Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16747

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-06-2014
Datum publicatie
02-03-2015
Zaaknummer
AWB-12_38054
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit informatie van het BMA en de behandelaars volgt dat reeds voordat de reis zou aanvangen, bij een dreigende uitzetting (en dus nadat de rechtsplicht ontstaat Nederland te verlaten) een grote kans bestaat dat eiser een (geslaagde) suïcidepoging zal ondernemen. De rechtbank achtte zich door verweerder / het BMA onvoldoende voorgelicht over eisers medische situatie. Daarom heeft zij aanleiding gezien een onafhankelijk psychiater te benoemen om een onderzoek naar eisers psychische gesteldheid te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/38054 (beroep) en AWB 12/38055 (voorlopige voorziening)

V-nr: [V-nr.]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam],

geboren op [geboortedatum], van Guinese nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser),

gemachtigde: mr. K. Ross, advocaat te Amsterdam

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 19 augustus 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiser van dezelfde datum tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking “conform beschikking staatssecretaris” afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 november 2012 ongegrond verklaard.

Op 4 december 2012 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, mr. B.M. Kristel. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek heropend bij beslissing 11 juli 2013 ten einde een medisch deskundige te benoemen.

Bij brief van 30 juli 2013 heeft de rechtbank haar vraagstelling in de opdracht voor de deskundige naar partijen verstuurd. Verweerder heeft zijn reactie verstuurd bij brief van 7 augustus 2013, eiser bij brief van 8 augustus 2013. De rechtbank heeft naar aanleiding hiervan haar vraagstelling aangepast. Bij brief van 3 oktober 2013 heeft zij een onafhankelijk deskundige benoemd, mevrouw M.R. Weeda om een psychiatrisch onderzoek te verrichten en de opdracht met de vraagstelling aan haar verstuurd. De benoemde deskundige heeft eiser opgeroepen voor een psychiatrisch onderzoek en hiervan een rapport opgesteld, gedateerd 26 november 2013. Partijen hebben de gelegenheid gekregen een reactie te geven op dit rapport. Verweerder heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt bij brief van 28 januari 2014, eiser bij brief van 27 januari 2014.

De zaak is daarna opnieuw ter zitting behandeld op 28 april 2014. Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Eiser is op 5 juni 2001 Nederland ingereisd en heeft op 8 juni 2001 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Deze aanvraag is afgewezen en aan eiser is een verblijfsvergunning verleend onder de beperking ‘verblijf als minderjarige alleenstaande asielzoeker’. De aanvraag voor een verlenging van deze verblijfsvergunning is afgewezen op 27 juli 2004. Verder heeft eiser een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel (traumatabeleid) en een verblijfsvergunning regulier in het kader van medische behandeling ingediend. Beide aanvragen zijn afgewezen. Het beroep dat eiser in beide zaken heeft ingesteld bij de rechtbank is in beide gevallen gegrond verklaard. Uiteindelijk heeft dit niet geleid tot verlening van de gevraagde vergunningen. Op 19 augustus 2008 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning onder de beperking “conform beschikking staatssecretaris”. Eiser vraagt om vrijstelling van het mvv-vereiste gelet op zijn medische omstandigheden. Op 19 augustus 2008 is deze aanvraag afgewezen en op dezelfde datum is hiertegen bezwaar gemaakt. De beschikking op bezwaar dateert van 14 januari 2010 en is gestoeld op het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 30 juli 2009, waarin is geconcludeerd dat er geen medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep tegen deze beschikking gegrond verklaard bij uitspraak van 10 juni 2011, omdat verweerder het BMA-advies niet - zonder nadere motivering - ten grondslag had kunnen leggen aan het besluit. De rechtbank achtte de gezondheidssituatie bij gedwongen terugkeer van belang, nu de vraag moest worden beantwoord of eiser gelet op zijn medische klachten bij terugkeer in een medische noodsituatie terecht zou komen. Verweerder heeft opnieuw advies aan het BMA gevraagd en bij brieven van 24 maart 2012, 10 augustus 2012 en 29 oktober 2012 heeft het BMA advies uitgebracht. Op 30 november 2012 heeft verweerder opnieuw een beslissing op bezwaar genomen. Eiser heeft een aantal brieven van zijn behandelaars overgelegd.

1.2

Uit het BMA-advies van 24 maart 2012 en de aanvullende adviezen van 10 augustus 2012 en 29 oktober 2012 volgt dat eiser bekend is met posttraumatische stressstoornis (PTSS) en depressief syndroom, beide chronisch. De klachten zijn herbelevingen, slecht slapen, nachtmerries, verhoogd arousal, chronische suïcidaliteit en lichamelijke klachten gerelateerd aan stress. Eiser heeft zich eerder willen suïcideren. Hij krijgt wekelijks sociaal psychiatrische behandeling en psychofarmaca. De verwachting is dat de behandeling langdurig zal zijn. Verder heeft eiser vitiligo en buikpijnklachten. Met betrekking tot de psychische klachten zal een medische noodsituatie ontstaan bij uitblijven van behandeling. Eiser ontvangt sinds het vorige BMA-advies van 30 juli 2009 meer medicatie en hij wordt intensief begeleid. Met betrekking tot de overige problematiek zal geen medische noodsituatie optreden. Gelet op de chronische suïcidaliteit van eiser is begeleiding van een psychiatrisch geschoold verpleegkundige gewenst. Voor de reis dient eiser op zijn medicatie te zijn ingesteld, tijdens de reis dient de medicatie beschikbaar te zijn en direct na de reis dient een fysieke overdracht en informatieoverdracht aan de behandelaars plaats te vinden. Behandeling is in Guinee en Senegal aanwezig. De medicijnen of alternatieven daarvoor zijn voorhanden of kunnen op korte termijn worden besteld en intensieve behandeling van de psychische klachten is mogelijk. De inschatting van de behandelaars is dat eiser suïcide zal plegen bij dreiging van uitzetting. Het is te overwegen om daarom voordat hij uitgezet wordt door een psychiater te laten beoordelen of het verantwoord is eiser te laten reizen en onder welke voorwaarden, aldus het BMA.

1.3

Eiser heeft achttien brieven van zijn behandelaars overgelegd (van 12 juni 2013, 27 augustus 2012, 12 juni 2012, 27 april 2012, 12 oktober 2010, 14 september 2009, 29 augustus 2008, 5 oktober 2007, 25 september 2007, 12 september 2007, 7 juni 2007, 2 mei 2007, 9 augustus 2006, 16 januari 2006, 21 september 2004, 22 september 2004, 30 juli 2003 en 16 mei 2002). Uit informatie van respectievelijk de heer F. Jacobs, de heer D. Lam, beiden psychiater, de heer G. van der Veer, psycholoog-psychotherapeut, mevrouw M. Stuyt, sociaal psychiatrisch verpleegkundige en M. Haverkort, huisarts volgt dat eiser tien jaar in zorg is en dat de psychische toestand van eiser hetzelfde is gebleven. Er is sprake van een chronische PTSS, chronisch depressief syndroom, chronische suïcidaliteit en beperkt maatschappelijk functioneren. Vanaf de periode van zijn traumatische ervaringen in Guinee heeft eiser ernstige klachten. De belangrijkste klachten zijn: slecht slapen, nachtmerries gedurende minimaal vier nachten in de week, verhoogd arousal, herbelevingen en diverse lichamelijke klachten. De lijdensdruk is enorm. Er zijn eerder pogingen tot suïcide geweest. Er is sprake van een vrijwel chronische preoccupatie met suïcidegedachten, hetgeen ook wordt beschouwd als suïcidaal gedrag. Er wordt aangegeven dat het zeer aannemelijk is dat eiser in een medische noodtoestand/suïcidale toestand terecht zal komen als hij wordt uitgezet. De zorg en verwachting wordt uitgesproken dat eiser een uitwijzing naar het land van herkomst niet zal willen meemaken. De kans op een geslaagde suïcidepoging in het kader van zijn al zo lang bestaande psychiatrische problematiek wordt in dat geval reëel geacht. Lang voordat eiser het vliegtuig ingaat zal er een toename van suïcidaliteit optreden. De opmerking van het BMA dat er begeleiding zal zijn tijdens de reis en er mogelijkheden tot behandeling in het land van herkomst zijn, is dan ook irrelevant. Vanuit de inmiddels langdurige ervaringen met eiser kan er worden gezegd dat een relatie bestaat tussen de mate waarin eiser lijdt en ontregeld raakt (in de vorm van verergering van zijn symptomen, waaronder toename van gevoelens van wanhoop en gedachten aan een te ondernemen suïcidepoging) bij onzekerheid over zijn toekomst in Nederland. Eiser ontvangt een intensieve behandeling, er is frequent poliklinisch contact (iedere week) en eiser belt regelmatig. Naar verwachting zullen de klachten niet verminderen en blijft behandeling noodzakelijk. De behandeling kan niet zomaar worden overgedragen en er kan moeizaam een vertrouwensband worden opgebouwd worden met eiser, aldus kort weergegeven de verklaringen van de behandelaars.

2.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen aanleiding bestaat om eiser vrij te stellen van het vereiste van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Uit het BMA-advies is gebleken dat eiser in staat wordt geacht te reizen en behandeling in Guinee en Senegal beschikbaar is, zodat een medische noodsituatie zal uitblijven. Dat eiser geen verblijfsstatus heeft in Senegal, alwaar hij zijn mvv-aanvraag dient af te wachten, betreft een omstandigheid die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreft. Niet-medische aspecten zoals deze spelen geen rol bij het advies van het BMA. Verweerder verwijst naar paragraaf B3/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Voordat eiser uitgezet wordt, wordt door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) bekeken of de medische overdracht van eiser geregeld kan worden. Er zal contact worden gelegd met het Chu Donka-ziekenhuis in Guinee en het Hospital Principal de Dakar in Senegal. Met deze ziekenhuizen worden afspraken gemaakt over de datum en de wijze waarop de medische behandeling wordt overgedragen. Uit ervaring is gebleken dat dit mogelijk is en eiser heeft onvoldoende onderbouwd waarom dit niet geregeld kan worden.

2.2

Eiser vraagt om vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 (oud). Hij voert aan dat uit de overgelegde stukken en het gestelde tijdens de hoorzitting blijkt dat zijn psychische gesteldheid dusdanig slecht is dat niet van hem gevergd kan worden om te reizen dan wel dat er een medische noodsituatie zal ontstaan indien de huidige behandeling niet wordt gecontinueerd. Er is sprake van een intensieve psychiatrische behandeling. Verweerder heeft op geen enkele wijze voldaan aan de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 juni 2011. De door de rechtbank gestelde vragen, op grond waarvan zij het besluit onvoldoende gemotiveerd heeft geacht, zijn nog altijd niet beantwoord door verweerder. Eiser heeft gedurende de procedure laten zien dat hij in staat is suïcidepogingen te ondernemen, gezien de poging zichzelf in brand te steken tijdens een zitting bij de rechtbank Haarlem, een hongerstaking voor de deur bij dezelfde rechtbank en een zitting bij de rechtbank waarbij hij decompenseerde en naakt door de rechtszaal rende. Dat er in het BMA-advies wordt gesproken over beoordeling van eiser voorafgaand aan de reis is niet begrijpelijk. In het advies staat immers al vermeld onder welke voorwaarden gereisd dient te worden. Verder voert eiser aan dat hij geen verblijfsrecht heeft in Senegal en het is daarom onmogelijk voor hem om naar Senegal te reizen. Er zal geen sprake zijn van overdracht aan de behandelaars in Senegal of Guinee, nu uit de informatie van de behandelaars uit 2003 volgt dat eiser bij dreigende uitzetting een poging tot suïcide zal ondernemen. Bovendien zal eiser vanuit Guinee zijn verblijf voor Senegal moeten regelen en dan vanuit Guinee naar Senegal moeten reizen. Verweerder heeft niet aangegeven op welke wijze de overdracht van behandeling zal plaatsvinden.

3.1

Uit artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 volgt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 kan worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

3.2

Uit artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c van de Vw 2000 volgt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf, indien het een vreemdeling betreft voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen.

3.3

Uit artikel 3.52 van het Vb 2000 – zoals dat gold ten tijde van de beslissing op bezwaar – volgt dat in andere gevallen dan genoemd in de artikelen 3.50 en 3.51 van het Vb 2000, de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf kan worden verleend aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l van de Vw 2000 heeft gehad en van wie naar het oordeel van Onze Minister wegens bijzondere individuele omstandigheden niet gevergd kan worden dat hij Nederland verlaat.

3.4

Uit artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 – zoals dat gold ten tijde van de beslissing op bezwaar – volgt dat de minister het eerste lid buiten toepassing kan laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (onder andere de uitspraak van 18 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:661) volgt dat indien en voor zover verweerder BMA-adviezen aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder gaat dan dat zij naar aanleiding van een aangevoerde beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ervan heeft vergewist dat de BMA-adviezen - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent zijn.

5. De rechtbank overweegt dat de achttien brieven van de verschillende behandelaars van eiser zwaarwegende informatie over hem bevatten. De brieven zijn multidisciplinair opgesteld en beslaan een lange periode waarin eiser behandeld werd, te weten van 2002 tot en met 2013. De verschillen tussen het advies van het BMA en de informatie van de behandelaars is niet louter gebaseerd op een verschil van inzicht, zoals verweerder stelt. Het BMA concludeert evenals de behandelaars dat er een medische noodsituatie zal ontstaan bij uitzetting als gevolg van de psychische klachten van eiser en dat er sprake is van chronische suïcidaliteit. Uit informatie van het BMA en de behandelaars volgt dat reeds voordat de reis zou aanvangen, bij een dreigende uitzetting (en dus nadat de rechtsplicht ontstaat Nederland te verlaten) een grote kans bestaat dat eiser een (geslaagde) suïcidepoging zal ondernemen. De door verweerder in het vooruitzicht gestelde beoordeling door een psychiater voor aanvang van de reis zou dan te laat komen voor eiser. Gelet op het voorgaande achtte de rechtbank zich onvoldoende voorgelicht over eisers medische situatie. Daarom heeft zij aanleiding gezien een onafhankelijk psychiater te benoemen om een onderzoek naar eisers psychische gesteldheid te verrichten.

6. Uit het rapport van psychiatrisch onderzoek van 26 november 2013 opgemaakt door de door de rechtbank benoemde onafhankelijke deskundige mevrouw M.R. Weeda, psychiater (hierna het rapport), blijkt het volgende. Er is sprake van ernstige chronische PTSS. De mogelijkheid dat bij eiser in het geval van uitblijven van behandeling een medische noodsituatie ontstaat moet worden ingeschat als zeer reëel. Eiser spreekt het stellige voornemen uit zichzelf van het leven te beroven wanneer hij uitgezet zal worden naar Afrika. Deze uitspraak kan een manipulatieve component hebben. Echter gezien de chronische suïcidaliteit van eiser moet de kans dat meer concrete suïcidale intenties en suïcidaal gedrag inderdaad zullen ontstaan als zeer groot worden ingeschat. Een reis van betrokkene naar het land/regio van herkomst in het kader van een uitzetting moet als zeer risicovol voor de gezondheid van betrokkene worden gezien. Het vooruitzicht terug te moeten naar de regio van herkomst zal vrijwel zeker een acute sterke toename van herbelevingen en angstgevoelens ten gevolge hebben. Dit kan op korte termijn leiden tot impulsief, zelfbeschadigend, zelfs suïcidaal gedrag.

7.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de door de rechtbank gestelde vragen niet aan het BMA zijn voorgelegd, ze niet één op één vergelijkbaar zijn met de door verweerder gestelde vragen aan het BMA en ze niet in overeenstemming zijn met het BMA protocol. Verweerder stelt dat de vragen speculatief zijn en een beoordeling uitlokken, ook kloppen niet alle vragen inhoudelijk. Een derde deskundige kan het ontbreken aan kennis wat betreft de beoordeling van het BMA. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat de conclusies van de derde deskundige geen afbreuk doen aan de conclusies van het BMA. De inzet van de derde deskundige heeft geen toevoegde waarde gehad. Verweerder handhaaft het eerder ingenomen standpunt.

7.2

Eiser stelt dat hij zich kan vinden in het psychiatrisch rapport. Hij voert aan dat het rapport duidelijk is en dat het de gestelde vragen beantwoord. Dat de vragen niet geheel overeenkomen met die van het BMA doet niets af aan de inhoud van de vragen. Er is een onafhankelijk oordeel gegeven omtrent de psychische gesteldheid van eiser. Eiser wijst erop dat de aanvraag reeds dateert van 19 augustus 2008 en het nu al 2014 is. Hij is gebaat bij duidelijkheid gelet op zijn zeer slechte psychische gesteldheid. De onduidelijkheid en de lange procedure werken verslechterend op zijn psychische gesteldheid. Bovendien dateren de BMA adviezen van 2012 en zijn deze niet langer actueel. Dit is niet zorgvuldig gelet op de gezondheid van eiser. Verder wijst eiser op diverse Kamervragen die zijn gesteld in Guinese zaken. De daadwerkelijke beschikbaarheid van de behandeling en medicatie is een onderwerp van verhoogde aandacht geweest de afgelopen periode. Ter zitting is erop gewezen dat eiser nog altijd leefgeld ontvangt van NIDOS, terwijl hij inmiddels ruimschoots meerderjarig is. NIDOS acht het onverantwoord om deze steun aan eiser stop te zetten, aldus de gemachtigde van eiser.

8. De rechtbank ziet geen reden om de bevindingen van de door haar benoemde deskundige niet te volgen. Het rapport is inhoudelijk genuanceerd. De deskundige erkent dat suïcide een manipulatieve context heeft, maar schat in dat het in eisers geval niet alleen bij woorden zal blijven. De rechtbank overweegt dat het BMA zich in het advies niet heeft willen uitlaten over een dreigend risico op suïcide bij uitzetting, omdat het BMA het speculatief acht reeds nu te beoordelen dat er sprake zal zijn van een mogelijke suïcide later. Echter in onderhavige zaak geeft de deskundige juist aan dat er wel een reële inschatting kan worden gemaakt, gebaseerd op de voorgeschiedenis van eiser. De rechtbank ziet reden voor twijfel aan het BMA-advies in het moment waarop verweerder van plan is te beoordelen of het verantwoord is om eiser uit te zetten, nu er volgens de eigen deskundige een reële kans bestaat dat eiser reeds voordat hij (daadwerkelijk) uitgezet wordt suïcide zal plegen. De beoordeling die het BMA voorstelt zal dan te laat komen.

9. De rechtbank concludeert dat op grond van het vorenstaande verweerder zich op basis van het BMA-advies in redelijkheid niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en vernietigt het betreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb. Zij draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

10. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, draagt zij verweerder op het betaalde griffierecht van € 320,-- aan eiser te vergoeden en veroordeelt zij verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1704,--, te betalen aan eiser (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting, met een waarde per punt van € 487,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 12/38054,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak

een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 12/38055,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- draagt verweerder op aan eiser het betaalde griffierecht van € 320,-- (zegge:

driehonderdtwintig euro) te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding tot een bedrag van € 1704,-- (zegge: zeventienhonderdenvier euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van den Bergh, rechter, in aanwezigheid van mr. M. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: MdJ

Coll.: MP

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.