg valt ook buiten uw opdracht.

Verder wijs ik erop dat het van belang is dat u uw calculaties en prijzen objectief verifieerbaar onderbouwt en specificeert, in het bijzonder door aan te geven welke werkzaamheden (op welke wijze) uitgevoerd dienen te worden. Zonder deze specificatie c.q. onderbouwing is het immers voor partijen niet mogelijk om uw rapport goed en volledig te beoordelen en eventueel van commentaar te voorzien.

Cliënten betreuren het dat door u niet de overeengekomen procedure is gevolgd en verzoeken u met klem om een planning aan partijen te presenteren die voorziet in de overeengekomen, door u alsnog te nemen procedurele stappen op zo kort mogelijke termijn.

Cliënten stellen voor dat zij (en uiteraard De Raad) in de gelegenheid worden gesteld om op het door u vervolgens nieuw op te stellen concept-rapport te reageren. (…)’

2.19.

Op of omstreeks 1 mei 2013 heeft de bindend adviseur een tweede concept van het bindend advies aan partijen verzonden.

2.20.

Met een brief van 21 mei 2013 heeft mr. Otten namens [A] c.s. aan de bindend adviseur het volgende bericht:

‘(…)

Daarom bericht ik u slechts bij wijze van eerste reactie als volgt.

In het door u toegestuurde conceptrapport heeft u de aftrek “nieuw voor oud” reeds verwerkt in de beoordeling van de begroting van [H]. (…) U dient uw bevindingen over een eventuele aftrek “nieuw voor oud” aldus gescheiden van c.q. ná uw algemene bevindingen over de begroting aan partijen toe te sturen. U bent hiermee opnieuw van de (door u aanvaarde) opdracht afgeweken.

Daarnaast is bij eerste lezing opgevallen dat u (opnieuw) niet volledig het TNO-rapport tot uitgangspunt heeft genomen. Als voorbeeld noem ik uw inspectie van de buitenkozijnen om te oordelen of kan worden hersteld, dan wel vervanging noodzakelijk is. TNO heeft in haar rapport reeds vastgesteld dat de kozijnen die scheef, scheluw of gescheurd zijn, compleet dienen te worden uitgehaald, waarna beoordeeld dient te worden of vervanging noodzakelijk is. Een beoordeling uwerzijds is ter zake overbodig en in strijd met het TNO-rapport.

Nog los van het voorgaande, heeft u uw conceptrapport niet c.q. slechts zeer summier gemotiveerd. Dit maakt uw conceptrapport in de huidige constellatie (objectief verifieerbaar) vernietigbaar, ook op grond van de wet.

(…)’

2.21.

Met een e-mail van 12 juni 2013 heeft ir. F.B.J. Gijsbers van TNO aan [C] het volgende bericht:

‘(…)

In antwoord op uw email van 06-06-2013 bericht ik u als volgt.

De van u ontvangen informatie betreft een voorstel voor het herstel van ramen, deuren en kozijnen. In het TNO-rapport zijn hierover in paragraaf 8.1 algemene richtlijnen gegeven. Omdat het TNO-rapport geen informatie per onderdeel bevat kan ik niet nagaan of het voorstel per onderdeel juist is. Het voorstel ziet er echter op zichzelf goed uit en geeft mij geen aanleiding tot het maken van opmerkingen. Ik adviseer u wel om zelf per onderdeel te controleren of het voorgestelde redelijk is, maar misschien hebt u dat al wel gedaan. Verder wijs ik u erop dat na demontage van kozijnen zou kunnen blijven dat beoogd herstel niet mogelijk is, maar dat vervanging nodig is (zie ook paragraaf 8.1 van het TNO-rapport).

(…)’

Dit e-mailbericht is als bijlage gevoegd bij het hierna te noemen rapport van de bindend adviseur van 18 juli 2013, met daarop handgeschreven aantekeningen van de bindend adviseur. Bij de zinsnede ‘Omdat het TNO-rapport geen informatie per onderdeel bevat’ heeft de bindend adviseur de volgende aantekening geplaatst:

‘Conclusie:

- TNO rapport niet volledig en te algemeen.

- Waarom geen verwijzing naar NEN-normen.

- TNO baseert haar mening mede op basis van rapportage van [H] → rapport niet onafhankelijk en zonder overleg met wederpartij en deskundige opgesteld. Inmetingen kozijnen wijkt significant af van gezamenlijke inmeting.’

2.22.

Met een brief van 14 juni 2013 heeft mr. Otten namens [A] c.s. aan de bindend adviseur het volgende bericht:

‘(…)

In mijn mail aan u van 21 mei jl. berichtte ik u reeds de voorlopige analyse van cliënten dat u opnieuw bent afgeweken van de aan u verleende, en door u aanvaarde opdracht, onder meer vanwege de omstandigheid dat u het rapport van TNO (met nummer 2004-CI-R0055) niet volledig als uitgangspunt heeft aangehouden.

(…)

Omdat de beoordeling van e.e.a. tot op zekere hoogte ook een deskundigenbeoordeling betreft, hebben cliënten zich uit overwegingen van zorgvuldigheid terzake tot ir. F.B.J. Gijsbers van TNO, de opsteller van het rapport, gewend.

In zijn mail aan (…) cliënten van 12 juni jl. geeft Gijsbers aan dat het door hem beoordeelde voorstel geheel akkoord is. Dit door Gijsbers beoordeelde voorstel betreft het bestek dat Bouwbedrijf [H] heeft opgesteld op basis van het rapport van TNO. Dit bestek bevat zoals bekend de werkomschrijving aan de hand waarvan [H] haar door u te controleren offerte heeft gebaseerd. Een onderdeel van dit bestek/werkomschrijving heeft betrekking op het herstel van ramen, deuren en kozijnen van de villa. In het TNO-rapport zijn hierover (in par. 8) richtlijnen gegeven. Het bestek/werkomschrijving van [H] hebben cliënten u reeds in een beginstadium toegezonden.

(…)

In haar bestek/werkomschrijving heeft [H] geheel conform het rapport van TNO aangegeven welke kozijnen gedemonteerd, beoordeeld, en vervangen dan wel gerepareerd dienen te worden. In uw concept-rapport geeft u echter zelfstandig een beoordeling van deze kozijnen, welke beoordeling bovendien afwijkt van die van TNO.

Omdat cliënten (met De Raad) reeds eerder hebben vastgesteld dat u zich niet aan uw opdracht had gehouden (hetgeen heeft geleid tot intrekking van uw eerste concept), hebben cliënten thans geen vertrouwen meer in u. E.e.a. klemt te meer, gelet op het feit dat u ook in uw laatste concept afwijkt van de afgesproken procedure, er inmiddels sprake is van een enorm tijdsverloop, en vanwege het feit dat u ondanks verzoeken van beide partijen opnieuw heeft verzuimd uw bevindingen gemotiveerd en objectief verifieerbaar te onderbouwen.

Op grond hiervan zijn cliënten thans genoodzaakt om de opdracht aan u in te trekken. U dient uw werkzaamheden dan ook met onmiddellijke ingang te staken.

(…)’

Deze brief is als bijlage gevoegd bij het hierna te noemen rapport van de bindend adviseur van 18 juli 2013, met daarop handgeschreven aantekeningen van de bindend adviseur.
Ten aanzien van het bestek merkt de bindend adviseur het volgende op:

‘Volgens info is het bestek niet door [H] opgesteld maar door de bewoners ingeschakelde architect (mondelinge info tijdens descente met bewoners), dan wel door Bouwbedrijf [R] BV (zie blad 2 van begroting) en betreft het hier slechts een hoeveelhedenstaat tbv opstellen van een bouwkostenbegroting.’

alsmede:

‘niet correct aangeleverde hoeveelheden staat was niet gebaseerd op hersteladvies van TNO.’

Bij de alinea ‘In haar bestek…die van TNO’ heeft de bindend adviseur de volgende aantekening geplaatst:

‘Niet correct. [H] interpreteert e.e.a. naar eigen inzichten en op basis van eigen inmetingen welke zijn uitgevoerd zonder overleg met wederpartij en deskundige.

alsmede:

‘in mijn rapport ga ik uit van de meetgegevens welke gezamenlijk met partijen is uitgevoerd.’

2.23.

Op 18 juli 2013 heeft de bindend adviseur zijn bindend advies uitgebracht. In het desbetreffende rapport, met nummer 9W6557 WE-R901, is het volgende opgenomen:

‘(…)

1. Inleiding

(…)

Bij beschikking van 23 februari 2011 heeft de rechtbank ’s-Gravenhage beslist dat de door de partijen gezamenlijk voorgedragen deskundige om een bindend advies wordt gevraagd met betrekking tot het vaststellen van de hoogte van het bedrag van de door aannemer [H] Bouwbedrijf B.V. uit te voeren herstelwerkzaamheden aan de villa.

Uitgangspunten voor de beoordeling van de kosten zijn:

- De realisatie van een paalfundering, waarin – in de lengterichting van de villa – een trekvast frame is aangebracht;

- De herstelwerkzaamheden aan de bovenbouw van de villa, zoals omschreven in het door TNO uitgebrachte deelrapport met nummer 2004-CI-R0055;

- De herstelkosten aan de vier verzakkingen zoals in februari 2006 hebben plaatsgevonden;

Op 10 en 11 oktober 2011 hebben partijen laten weten, dat zij een minnelijke regeling zijn overeengekomen. De overeenkomst is verwoord in een document met kenmerk zaak-/rolnummer 369921/ HA ZA 10-2306 en bevat 19 punten.

(…)

3. Bevindingen

(…)

Daarna heeft ondergetekende de stukken zorgvuldig bestudeerd om zich hieruit éérst een eigen beeld te vormen.

Op 1 juli 2011 heeft een descente plaatsgevonden te [woonplaats]. In vervolg hierop heeft op 30 september 2011 wederom een descente plaatsgevonden te [woonplaats]. Daarop volgend is door ondergetekende in aanwezigheid van zijn collega de heer [N], de heer [K] van Bouwbedrijf [H] en de heer [L] van De Raad Bouw B.V. op 19 en 20 oktober 2011 de villa geïnspecteerd.

Op 10 oktober 2012 heeft de heer [N] in aanwezigheid van de heer [K] de vloeren ingemeten en de plafonds geïnspecteerd.

3.1

Inspectie van de villa [de villa]

Op 19 oktober 2011 is een inspectie uitgevoerd naar de staat waarin de buiten kozijnen, - ramen en
-deuren van Villa [de villa] zich bevinden. De inspectie van alle kozijnen, ramen en deuren is uitgevoerd met als doel om per kozijn, raam of deur te bepalen of vervanging noodzakelijk is, dan wel herstel mogelijk is en tegen welke kosten. Daarnaast is de staat waarin het buiten metselwerk zich bevindt opgenomen en is geprobeerd een beeld te krijgen van de staat waarin de goten zich bevinden.

Ter plaatse van [adres 1] is ook gekeken naar de aanwezige scheuren ter plaatse van de schoorsteen.(…)

Op 20 oktober 2011 is een inspectie uitgevoerd naar de inwendige staat van de Villa [de villa]. Voor alle binnen kozijnen, ramen en deuren is gekeken naar de scheefstand (in- en uit het vlak) en de mate van scheluw zijn. Bij alle woningen is ter plaatse van de kelder gekeken naar de staat van de vloerbalken, ter plaatse van [adres 2] is dit ook gedaan ter plaatse van de achterkamer, in verband met de aanwezige verzakking van de vloer daar.

Ter plaatse van [adres 1] is ook gekeken naar de aanwezige scheuren ter plaatse van de schoorsteen, locatie eerste verdieping trap naar tweede verdieping.

(…)

Ter plaatse van [adres 1] is ook gekeken naar de oplegging van de vloerbalken in de aanwezige stalen balken in de woonkamer. Hiervoor is de aanwezige sparing in het plafond vergroot en heeft inspectie plaatsgevonden van de oplegging van de houten vloerbalken in de stalen liggers op het metselwerk.

(…)

Aansluitend aan de bezichtiging heeft op 20 oktober 2011 een bespreking plaatsgevonden in de villa, waarbij aanwezig de heer ir. [J], directeur bij [O] Raadgevende Ingenieurs, de heer [M], constructeur bij [I] Bouwconstructies BV en ondergetekende. Doel van dit gesprek was om de heer [J] te informeren over het herstelplan van [I] Bouwconstructies BV, de situatie ter plekke te aanschouwen, de omvang van de door [O] uit te voeren controlewerkzaamheden te bespreken en daarnaast een planning af te spreken van de door [I] Bouwconstructies BV en [O] uit te voeren werkzaamheden.

Op 10 oktober 2012 heeft de heer [N] in aanwezigheid van de heer [K] de vloeren ingemeten en de plafonds geïnspecteerd. Tevens is globaal de kapconstructie bekeken.

Op basis van de 4 bezoeken aan de Villa [de villa], in samenhang met alle stukken die zijn ontvangen en bestudeert, het herstelplan van [I] Bouwconstructies BV met de opmerkingen van [O] Raadgevende Ingenieurs, komt ondergetekende toe aan het beoordelen van de door [H] Bouwbedrijf BV opgestelde begroting.

4 Opmerkingen

Alvorens de begroting te beoordelen zullen eerst een aantal opmerkingen gemaakt worden op basis van de bezoeken die aan de Villa [de villa] zijn gebracht.

- Er is geen schade geconstateerd welke rechtvaardigt dat de bestaande kolenbunker in de achtertuin [adres 2] vervangen moet worden.

- Het volledig slopen van de rietplafonds ter plaatse van de begane grond is bovenmatig. De aanwezige kieren langs de wanden kunnen opgevuld worden. Het voorstel van [H] Bouwbedrijf BV om de twee stucplafonds ter plaatse van de woonkamer [adres 2] middels schotels extra te verstevigen/te bevestigen aan de balklaag is gezien het feit dat voornoemd plafond al meer dan 10 jaar na het ontstaan van de schade nog steeds geen tekenen vertoond van verdere schade, c.q. het loskomen van het plafond van de balklaag, niet noodzakelijk.

- Alle stelposten, behoudens voor het uitvoeren van het asbestonderzoek type B, zijn uit de begroting gehaald en ingevuld.

- Ten aanzien van het binnen schilderwerk is er een matiging opgelegd in verband met “nieuw voor oud”.

- Het herstel van de bestaande dakbedekking slechts voor een deel valt onder de schade.

- Het herstel van de dakgoten valt voor 50% onder de schade:

- Naast het aanbrengen van een trekvast frame in de fundering zullen er in de bovenbouw van de woningen koppelingen aangebracht moeten worden tussen de bouwmuren en de vloerbalken middels stalen strippen. Dit om de samenhang van de woningen te vergroten. Ook hiervoor is in de begroting een post opgenomen.

4.2

Aanvullende opmerking

Aan de hand van de uitgevoerde inspecties is gekeken naar de reële kosten om de schade aan de Villa [de villa] te herstellen. Hiervoor is onder andere op 19 en 20 oktober 2011 een opname uitgevoerd van alle buiten en binnen kozijnen, deuren en ramen. Conclusie van deze opname is dat:

- Voor bouwnummer [nummer 1] alle gevelkozijnen deuren en ramen in het werk hersteld kunnen worden en dus niet conform voorstel [H] uitgenomen, hersteld en teruggeplaatst moeten worden;

- Voor bouwnummer [nummer 2] dit ook geldt, met uitzondering van het kozijn aan de achterzijde, eerste etage, kleine slaapkamer. Dit kozijn moet vervangen worden door een nieuw kozijn.
De aanwezige deur in de achtergevel begane grond, keuken is gekraakt en dient vervangen te worden. Dit heeft echter geen enkele relatie met de schade ontstaan door de bouw van het [Hotel].
Door [H] Bouwbedrijf is op of rondom 1 november 2012 op eigen initiatief een opname gemaakt van de buitenkozijnen, deuren en ramen. Hierbij is ondergetekende niet aanwezig geweest. De resultaten van deze inmeting zijn voor de beoordeling van het herstel van de buitenkozijnen, deuren en ramen buiten beschouwing gelaten. Deze resultaten wijken af van de eerder uitgevoerde gezamenlijke meting.
In het TNO rapport 2004-CI-R0055 wordt in algemene zin iets beschreven ten aanzien van deur- en raamkozijnen in de binnen- en buitenmuren. TNO geeft niet aan op basis van welke criteria dit dient te geschieden. Bij gebrek hieraan is door ondergetekende de gemeten scheefstand c.q. scheluwte afgezet tegen de in de NPR 3670 aangegeven grenswaarden (blz. 33, artikel 8.4). Dit geldt ook voor de gemeten waarden van de vlakheid van de verdiepingsvloeren. Hier wordt in het TNO rapport enkel vermeld dat is waargenomen dat een deel van de vloeren niet horizontaal en/of vlak is (blz. 6). Er wordt geen richting gegeven met betrekking tot het aan te houden toetsingscriterium, de mate waarin vloeren mogen afwijken ten opzichte van het horizontale vlak. Bij gebrek hieraan is door ondergetekende de gemeten hoogteverschillen afgezet tegen de in de NEN 2747:2001 aangegeven grenswaarden (blz.6, tabel 1).

5 Conclusies

Tussen partijen is een minnelijke regeling overeengekomen. Onderdeel van de minnelijke regeling is dat er ten behoeve van het herstel van de fundering een aantal onderzoeken uitgevoerd moeten worden dan wel dat het volgende moet worden gedaan, zoals vermeld onder punt 3 van de regeling.

Door ondergetekende is geconstateerd dat al deze voorbereidende werkzaamheden naar behoren zijn uitgevoerd, c.q. dat de opmerkingen van [O], vermeld in haar schrijven met datum 18 april 2012 door [I] Bouw-constructies BV op een juiste wijze zijn verwerkt in haar stukken.

Het onder punt 4 van de minnelijke regeling genoemde bezoek heeft plaatsgevonden.

Het onder punt 5 van de minnelijke regeling genoemde overleg met [H] en de daarvoor benodigde bezoeken aan de villa hebben plaatsgevonden.

Het onder punt 7 van de minnelijke regeling genoemde overleg met [H] heeft plaatsgevonden.

Ondergetekende heeft, conform het gestelde onder punt 8, eveneens geadviseerd over een aftrek nieuw voor oud.

Voor alle punten geldt dat ondergetekende goede notie heeft genomen van de door TNO in haar rapport 2004-CI-R0055 genoemde gebreken (inventarisatie van de schade) en de mogelijkheden voor het herstellen van de waargenomen schade. Voornoemd rapport is als uitgangspunt aangehouden door Bouwbedrijf [H] BV bij het opstellen van de begrotingen en is door ondergetekende in haar afweging bij de beoordeling van de begrotingen meegenomen.

De 4 deelbegrotingen met datum 21 januari 2013 van [H] Bouwbedrijf zijn doorgenomen en van commentaar voorzien. Dit commentaar is op 13 en 19 maart 2013 besproken met de heer [K]. Op basis van deze besprekingen zijn de begrotingen aangepast en op 9 april 2013 wederom ter beoordeling ingediend bij ondergetekende. Deze definitieve begrotingen zijn daarna doorgelopen en definitief beoordeeld en aangepast. Tevens heeft ondergetekende daar waar door hem nodig geacht bij een aantal posten een reductie toegepast i.v.m. de aftrek nieuw voor oud.

Uiteindelijk resulteren al deze werkzaamheden in de navolgende kostenopstelling van de herstelkosten van de villa:

Funderingsherstel villa, algemeen deel € 494.215,00

Woning nr. [nummer 1] € 142.826,00

Woning nr. [nummer 2] € 147.058,00

Woning nr. [nummer 3] € 150.131,00

Totaal excl. BTW € 934.230,00

Stelpost uitvoeren asbestinventarisatie type B € 2.000,00

Kosten proefpaal, geaccordeerd door ondergetekende € 16.339,00

6 De gelegenheid voor partijen om opmerkingen te maken en verzoeken te doen

Het 2e concept van dit rapport is naar partijen verstuurd op 1 mei 2013 met het verzoek om voor dinsdag 21 mei 2013 te reageren.

De volgende reacties zijn ontvangen:

 brief Houthoff Buruma (…) met datum 17 mei 2013;

 brief AKD (…) met datum 21 mei 2013;

 brief Houthoff Buruma (…) met datum 23 mei 2013.

Op basis van de ontvangen reacties is besloten partij [A] cs enig uitstel te verlenen om haar reactie aan te leveren. Per mail is gecommuniceerd naar partijen dat als uiterste datum 15 juni geldt.

 brief AKD (…) met datum 14 juni 2013;

 brief Houthoff Buruma (…) met datum 17 juni 2013.

De ontvangen reacties zijn gebundeld en als bijlage 7 bij het definitieve rapport gevoegd.

Daar, waar ondergetekende het relevant acht, zijn de opmerkingen en verzoeken in het definitieve rapport verwerkt.

(…)

Met betrekking tot de notitie van de heer Prof. Ir. [P]. Er ligt een uitspraak van de rechtbank met betrekking tot de wijze waarop het funderingsherstel dient plaats te vinden. Dat is voor nu het uitgangspunt. In overleg met [I] is besloten om in het gebied waar zich groutankers bevinden geen schoorpalen toe te passen. Dit punt is dus niet aan de orde in het voorliggende geval.

Met betrekking tot de begroting het volgende.

Uitgangspunt is de kostenopstelling van [H] Bouwbedrijf, het bedrijf wat uiteindelijk de herstelwerkzaamheden gaat uitvoeren. De kosten die [H] opvoert in haar begroting zijn door ondergetekende beoordeeld met als basis het rapport van TNO 2004-CI-R0055. De inschatting van ondergetekende is dat de bouwtijd rond de 32 weken zal bedragen. Daar is in de beoordeling van de begroting rekening mee gehouden.

Uiteindelijk is door ondergetekende naar aanleiding van de door partijen geleverde opmerkingen de begrotingen op een aantal posten aangepast.

Dit betreft de volgende onderdelen:

- legeskosten en CAR polis dienen onderaan de begroting geplaatst te worden;

- retourkosten betonplaten conform eerste begroting als minderkosten opnemen.

(…)

Na correctie resulteren al deze werkzaamheden in de navolgende kostenopstelling van de herstelkosten van de villa:

Funderingsherstel villa, algemeen deel € 485.735,00

Woning nr. [nummer 1] € 142.826,00

Woning nr. [nummer 2] € 147.058,00

Woning nr. [nummer 3] € 150.131,00

Totaal excl. BTW € 925.750,00

Stelpost uitvoeren asbestinventarisatie type B € 2.000,00

Kosten proefpaal, geaccordeerd door ondergetekende € 16.339,00

(…)’

Als bijlage 1 bij het bindend advies zijn gevoegd de individuele begrotingen d.d. 9 april 2013 van de schade aan de villa opgesteld door [H], waarop de bindend adviseur handgeschreven correcties heeft aangebracht. Een deel van de correcties is voorzien van een handgeschreven toelichting.

2.24.

In een door [A] c.s. overgelegd e-mailbericht van [Q] Architectenbureau, extern adviseur aan de zijde van [A] c.s., van 13 maart 2014 is het volgende opgenomen:

‘(…)

Het rapport en het bindend advies heb ik bestudeerd. (…)

TNO geeft aan in hoofdstuk 8 Herstelmogelijkheden, onder 8.1 dat kozijnen die scheef, scheluw en/of gescheurd zijn hersteld kunnen worden door ze eerst uit te nemen en dan te bezien of herstel mogelijk is, of dat vernieuwing noodzakelijk is.

De vraag is dan wanneer je kunt spreken van een scheef, scheluw en/of gescheurd kozijn. Daar heeft TNO niet direct een maatstaf voor omschreven. Wel is het rapport helder over de scheurvormingen. Waar die zijn opgetreden, en met welke afmetingen. Op die plekken kun je beoordelen of de aansluitende kozijnen zijn mee-vervormd. Als dat zo is kun je, los van de mate van vervorming, vaststellen dat die vervorming dan ook het gevolg is van de opgetreden scheuren.

Dhr [bindend adviseur] geeft in zijn rapport aan dat hij, bij gebrek aan een criterium van TNO de NPR 3670 heeft gehanteerd, en daar een kopie van bijgevoegd. Daarin staat onder 8.3, o.a. dat een gevelelement (zoals een kozijn) een max afwijking mag hebben van 1,5 mm vermeerderd met 0,5 mm/m1.

Maar in de inmeetstaat van Corsmit (bijlage 3) wordt als maatafwijking >5mm/m1 gehanteerd. Dit is niet in overeenstemming met de NPR, en een foutfactor 10.

Verder valt mij op dat dhr [bindend adviseur] in zijn aanvullende opmerkingen onder 4.2 stelt dat in woning [nummer 1] alle gevelkozijnen in het werk hersteld kunnen worden, in woning [nummer 2] slechts 1 kozijn moet worden vernieuwd en in [nummer 3] ook 1.

Echter in de inmeetstaat is 4 keer aangegeven dat een kozijn moet worden vervangen (zie 7)).

Tot slot komen de aantekeningen van dhr [bindend adviseur] in de begroting van [H] niet overeen met zijn eigen aanvullende opmerkingen (4.2), noch met de inmeetstaat van Corsmit.

(…)’

3 Het geschil in de hoofdzaak

in conventie

3.1.

[A] c.s. vordert, samengevat en na wijziging van eis:

  1. het bindend advies van 18 juli 2013 op grond van artikel 7:904 lid 1 BW te vernietigen;

  2. de schade van [A] c.s. te begroten op grond van artikel 7:904 lid 2 BW, met als uitgangspunt de offerte van [H] van 25 maart 2010 en het TNO-rapport van 4 augustus 2006, al dan niet na inwinning van deskundigenbericht;

  3. te verklaren voor recht dat het oordeel van de rechtbank in de plaats treedt van het bindend advies, zoals door [bindend adviseur] opgesteld aan de hand van zijn opdracht in de vaststellingsovereenkomst tussen [A] c.s. en De Raad c.s. van 31 oktober 2011;

  4. De Raad c.s. hoofdelijk te veroordelen om binnen acht dagen na betekening van het te wijzen vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [A] c.s. bij wege van schadevergoeding te betalen:

- het hierboven sub b bedoelde, door de rechtbank te begroten schadebedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 maart 2000, althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum tot de dag der algehele voldoening;

- een bedrag van € 162.935,92 inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding althans vanaf een door de rechtbank te bepalen datum tot de dag der algehele voldoening;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met veroordeling van De Raad c.s. in de kosten van deze procedure.

3.2.

[A] c.s. voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om [A] c.s. aan het bindend advies gebonden te achten, aangezien de bindend adviseur (i) zijn bevindingen onvoldoende heeft gemotiveerd, (ii) buiten zijn opdracht is getreden door af te wijken van de afgesproken procedure en door het TNO-rapport niet als uitgangspunt te nemen en (iii) geen recht heeft gedaan aan het arrest van het hof van 10 maart 2009 en (iv) zich bij de beoordeling van de kozijnen niet heeft gehouden aan de Nederlandse Praktijkrichtlijn (NPR) 3670 door in de inmeetstaat uit te gaan van een acceptabele maatafwijking tot 5 mm/m1. Het bindend advies dient dan ook te worden vernietigd en de rechtbank dient de schade van [A] c.s. zoals begroot in de offerte van [H] te toetsen aan de redelijkheid en billijkheid en de kosten van herstel van het pand te begroten. Daarnaast vordert [A] c.s. een bedrag van € 162.935,92 wegens overige schadeposten, te weten expertisekosten en kosten van vervangende huisvesting tijdens herstel van het pand, opslag van inboedel en tuinaanleg.

3.3.

De Raad c.s. voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

De Raad c.s. vordert, samengevat en na wijziging van eis:

  1. [A] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan De Raad c.s. binnen veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis van een bedrag gelijk aan de door [A] c.s. ontvangen voorschotten van € 50.000,- en € 2.000.000,- verhoogd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling daarvan (18 mei 2009 respectievelijk 2 augustus 2010), althans vanaf het instellen van de voorwaardelijke eis in reconventie (25 augustus 2010) of een door de rechtbank te bepalen datum tot aan de dag van betaling, verminderd met het in conventie vastgestelde door De Raad c.s. aan [A] c.s. te betalen bedrag;

  2. [A] c.s. te veroordelen tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst in die zin dat:

  1. de herstelwerkzaamheden zoals genoemd en begroot in het bindend advies van [bindend adviseur] binnen een periode van negen maanden na betekening van het te wijzen vonnis dienen te zijn uitgevoerd, en

  2. de aanleg van een paalfundering – zo De Raad c.s. dient op te komen voor de kosten daarvan – binnen een periode van drie maanden na betekening van het te wijzen vonnis dient te zijn uitgevoerd,

en [A] c.s. hoofdelijk te veroordelen om bij gebreke daarvan over te gaan tot betaling aan De Raad c.s. binnen veertien dagen na het einde van de door de rechtbank bepaalde termijnen van:

iii. de toegewezen bedragen die niet worden besteed aan herstelwerkzaamheden, alsmede

iv. in het geval geen paalfundering wordt aangelegd: de in dat kader toegewezen kosten en vergoedingen,

verhoogd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2010, althans vanaf de datum van het instellen van de voorwaardelijke eis in reconventie (25 augustus 2010) of een door de rechtbank te bepalen datum tot aan de dag van betaling;

te bepalen dat het beslag dat eisers hebben gelegd op het [Hotel] is opgeheven;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en met veroordeling van [A] c.s. in de kosten van het geding te vermeerderen met de nakosten en te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen die termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.

3.6.

De Raad c.s. voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [A] c.s. is blijkens de vaststellingsovereenkomst gehouden over te gaan tot herstel van de villa. Voor zover hij dit niet doet en meer in het bijzonder voor zover hij geen paalfundering zal laten aanbrengen – inmiddels is de bovenbouw van één van de woningen al gerenoveerd zonder het aanbrenen van een dergelijke paalfundering – kunnen de daarvoor geraamde kosten niet voor rekening van De Raad c.s. komen. Voor zover de door De Raad c.s. aan [A] c.s. betaalde voorschotten meer bedragen dan de herstelkosten, dient [A] c.s. het teveel betaalde aan De Raad c.s. als onverschuldigd betaald terug te betalen. Voor de hoogte van de herstelkosten dient primair te worden uitgegaan van het in het bindend advies genoemde bedrag. Er is geen grond voor vernietiging van het bindend advies. Het rapport is deugdelijk gemotiveerd en gespecificeerd. Partijen zijn voldoende in de gelegenheid gesteld te reageren op het concept rapport en de bindend adviseur heeft gereageerd op het commentaar dat door partijen is gegeven. Voor zover er sprake zou zijn van een motiveringsgebrek van het bindend advies dan wel het niet aansluiten van het bindend advies op het TNO-rapport, dient de bindend adviseur in de gelegenheid te worden gesteld om deze gebreken te helen. Subsidiair stelt De Raad c.s. dat de rechtbank de schade op grond van artikel 7:904 lid 2 BW dient te begroten, waarbij niet moet worden uitgegaan van de eerste offerte van [H], maar moet worden aangesloten bij de daadwerkelijke herstelkosten van de inmiddels gerenoveerde bovenbouw van één van de woningen. Voor zover [A] c.s. de in het voorwaardelijke incident genoemde stukken niet in het geding brengt, dient de rechtbank uit te gaan van de juistheid van de standpunten van De Raad c.s. en de door De Raad c.s. overgelegde stukken en aan te sluiten bij de berekeningen van calculatiebureau [S ] en de calculator van De Raad c.s. (herstel schade voor maximaal € 140.000,-) vermeerderd met – indien paalfundering volgens de rechtbank nodig is – de kosten voor het aanleggen van paalfundering zoals begroot door de bindend adviseur met inachtneming van de daarbij door De Raad c.s. gemaakte opmerkingen. Indien de rechtbank ook overigens bij de begroting van de schade uitgaat van het rapport van de bindend adviseur dient zij hierbij ook de van de zijde van De Raad c.s. gemaakte opmerkingen ten aanzien van het bindend advies te betrekken en de schade vast te stellen op een lager bedrag dan door de bindend adviseur is begroot. Wanneer de rechtbank voor de begroting van de schade uitgaat van de offerte van [H], dient de rechtbank aan te sluiten bij de laatste offerte van [H] van 9 april 2013 in plaats van bij de offerte van 25 maart 2010 en dienen de door De Raad c.s. gemaakte opmerkingen naar aanleiding van die offerte in de beoordeling te worden betrokken.

3.7.

[A] c.s. voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in de (voorwaardelijke) incidenten

4.1.

Voor het geval dat het bindend advies niet in stand blijft en de rechtbank zou komen tot een nieuwe begroting van de herstelkosten, vordert De Raad c.s. de veroordeling van [A] c.s. dan wel [C] en [D] om binnen een week na het te wijzen vonnis:

  1. afschrift over te leggen van of inzage te geven in (i) de offerte en de facturen van [H] voor de uitgevoerde werkzaamheden aan [adres 2] te [woonplaats] , alsmede de rekeningafschriften van [C] en [D] waaruit blijkt dat de op de facturen vermelde factuurbedragen daadwerkelijk aan [H] zijn betaald;

  2. afschrift over te leggen van of inzage te geven in de facturen van [C] en [D] voor de opslag van de inboedel;

  3. afschrift over te leggen van of inzage te geven in de bankbescheiden van [A] c.s. waaruit blijkt over welk bedrag ieder van [A] c.s . beschikt en hoeveel rente ieder van hen heeft genoten over het ontvangen voorschot;

met veroordeling van [A] c.s. in de kosten.

4.2.

De Raad c.s. voert daartoe, kort samengevat , aan dat [A] c.s. uit hoofde van artikel 14 van de vaststellingsovereenkomst, de artikelen 21 en 22 Rv alsmede artikel 843a Rv stukken dienen over te leggen waaruit (betaling van) de werkelijke herstelkosten van de bovenbouw van de woning van [C] en [D] blijken.

4.3.

[A] c.s. voert verweer.

5 De beoordeling in de hoofdzaak

in conventie en in reconventie

Eiswijziging

5.1.

Partijen hebben zich over en weer niet verzet tegen de eiswijzigingen in conventie en in reconventie. Nu de rechtbank ook ambtshalve geen reden ziet om de eiswijzigingen buiten beschouwing te laten, zal zij beslissen op de vorderingen in conventie en in reconventie zoals deze na de wijzigingen luiden.

Bindend advies

5.2.

[A] c.s. vordert vernietiging van het bindend advies op grond van artikel 7:904 lid 1 BW. Volgens [A] c.s. geven zowel de inhoud als de wijze van totstandkoming van het advies daartoe aanleiding. De Raad c.s. voert verweer. Zij stelt dat er weliswaar kanttekeningen zijn te plaatsen bij onderdelen van het advies, maar dat deze niet zodanig ernstig zijn dat het bindend advies niet in stand kan blijven.

5.3.

Op grond van artikel 7:904 lid 1 BW kan een beslissing van een derde (in dit geval: het bindend advies) worden vernietigd indien gebondenheid aan die beslissing in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De toetsing op grond van dit artikel is marginaal van aard. Dit betekent dat de bindende kracht van het advies daarbij uitgangspunt is. Slechts ernstige gebreken kunnen leiden tot vernietiging van een bindend advies. Een advies kan naar zijn inhoud de redelijkheidstoets niet doorstaan wanneer geen redelijk handelend bindend adviseur tot een dergelijk advies had kunnen komen. De wijze van totstandkoming kan ertoe leiden dat gebondenheid aan het advies naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in geval van schending van hoor en wederhoor, schending van het beginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid en/of schending van het motiveringsbeginsel. Niet iedere procedurefout leidt echter tot vernietiging van een bindend advies. In dat kader kan van belang zijn of door de procedurefout nadeel is toegebracht.

5.4.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [A] c.s. dat [H] niet bereid dan wel in staat is voor het door de bindend adviseur begrote bedrag het herstel van de villa te verrichten. Immers, in het door de bindend adviseur begrote bedrag is al de aftrek ‘nieuw voor oud’ verwerkt. Dit betekent dat de aan [H] dan wel een andere aannemer te betalen aanneemsom in elk geval meer zal bedragen dan het uiteindelijk begrote bedrag van € 925.750,-.

5.5.

Voor de uitleg van de vaststellingsovereenkomst die aan het bindend advies ten grondslag ligt is van belang dat partijen de opdracht tot bindende advisering hebben gegeven aan één persoon, die geen jurist is. [A] c.s. heeft ter zitting van 4 november 2014 verklaard dat hiertoe is besloten omdat de opdracht afgebakend was, immers bestond in het beoordelen van de offerte van [H]. Ook De Raad c.s. heeft op die zitting verklaard dat bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst niet de mogelijkheid van het benoemen van meerdere bindend adviseurs is besproken, omdat van de bindend adviseur alleen een bouwkundig oordeel werd gevraagd. Gelet hierop is voldoende komen vast te staan dat partijen ervan uitgingen dat het bindend advies in de kern om bouwkundige (en niet om juridische) vragen gaat. De rechtbank beschouwt dit als een gegeven.

Motiveringsgebrek?

5.6.

De eerste door [A] c.s. aangevoerde grond voor vernietiging van het bindend advies is dat het advies onvoldoende is gemotiveerd. In algemene zin heeft te gelden dat de motiveringseisen voor een bindend adviseur zwaarder zijn naarmate het advies meer het karakter van rechtspraak draagt. Omgekeerd zijn deze eisen minder streng naarmate in de advisering het vaktechnische deskundige oordeel zwaarder weegt. In het onderhavige geval gaat het – zoals hiervoor al is overwogen – in het bindend advies op zijn minst genomen voor een groot deel om bouwkundig-technische kwesties, zodat aan de motivering van het bindend advies minder zware eisen zullen worden gesteld. Dit is te sterker het geval waar het oordelen betreft die op intuïtief inzicht van de bindend adviseur berusten. De rechtbank volgt [A] c.s. niet in diens stelling dat het bindend advies onvoldoende gemotiveerd is omdat de motivering (deels) bestaat uit handgeschreven aantekeningen op de als bijlage 1 bij het bindend advies gevoegde begrotingen van [H] van 9 april 2013. Op zichzelf kan (een deel van) de motivering op een dergelijke manier worden gegeven.

5.7.

Bij de beoordeling van de vraag of het bindend advies voldoende is gemotiveerd, maakt de rechtbank onderscheid tussen vier verschillende soorten posten, te weten de door de bindend adviseur op de aanneemsom in mindering gebrachte aftrek wegens ‘nieuw voor oud’, de kozijnen, de verdiepingsvloeren en de overige posten.

5.8.

Het vaststellen van een aftrek wegens ‘nieuw voor oud’ betreft bij uitstek een intuïtief oordeel. De motiveringseisen voor een dergelijk intuïtief oordeel zijn laag. Mede gelet op de veelheid aan posten waarop een dergelijke aftrek volgens de bindend adviseur van toepassing is, behoefde hij naar het oordeel van de rechtbank niet post voor post te motiveren waarom hij tot deze aftrek is gekomen. Dit zou anders zijn indien (een van) partijen in reactie op het concept-rapport expliciet het door de bindend adviseur in mindering gebrachte bedrag had(den) betwist of indien (een van) partijen in reactie op het concept-rapport had(den) gesteld dat het ten aanzien van (een) bepaalde post(en) in het geheel niet redelijk is dat een bedrag in mindering wordt gebracht als aftrek ‘nieuw voor oud’. Niet is echter gebleken dat partijen dergelijke stellingen hebben ingenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is er dan ook geen motiveringsgebrek ten aanzien van de aftrekposten wegens ‘nieuw voor oud’.

5.9.

Ook ten aanzien van de kozijnen en de verdiepingsvloeren heeft de bindend adviseur naar het oordeel van de rechtbank het bindend advies voldoende gemotiveerd. In paragraaf 4.2 van het bindend advies heeft hij immers ten aanzien van de kozijnen expliciet toegelicht waarom hij is afgeweken van de door [H] begrote aantallen: [H] was afgeweken van de gezamenlijk met de bindend adviseur verrichte inmeting. Ook is de door de bindend adviseur gebruikte inmeetstaat van de buitenkozijnen als bijlage 3 bij het bindend advies gevoegd. Voorts heeft de bindend adviseur in genoemde paragraaf 4.2 toegelicht waarom het TNO -rapport 2004-CI-R0055 volgens hem onvoldoende informatie bevat voor de begroting van de herstelkosten van de kozijnen en de verdiepingsvloeren.

5.10.

Ten aanzien van de overige posten is de rechtbank van oordeel dat van de bindend adviseur – mede gelet op de grote hoeveelheid aan posten – niet kan worden geëist dat hij iedere post afzonderlijk motiveert. Wel mag worden verwacht dat hij, waar hij uitgaat van minder materiaal dan begroot dan wel van minder uren dan begroot, expliciet vermeldt van welke aantallen is uitgegaan. Ten aanzien van andere overige posten (dus niet: die wegens aftrek ‘nieuw voor oud’, kozijnen, verdiepingsvloeren en overige posten die wegens hoeveelheid materiaal of aantal uren zijn verminderd) mag van de bindend adviseur worden verwacht dat hij in aftrek gebrachte bedragen van meer dan € 5.000,- kort motiveert.

De rechtbank acht het bindend advies ten aanzien van de overige posten onvoldoende gemotiveerd, nu niet ten aanzien van al die posten de gehanteerde aantallen zijn weergegeven dan wel bij anderszins in aftrek gebrachte bedragen van meer dan € 5.000,- een korte motivering is gegeven.

5.11.

Het voorgaande leidt echter niet zonder meer tot vernietiging van het bindend advies. Het motiveringsgebrek is niet van zodanige aard dat de grondslag onder het hele advies komt te vervallen, terwijl bovendien het gebrek kan worden hersteld door de bindend adviseur te vragen zijn bindend advies ten aanzien van de overige posten nader te motiveren. Mede gelet op de daarmee gemoeide tijd en kosten alsmede gelet op het feit dat de overige posten mogelijk niet het grootste geschilpunt tussen partijen vormen, zal de rechtbank partijen eerst in de gelegenheid stellen om zich bij akte erover uit te spreken of zij behoefte hebben aan een motivering van de bindend adviseur over de hiervoor omschreven overige posten. Partijen kunnen daarbij tevens berichten welke voorziening zij wensen voor de kosten van de bindend adviseur indien deze extra kosten in rekening brengt voor zijn aanvullende werkzaamheden. Indien een nadere motivering door de bindend adviseurs volgens (één van) partijen gewenst is, rijst de vraag hoe de bindend adviseur hierover dient te worden benaderd. Het ligt voor de hand dat partijen dat gezamenlijk doen, maar als zij daarover geen overeenstemming kunnen bereiken, zal de rechtbank dit rechtstreeks doen. Uiteraard krijgen partijen in beide gevallen de mogelijkheid te reageren op de (nadere) motivering van de bindend adviseur.

Buiten de opdracht getreden?

5.12.

De tweede door [A] c.s. aangevoerde grond voor vernietiging van het bindend advies is dat de bindend adviseur buiten zijn opdracht is getreden door af te wijken van de afgesproken procedure en door het TNO-rapport niet als uitgangspunt te nemen.

5.13.

De rechtbank neemt als uitgangspunt dat de in de vaststellingsovereenkomst vastgelegde procedure voorziet in twee fasen. De eerste fase moet leiden tot een herziene begroting van [H] en de tweede fase moet leiden tot een definitieve opgave van de kosten van herstel, telkens na overleg met [H] (en dus niet: in overeenstemming met [H]) en gehoord partijen.

5.14.

Deze eerste fase van de procedure is beschreven in de punten 3 tot en met 7, eersten volzin, van de vaststellingsovereenkomst. [A] c.s. heeft erkend dat de bindend adviseur uitvoering heeft gegeven aan de punten 3 -5 van de vaststellingsovereenkomst. Ten aanzien van punt 6 van de vaststellingsovereenkomst stelt [A] c.s. dat de bindend adviseur zijn bevindingen niet in concept aan [A] c.s . heeft voorgelegd, althans dat dit niet rechtstreeks aan de eigenaren van de villa is voorgelegd. De rechtbank volgt [A] c.s. hierin niet. Uit de brief van mr. Otten van 24 augustus 2012 blijkt, zoals De Raad c.s. ook heeft gesteld – dat de bindend adviseur op 12 juli 2012 een eerste conceptrapportage aan [A] c.s. heeft voorgelegd en dat hij, mr. Otten, hierop heeft kunnen reageren. Dat dit concept niet onder de ogen van de eigenaren van de villa zou zijn gekomen, is niet komen vast te staan, nu in de genoemde brief van mr. Otten is vermeld dat zijn cliënten het concept hebben kunnen bekijken. Dit zou bovendien een omstandigheid zijn die niet aan de bindend adviseur kan worden tegengeworpen. Tussen partijen is niet in geschil dat [H] vervolgens haar begroting van de herstelkosten heeft aangepast, zodat ook aan de eerste volzin van punt 7 van de vaststellingsovereenkomst gevolg is gegeven.

5.15.

De bedoelde tweede fase van de van de procedure is beschreven in de punten 7, vanaf de tweede volzin, en 8 van de vaststellingsovereenkomst. [A] c. s. stelt dat de bindend adviseur is afgeweken van de overeengekomen procedure door na aanpassing van de begroting door [H] wijzigingen in deze begroting aan te brengen zonder zich hierover met [H] te hebben verstaan. De rechtbank volgt [A] c.s. hierin niet. In punt 7 van de vaststellingsovereenkomst is juist met zoveel woorden bepaald dat de door [H] aangepaste begroting aan de bindend adviseur wordt voorgelegd en dat de bindend adviseur zijn bevindingen hierover in concept aan partijen zal voorleggen. Partijen zijn dus niet overeengekomen dat de bindend adviseur zijn bevindingen eerst met [H] diende te bespreken. Niet in geschil is dat de bindend adviseur zijn bevindingen op 1 mei 2013 aan partijen heeft verzonden en hen daarbij in de gelegenheid heeft gesteld hierop te reageren. Na ontvangst van de reacties van partijen, waarbij het [A] c.s. uiteraard vrijstond om het concept van de bindend adviseur te bespreken met [H], heeft de bindend adviseur zijn bevindingen definitief vastgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bindend adviseur daarmee voldaan aan het hier besproken punt 7.
Ook aan punt 8 van de vaststellingsovereenkomst heeft de bindend adviseur uitvoering gegeven. In het genoemde tweede concept van 1 mei 2013 had de bindend adviseur ook zijn bevindingen over een aftrek ‘nieuw voor oud’ opgenomen, zodat partijen ook hierop konden reageren. Ook deze bevindingen heeft de bindend adviseur vervolgens definitief vastgelegd. Voor de stelling van [A] c.s. dat de bindend adviseur pas over een aftrek ‘nieuw voor oud’ mocht adviseren nadat partijen hadden gereageerd op de bevindingen van de bindend adviseur ten aanzien van de begroting van [H], ziet de rechtbank geen grondslag in de vaststellingsovereenkomst. De rechtbank gaat daarom aan deze stelling voorbij. Het enkele feit dat de aftrek ‘nieuw voor oud ’ is opgenomen in een afzonderlijk punt van de vaststellingsovereenkomst leidt in elk geval niet tot die conclusie, terwijl ook niet is gesteld welk belang [A] c.s. erbij zou hebben dat de advisering op dit punt op een later tijdstip zou hebben plaatsgevonden.

5.16.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden vastgesteld dat de bindend adviseur niet de stappen heeft gezet die partijen in de vaststellingsovereenkomst hadden vastgelegd. Dat deze stappen niet zijn gezet binnen de daarvoor bepaalde termijn doet daaraan niet af, nog daargelaten de vraag of overschrijding van de termijn in alle gevallen te wijten is aan de bindend adviseur.

5.17.

De rechtbank volgt [A] c.s. evenmin in diens stelling dat de bindend adviseur buiten zijn opdracht is getreden door het TNO-rapport ten aanzien van het herstel van de bovenbouw van de villa niet als uitgangspunt te nemen. Het staat vast dat partijen zijn overeengekomen dat het rapport van TNO, met inbegrip van de aan TNO verstrekte vooropnamen, leidend is bij het herstel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de bindend adviseur heeft gemotiveerd – hetgeen door partijen niet is betwist en ook wordt bevestigd door de door [A] c.s. ingeschakelde adviseur [Q] Architectenbureau – dat het TNO-rapport zelf onvoldoende informatie geeft om exact te kunnen vaststellen welke werkzaamheden op welke wijze moeten worden verricht. Dit moest de bindend adviseur dus zelf doen. En in elk moest hij beoordelen of de door [H] begrote werkzaamheden binnen de in het TNO-rapport gegeven maatstaf vallen.

5.18.

[A] c.s. verwijt de bindend adviseur dat hij de kozijnen – in afwijking van het in het TNO-rapport bepaalde – niet heeft uitgehaald alvorens deze te beoordelen. De rechtbank volgt [A] c.s. niet in dit verwijt. Immers in het TNO-rapport staat slechts dat de kozijnen die scheef, scheluw en of gescheurd zijn, hersteld kunnen worden door – samengevat – de kozijnen uit te halen, visueel te beoordelen, te herstellen en terug te plaatsen dan wel te vervangen door nieuwe kozijnen. TNO heeft dus niet geoordeeld dat alle kozijnen eerst uitgehaald dienen te worden om te kunnen beoordelen of deze hersteld kunnen worden of vervangen dienen te worden. Niet is gesteld of gebleken dat zonder kozijnen uit te halen niet kan worden beoordeeld of deze scheef, scheluw of gescheurd zijn. In zoverre heeft de bindend adviseur naar het oordeel van de rechtbank dan ook gehandeld in overeenstemming met het TNO-rapport. Nu de bindend adviseur in aanwezigheid van onder meer [H] de kozijnen heeft ingemeten en niet is gesteld of gebleken dat er op dat moment is geprotesteerd tegen de wijze van inmeting dan wel dat de bindend adviseur vervolgens van die inmeting is afgeweken, dient van de resultaten van de betreffende inmeting te worden uitgegaan. Dat [H] vervolgens eenzijdig nog een inmeting met een ander resultaat heeft gedaan, doet niet af aan het bindende karakter van de rapportage van de bindend adviseur op dit punt.

Geen recht gedaan aan het arrest van het hof ?

5.19.

[A] c.s. stelt dat de bindend adviseur geen recht heeft gedaan aan het arrest van 10 maart 2009 van het hof in de hoofdprocedure.

5.20.

De Raad c.s. heeft hiertegen verweer gevoerd.

5.21.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [A] c.s. dat de bindend adviseur geen recht heeft gedaan aan het arrest van het hof door het TNO-rapport niet als uitgangspunt te nemen. In het voorgaande heeft de rechtbank immers al overwogen dat de bindend adviseur heeft gehandeld in overeenstemming met het TNO-rapport.

5.22.

Voor zover [A] c.s. nog stelt dat de bindend adviseur geen recht heeft gedaan aan (de strekking van) het arrest van het hof, slaagt de stelling evenmin. Anders dan [A] c.s. kennelijk veronderstelt, hebben partijen in de vaststellingsovereenkomst niet vastgelegd dat de bindend adviseur diende te handelen in overeenstemming met het arrest van het hof, of woorden van gelijke strekking. Partijen zijn – voor zover in dit verband relevant – overeengekomen dat de bindend adviseur de begroting van de herstelkosten door [H] zal beoordelen alsmede zal adviseren over een aftrek nieuw voor oud en dat het TNO-rapport inclusief de aan TNO verstrekte vooropnames leidend is bij het herstel . Dit bepaalde de speelruimte van de bindend adviseur en zoals in het voorgaande is overwogen heeft de bindend adviseur in overeenstemming hiermee gehandeld.

5.23.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de bindend adviseur naar haar oordeel ook niet heeft gehandeld in strijd met (de strekking van) het arrest van het hof. Blijkens het arrest van het hof mocht [A] c.s. bepalen op basis van welke offerte de herstelwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd mits daarbij de maatstaven van redelijkheid en billijkheid in acht worden genomen. [A] c .s. heeft de offerte van [H] gekozen en de bindend adviseur heeft die offerte ook als uitgangspunt genomen bij zijn beoordeling.

Niet gehouden aan NPR 3670?

5.24.

[A] c.s. verwijt de bindend adviseur voorts dat hij zich bij de beoordeling van de kozijnen niet heeft gehouden aan de Nederlandse Praktijkrichtlijn (NPR) 3670 door in de inmeetstaat uit te gaan van een acceptabele maatafwijking tot 5 mm/m1. Volgens [A] c.s. bepaalt de NPR 3670 dat een kozijn een maximale afwijking mag hebben van 1,5 mm (vermeerderd met 1,5 mm/ m1). Dit uitgangspunt zou [H] in haar offerte hebben toegepast.

5.25.

De Raad c.s. heeft deze stelling van [A] c . s. betwist. Zij stelt dat [A] c.s. uitgaat van artikel 8.3 van NPR 3670, terwijl artikel 8.4 van NPR 3670 van toepassing is. De bindend adviseur heeft het laatstgenoemde artikel op een juiste wijze toegepast.

5.26.

De rechtbank kan op basis van de overgelegde stukken niet beoordelen of de bindend adviseur al dan niet van een verkeerde maatstaf is uitgegaan. Zij stelt partijen in de gelegenheid om binnen vier weken na de datum van dit vonnis de rechtbank te berichten of zij behoefte hebben aan een nadere toelichting hierop door de bindend adviseur. Hierbij geldt overigens hetzelfde als in onderdeel 5.11 van dit vonnis is vermeld .

Slotsom

5.27.

Op grond van het voorgaande blijft het bindend advies vooralsnog in stand, met dien verstande dat partijen de gelegenheid krijgen gesteld zich uit te spreken over (i) de vraag of zij van de bindend adviseur een motivering willen krijgen van de overige posten (dus niet: die wegens de aftrek ‘nieuw voor oud’, kozijnen, verdiepingsvloeren) voor zover die posten zijn verminderd in verband met de hoeveelheid materiaal of het aantal uren dan wel voor zover daarop om andere redenen een bedrag van € 5.000,- of meer in mindering is gebracht en (ii) de vraag of zij een nadere toelichting van de bindend adviseur wensen over de toegepaste acceptabele maatafwijking in de inmeetstaat.

Overige schadeposten

5.28.

[A] c.s. vordert naast de schadeposten waarop het bindend advies betrekking heeft, nog vergoeding van de volgende schade:

  1. blijvende waardevermindering van de villa;

  2. expertisekosten;

  3. kosten van vervangende huisvesting;

  4. kosten van opslag van de inboedel;

  5. kosten van tuinaanleg.

5.29.

Bij de huidige stand van de zal de rechtbank nog geen beslissingen nemen ten aanzien van de overige schadeposten. De rechtbank geeft partijen in overweging zich nader met elkaar te verstaan over deze schadeposten, met inachtneming van de door de bindend adviseur geschatte bouwtijd van 32 weken. Voor zover partijen niet tot overeenstemming komen ten aanzien van deze posten stelt de rechtbank partijen in de gelegenheid zich uit te spreken over de gewenste voortgang van de procedure ten aanzien van deze schadeposten.

Wettelijke rente

5.30.

[A] c.s. vordert wettelijke rente over de herstelkosten vanaf 3 maart 2000 en over de overige kosten vanaf de dag van dagvaarding.

5.31.

De Raad c.s. heeft hiertegen verweer gevoerd. Zij heeft gesteld dat – samengevat – over de herstelkosten en de overige kosten geen wettelijke rente verschuldigd is zolang de kosten nog niet zijn gemaakt. Voor zover de kosten thans al wel zijn gemaakt, is hierover volgens haar evenmin wettelijke rente verschuldigd, aangezien de gemaakte kosten niet uitstijgen boven het door De Raad c.s. verstrekte voorschot op de te betalen schadevergoeding van € 2.050.000,-.

5.32.

De rechtbank stelt op dit punt voorop dat het hof in het arrest van 10 maart 2009 al een beslissing heeft genomen over de wettelijke rente, te weten (i) dat voor zover de schade bestaat uit waardevermindering van de villa, de wettelijke rente verschuldigd is vanaf 3 maart 2000, (ii) dat ten aanzien van de overige schadeposten wettelijke rente verschuldigd is vanaf de dag dat de schade is geleden en (iii) dat de vordering ter zake van de wettelijke rente voor het overige moet worden afgewezen.

5.33.

Partijen geven een verschillend antwoord op de vraag wanneer de overige schade geleden is. De rechtbank is met De Raad c.s. van oordeel dat de schade in juridische zin pas wordt geleden op het moment dat de herstelkosten en de overige kosten verschuldigd zijn en dus niet op het moment dat de schade aan het pand is ontstaan. Voorafgaand aan het verschuldigd zijn van de kosten lijdt [A] c.s. immers in financiële zin geen schade. Ook het hof lijkt hiervan te zijn uitgegaan, nu het hof een onderscheid heeft gemaakt tussen enerzijds de waardevermindering van de villa waarover de wettelijke rente wel vanaf 3 maart 2000 verschuldigd is en anderzijds de overige schadeposten.

Niet is gesteld of gebleken dat [A] c.s. al voor de ontvangst van het voorschot op de schadevergoeding kosten verschuldigd was dan wel dat de thans door [A] c.s. verschuldigde kosten meer bedragen dan het van De Raad c.s. ontvangen voorschot. Dit leidt tot de conclusie dat (thans) nog geen wettelijke rente verschuldigd is over de schadevergoeding die ziet op de herstelkosten en de overige kosten.

5.34.

Nu nog geen eindvonnis zal worden gewezen, zal iedere verdere beslissing ten aanzien van de wettelijke rente worden aangehouden .

Terugbetaling voorschot minus door De Raad c.s. te betalen schadevergoeding

5.35.

Nu nog niet vaststaat welk bedrag De Raad c.s. aan [A] c.s. verschuldigd is, kan de rechtbank nog niet beslissen op de vordering tot terugbetaling van het door De Raad c.s. aan [A] c.s. betaalde voorschot voor zover dit voorschot meer bedraagt dan de te betalen schadevergoeding. De beslissing op deze vordering van De Raad c.s. zal dan ook worden aangehouden.

Nakoming vaststellingsovereenkomst

5.36.

De beslissing op de vordering van De Raad c . s. [A] c.s. te veroordelen tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst in die zin dat – kort gezegd – de herstelwerkzaamheden aan de villa binnen negen maanden na dit vonnis dienen te zijn uitgevoerd en de aanleg van de paalfundering binnen drie maanden dient te zijn uitgevoerd, zal gelet op het voorgaande eveneens worden aangehouden.

Proceskosten

5.37.

Ten aanzien van de proceskosten constateert de rechtbank dat partijen in de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. De beslissing over de na de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst gemaakte proceskosten zal worden aangehouden, nu de rechtbank thans nog geen eindvonnis wijst.

6 De beoordeling in de incidenten

Nu het bindend advies vooralsnog – in afwachting van de nadere motivering door de bindend adviseur – in stand blijft, is thans nog niet voldaan aan de voorwaarde waaronder de incidenten zijn ingesteld, te weten dat het bindend advies niet in stand blijft en de rechtbank zou komen tot een nieuwe begroting van de herstelkosten. Gelet hierop zal de rechtbank iedere beslissing in de incidenten aanhouden.

7 De beslissing

De rechtbank:

in de hoofdzaak in conventie en in reconventie

7.1.

verwijst de zaak naar de rol van 14 januari 2015 voor akten na tussenvonnis aan elk van beide zijden, betreffende de onderwerpen die zijn vermeld in de onderdelen 5.27 en 5.29 van dit vonnis;

7.2.

houdt iedere verdere beslissing aan;

in de voorwaardelijke incidenten

7.3.

houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2014.1

1 type: 1881