Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16713

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
C-09-452105 - FA RK 13-7874
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontkenning vaderschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 15-663

Zaaknummer: C/0/481862

Datum beschikking: 12 februari 2015

Datum beschikking: 12 februari 2015Verblijf van de minderjarige - 265 Rv.

Gerechtelijke vaststelling vaderschap

Beschikking op het op 7 maart 2014 ingekomen verzoekschrift van:

[naam][geslachtsnaam],

geboren op [geboortedatum]te [geboorteplaats], Pakistan,

wonende te [geboorteplaats], Pakistan,

de minderjarige,

in rechte vertegenwoordigd door mr. G.L. Gijsberts, advocaat te 's-Gravenhage,

in de hoedanigheid van bijzondere curator.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[naam] [geslachtsnaam],

de man,

wonende te [woonplaats]

advocaat mr. A.G.M. Haase te 's-Gravenhage,

en

[naam] [geslachtsnaam],

de moeder,

wonende te [woonplaats], Pakistan.

Procedure

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 20 januari 2014 is op verzoek van de man een bijzondere curator (mr. Gijsberts voornoemd) benoemd, teneinde de minderjarige ingevolge artikel 1:212 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te vertegenwoordigen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift van de bijzondere curator;

- de door de man bij zijn verzoek om benoeming van een bijzondere curator gevoegde stukken.

Op 20 oktober 2014 is de zaak ter terechtzitting van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de bijzondere curator, de man met zijn advocaat en de moeder.

Na de behandeling van 20 oktober 2014 is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

Verzoek en verweer

De bijzondere curator verzoekt het vaderschap van de man over de minderjarige vast te stellen, althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht.

De man en de moeder stemmen in met het verzoek.

Feiten

  • -

    Volgens het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen (hierna: Wet BRP) verblijft de man sinds 25 juli 2002 in Nederland.

  • -

    De man is gehuwd geweest met [naam] [geslachtsnaam], welk huwelijk volgens het systeem ingevolge de Wet BRP op [echtscheidingsdatum] is ontbonden.

  • -

    De man is volgens een overgelegd gelegaliseerd "Marriage registration certificate", met nummer CRMS No: [nummer], afgegeven op 9 januari 2014, op 7 april 2006 te Pakistan een (tweede) huwelijk aangegaan met [naam], dochter van [naam]. Dit huwelijk is niet geregistreerd in het systeem ingevolge de Wet BRP.

  • -

    Op de gelegaliseerde Pakistaanse geboorteakte van de minderjarige, waarvan een afschrift is overgelegd onder Form No. [nummer], afgegeven op 9 januari 2014, staat als moeder vermeld: [naam][geslachtsnaam] en als vader: [naam] [geslachtsnaam].

  • -

    De man heeft volgens het systeem ingevolge de Wet BRP de Nederlandse en de Pakistaanse nationaliteit. Volgens de man heeft hij de Nederlandse nationaliteit sinds 30 december 2005.

  • -

    De moeder heeft blijkens een overgelegde kopie van haar paspoort de Pakistaanse nationaliteit.

Beoordeling

Gelet op de nationaliteit van de man en zijn woonplaats, acht de rechtbank voldoende aanknopingspunten met de Nederlandse rechtssfeer aanwezig om van het onderhavige verzoek kennis te nemen.

Artikel 10:101 BW bepaalt dat een buitenslands tot stand gekomen rechtsfeit of rechtshandeling waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte, van rechtswege in Nederland wordt erkend tenzij sprake is van een weigeringsgrond zoals genoemd in artikel 10:100 BW.

Door partijen is overgelegd de gelegaliseerde Pakistaanse geboorteakte van de minderjarige, waarop de man als vader staat vermeld. De familierechtelijke betrekking die in deze akte is neergelegd komt naar het oordeel van de rechtbank voor erkenning in aanmerking, tenzij zich een van de weigeringsgronden voordoet. Hier komt het erop aan of de erkenning van die familierechtelijke betrekking onverenigbaar is met de openbare orde.

De rechtbank is van oordeel dat hiervan geen sprake is. De man is weliswaar in Pakistan voor een tweede maal gehuwd, terwijl hij op dat moment nog gehuwd was met een andere vrouw, maar dat feit – hoewel in Nederland niet toegestaan – betekent niet dat de erkenning van de uit dat huwelijk ontstane familierechtelijke betrekkingen tussen de man en de minderjarige in strijd zou komen met de Nederlandse openbare orde. Bij de beoordeling op grond van artikel 10:101 BW van de erkenning van de familierechtelijke betrekkingen dient de voorvraag van erkenning van het daaraan ten grondslag liggende huwelijk geen rol te spelen (zie ook de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, 1 oktober 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:4394, zaaknummer 200.131.668/01). De rechtbank acht het na 1 april 2014 in ieder geval niet (meer) in strijd met de openbare orde om een familierechtelijke betrekking te erkennen die is ontstaan uit een bigaam huwelijk. Immers vanaf dat moment is artikel 1:204 lid 1 BW gewijzigd, waardoor een erkenning van een gehuwde man van een kind geboren uit een andere vrouw niet nietig meer is. De rechtbank acht het ontstaan van familierechtelijke betrekkingen met kinderen geboren uit een bigaam huwelijk daarmee vergelijkbaar.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat er in dit geval bovendien geen sprake (meer) van is dat het tweede (bigame) huwelijk van de man in Nederland niet zou kunnen worden erkend. Het eerste huwelijk van de man met [naam][geslachtsnaam] is immers inmiddels ([echtscheidingsdatum]) door echtscheiding ontbonden. Op grond van artikel 9 in verbinding met artikel 11 lid 2 van het Verdrag van 14 maart 1978, Trb 1987, 137, inzake de voltrekking en de erkenning van de geldigheid van huwelijken, kan de erkenning van het (bigame) huwelijk van de man met de moeder vanaf dat moment niet meer worden geweigerd.

Nu de familierechtelijke betrekking tussen de man en de minderjarige hier moet worden erkend, geldt de man in Nederland als de vader van de minderjarige. Gelet op het voorgaande heeft het verzoek van de bijzondere curator om over te gaan tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man met betrekking tot de minderjarige geen belang meer. Daarom zal de rechtbank het verzoek afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.D. Bellaart, A.M. Brakel, en J.M. Vink, tevens kinderrechters, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 februari 2015.