Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16696

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-12-2014
Datum publicatie
12-02-2015
Zaaknummer
C/09/478717 / KG RK 14-2364
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De beslissing om geen aanhouding te verlenen is een procedurele beslissing en levert in het algemeen geen grond voor wraking op. De juistheid van de beslissing om geen aanhouding te verlenen kan niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld.Verzoek tot wraking van de wrakingskamer, eveneens op grond van het niet verlenen van aanhouding, buiten behandeling gelaten wegens kennelijk misbruik van het rechtsmiddel wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0399
V-N Vandaag 2015/319
V-N 2015/19.20.2
mr. T.A.D. van Wordragen annotatie in NTFR 2015/977
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2014/69

zaak-/rekestnummer: C/09/478717/ KG RK 14-2364

zaaknummer: SGR14/379, 1071, 2128, 2132, 2758 en 4098

datum (mondelinge) beslissing: 9 december 2014

BESLISSING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

strekkende tot wraking van:

mrs. S.E. Postema, J.P.F. Slijpen en E.J.W. Heithuis,

rechters in de rechtbank Den Haag,

hierna te noemen: de rechters.

Belanghebbenden in deze procedure zijn: de Inspecteur van de Belastingdienst/belastingen kantoor Rotterdam en de ontvanger van de Belastingdienst/belastingen kantoor Rotterdam, hierna ook te noemen: de Belastingdienst.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

De hoofdzaken hebben betrekking op (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over de jaren 2008 tot en met 2010, (navorderings)aanslagen premie Zorgverzekeringswet over de jaren 2008 tot en met 2010, aanmaningskosten en een verzoek om standpuntbepaling. De rechtbank heeft de zitting in deze zaken op verlangen van verzoeker tweemaal aangehouden in afwachting van een besluit van de Raad voor de Rechtsbijstand over een door verzoeker aangevraagde toevoeging. De rechtbank heeft verzoeker vervolgens bij brief van 30 september 2014 meegedeeld dat de zitting zou plaatsvinden op 10 december 2014. De rechtbank heeft een nieuw verzoek om aanhouding, na verzoeker in de gelegenheid te hebben gesteld dit verzoek nader te motiveren, bij brief van 6 november 2014 afgewezen, met als grond dat de toevoeging inmiddels was verleend. Verzoeker heeft bij faxberichten van 28 november 2014 en 29 november 2014 gepersisteerd bij zijn aanhoudingsverzoek. Vervolgens heeft verzoeker bij brief van 5 december 2014 de behandelende rechters gewraakt.

Op 8 december 2014 is verzoeker opgeroepen ter zitting van de wrakingskamer op 9 december 2014. Verzoeker heeft vervolgens de wrakingskamer op 8 december 2014 verzocht de zitting aan te houden teneinde zich te kunnen voorzien van bijstand van een gemachtigde nu hij vanwege het aspergersyndroom niet in staat zou zijn zelf ter zitting het woord te voeren. Hierop heeft de wrakingskamer bij e-mailbericht van 8 december 2014 het volgende aan verzoeker doen meedelen:

“Het aanhoudingsverzoek zal morgen ter zitting worden behandeld. Het is aan [verzoeker] of hij komt of niet. Indien zijn verzoek tot aanhouding zal worden afgewezen, wordt aansluitend het wrakingsverzoek morgen behandeld. Het staat [verzoeker] vrij zijn verzoeken nader schriftelijk toe te lichten. Deze toelichting dient dan wel voorafgaand aan de zitting zijn ontvangen, of ter zitting te worden overgelegd aan de wrakingskamer.”

Bij faxbericht van 8 december 2014 heeft verzoeker ten slotte de wrakingskamer gewraakt. Verzoeker heeft daartoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de wrakingskamer door het wrakingsverzoek met spoed te willen behandelen de schijn wekt te willen bewerkstelligen dat de zitting in de hoofdzaken op 10 december 2014 onverkort doorgang kan vinden en dat aldus de Belastingdienst ten koste van verzoeker wordt bevoordeeld.

2 De mondelinge behandeling van de wrakingsverzoeken van 5 en 8 december 2014

Op 9 december 2014 heeft de zitting van de wrakingskamer plaatsgevonden. Verzoeker is, hoewel behoorlijk opgeroepen, ter zitting niet verschenen. De rechters en de belanghebbenden zijn met kennisgeving evenmin verschenen.

De wrakingskamer heeft ter zitting beslist dat het tegen de wrakingskamer gerichte wrakingsverzoek van 8 december 2014 buiten behandeling wordt gelaten. Het verzoek is blijkens de hiervoor weergegeven toelichting kennelijk gestoeld op de onjuiste aanname dat de wrakingskamer het verzoek om aanhouding voorshands heeft afgewezen en mist derhalve feitelijke grondslag. Een dergelijk volstrekt ongefundeerd wrakingsverzoek kan naar het oordeel van de wrakingskamer niet anders worden beschouwd dan als misbruik van het wrakingsinstrument, zodat een inhoudelijke behandeling achterwege kan blijven.

De wrakingskamer heeft ter zitting vervolgens beslist dat het verzoek om aanhouding van de wrakingszitting betreffende het wrakingsverzoek van 5 december 2014 wordt afgewezen. Overeenkomstig het van toepassing zijnde wrakingsprotocol dient een wrakingsverzoek immers zo spoedig mogelijk te worden behandeld. Verzoeker heeft zijn stelling dat het (in medisch opzicht) onmogelijk is ter zitting te verschijnen, hoewel hij daartoe genoegzaam in de gelegenheid is gesteld, naar het oordeel van de wrakingskamer onvoldoende onderbouwd.

3 Het standpunt van verzoeker ten aanzien van het verzoek van 5 december 2014

Aan het wrakingsverzoek van 5 december 2014 is naar de wrakingskamer begrijpt – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. De hoofdzaken hebben betrekking op een geschil tussen verzoeker en de Belastingdienst over onder meer de hoogte van het belastbaar inkomen van verzoeker over de jaren 2008 tot en met 2010. De door de Raad voor de Rechtsbijstand verleende toevoeging is niet definitief, maar afhankelijk gemaakt van de hoogte van de aanslagen inkomstenbelasting over het jaar 2012 of 2014, terwijl de Belastingdienst deze aanslagen eerst dan wil opleggen indien door de rechtbank in de hoofdzaken is beslist. Aldus is niet uitgesloten dat verzoeker te zijner tijd (een deel van) de kosten van de verleende rechtsbijstand alsnog zelf moet betalen. Verzoeker meent er met het oog op de toevoeging belang bij te hebben dat de hoofdzaken worden aangehouden totdat de Belastingdienst de aanslagen over de jaren 2012 en 2014 heeft opgelegd. Door afwijzend op het daartoe strekkende verzoek te beslissen, wordt volgens verzoeker aan het recht op een eerlijk proces tekort gedaan, hetgeen een grond voor wraking oplevert.

4 Het standpunt van de gewraakte rechters

De rechters hebben zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek een processuele beslissing is die geen grond geeft te vrezen dat het de rechters aan onpartijdigheid ontbreekt.

5 De beoordeling van het wrakingsverzoek van 5 december 2014

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

De wrakingskamer merkt de beslissing om de hoofdzaken niet aan te houden, tegen welke beslissing de wraking zich richt, aan als een processuele beslissing. Dergelijke beslissingen vormen in principe geen grond voor een wraking. Alleen indien de beslissing zo onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechters jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees voor een dergelijke vooringenomenheid naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. De wrakingskamer is van oordeel dat dit hier niet het geval is. Bijzondere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. Het wrakingsverzoek zal derhalve worden afgewezen.

Gelet op hetgeen verzoeker aan het verzoek tot wraking van de wrakingskamer ten grondslag heeft gelegd, is de wrakingskamer van oordeel dat verzoeker misbruik heeft gemaakt van het wrakingsinstrument. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking, betrekking hebbend op de hoofdzaken, niet in behandeling zal worden genomen.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

6 De beslissing

De wrakingskamer:

- bepaalt dat het verzoek van 8 december 2014 tot wraking van de wrakingskamer buiten behandeling wordt gelaten;

- wijst het verzoek tot wraking van 5 december 2014 af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker, betrekking hebbend op de hoofdzaken, niet in behandeling zal worden genomen;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:

• de verzoeker;

• de rechters;

de belanghebbenden.

Deze beslissing is gegeven door mr. T.F. Hesselink, voorzitter, en mrs. K.M. Braun en

I. Brand, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.P.C. van Essen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2014.

Mr. Van Essen is buiten staat deze beslissing te ondertekenen.