Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16667

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
05-03-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 6854
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht het terugvorderen van de studiefinanciering die zonder voorbehoud aan eiser was toegekend nadat door eiser alle informatie was verstrekt, in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.

Wetsverwijzingen
Wet op de studiefinanciering 2.2, geldigheid: 2015-03-05
Wet op de studiefinanciering 11.5, geldigheid: 2015-03-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/6854

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2014 in de zaak tussen

[X], wonende te [P], eiser

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft tegen het hierna onder 9 te noemen besluit bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij besluit van 5 juni 2014 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2014.

Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [A].

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan verweerder en de rechtbank.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser, geboren op [geboortedatum] heeft de Duitse nationaliteit. Op 13 september 2010 heeft eiser studiefinanciering aangevraagd voor zijn opleiding Hoger Toeristisch en Recreatief Onderwijs aan de Saxion hogeschool.

2. Eiser was vanaf 6 september 2010 als oproepkracht in dienst van [Y] B.V. en in de periode 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 tewerkgesteld bij [bedrijf] te [plaats].

3. Naar aanleiding van een door eiser doorgegeven wijziging heeft verweerder bij bericht van 22 maart 2013 vastgesteld dat eiser over de maanden januari 2013 tot en met juni 2013 recht heeft op studiefinanciering en studentenreisproduct.

4. Eiser heeft 2 juli 2013 verlenging van zijn studiefinanciering aangevraagd vanwege zijn verplichte stage gedurende augustus 2013 tot en met januari 2014 in Kaapstad, Zuid Afrika. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder bij besluit van 14 september 2013 bepaald dat eiser vanaf juli 2013 recht heeft op studiefinanciering. Dit besluit is voorafgegaan door een e-mailbericht van verweerder aan eiser van 9 september 2013 waarin het volgende is vermeld:

“Based on all the attachments, we will continue your right on student grant – starting from July 2013 – for another six months based on the worked hours from January till (including) June 2013 including payed holiday hours.

Also, from August 2013 till (including) January 2014 you will have right based on the internship, as a mandatory part of your study”

5. Bij besluit van 10 december 2013 heeft verweerder bepaald dat eiser voor de periode januari 2014 tot en met juli 2014 recht heeft op studiefinanciering. Vervolgens is bij bericht van 1 februari 2014 door verweerder vastgesteld dat vanaf februari 2014 geen recht bestaat op studiefinanciering omdat de aanvraag is beëindigd.

6. Bij besluit van 14 maart 2014 heeft verweerder vastgesteld dat eiser voor de maanden februari, maart en juli 2013 geen recht heeft op studiefinanciering omdat hij niet aan de nationaliteitseis voldoet vanwege een te weinig aantal gewerkte uren in die maanden. De studiefinanciering is daarom teruggevorderd. Doordat eiser in de maand voorafgaande aan zijn stage geen recht had op studiefinanciering is ook de tijdens zijn stageperiode ontvangen studiefinanciering teruggevorderd. Voorts heeft verweerder vastgesteld dat eiser vanaf 1 juli 2013 geen recht had op een studentenreisproduct.

Geschil
7. In geschil is of verweerder terecht de studiefinanciering en het studentenreisproduct van eiser heeft teruggevorderd. In het bijzonder is daarbij in geschil of eiser voldeed aan de voorwaarden om als migrerend werknemer te kunnen worden aangemerkt.

7.1.

Eiser stelt dat hij voldaan heeft aan de vereiste om als migrerend werknemer te kunnen worden aangemerkt aangezien hij gemiddeld 32 uur per maand heeft gewerkt. Bij het berekenen van de gewerkte uren dient volgens eiser rekening gehouden te worden met de opgebouwde vakantie uren. Daarnaast is het besluit tot terugvordering van de studiefinanciering en het reisproduct in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en tot het herroepen van het besluit tot terugvordering van de studiefinanciering en het reisproduct.

7.2.

Verweerder stelt dat eiser de maanden februari, maart en juli 2013 te weinig uren heeft gewerkt om als migrerend werknemer te kunnen worden beschouwd. Eiser heeft daarom voor die maanden en ook voor de periode na juli 2013 geen recht op studiefinanciering en een studentenreisproduct. Verweerder neemt voorts het standpunt in dat geen in recht te beschermen vertrouwen is gewekt en hij niet heeft gehandeld in strijd met de overige door eiser genoemde rechtsbeginselen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

8. Op grond van artikel 2.2, aanhef en onder b, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) kan voor studiefinanciering in aanmerking komen een studerende die niet de Nederlandse nationaliteit bezit maar wel ingevolge een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie op het terrein van de studiefinanciering met een Nederlander wordt gelijkgesteld.

9. Op grond van artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000 kan verweerder voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

10. Op grond van het Beleid migrerend werknemerschap (hierna: de Beleidsregel), zoals dat luidde tot en met december 2013, gaat de Dienst Uitvoering Onderwijs ervan uit dat iedere studerende afkomstig uit een van de lidstaten van de Europese Unie die over de controleperiode 32 uur of meer gemiddeld per maand heeft gewerkt, zonder meer de status van migrerend werknemer heeft en daarmee recht heeft op studiefinanciering in dat studiefinancieringstijdvak. Bij het vaststellen van het criterium van 32 uur gemiddeld per maand wordt voor vakanties en eventuele ziekte rekening gehouden met één maand per jaar dat er niet gewerkt wordt.

11. Eiser heeft volgens de optelling in het door hem overgelegde ‘Historisch loonoverzicht’ dat is opgesteld door zijn werkgever, in de maanden januari tot en met juli 2013 in totaal 169,5 uur gewerkt. Daarentegen heeft eiser gesteld dat hij in die periode 213,77 uur heeft gewerkt. Naar de rechtbank begrijpt komt eiser aan meer uren, door het aan hem uitbetaalde bedrag aan vakantiegeld van € 413,05 te delen door zijn uurloon en het resultaat van die breuk aan te merken als gewerkte uren. De rechtbank is van oordeel dat deze methode van eiser voor het vaststellen van het aantal gewerkte uren moet worden verworpen aangezien het aan eiser uitbetaalde bedrag aan vakantiegeld geen compensatie vormt voor opgebouwde vakantie uren maar bestaat uit een toeslag op het loon als tegemoetkoming in de kosten van vakantie. De rechtbank stelt vast dat eiser daardoor in de maanden januari 2013 tot en met juli 2013 in totaal niet meer dan 169,5 uur heeft gewerkt en daarmee niet voldoet aan het vereiste van een gemiddeld aantal gewerkte uren van tenminste 32 uur per maand. Nu voorts niet is gebleken dat eiser in de maanden februari en maart 2013 in elk van deze maanden afzonderlijk minimaal 32 uren per maand heeft gewerkt, bestaat er geen recht op studiefinanciering voor deze maanden. In zoverre heeft verweerder de studiefinanciering en het reisproduct naar het oordeel van de rechtbank terecht teruggevorderd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder pas achteraf, dat wil zeggen nadat de studiefinanciering over genoemde maanden was verstrekt op basis van nieuwe informatie heeft kunnen vaststellen dat door eiser niet aan de daartoe gestelde voorwaarden voor het recht op studiefinanciering en reisproduct werd voldaan. Voor zover eisers beroep op het vertrouwensbeginsel zich tegen de hier bedoelde terugvordering richt, faalt het, nu niet aannemelijk is geworden dat verweerder met betrekking tot genoemde maanden uitlatingen heeft gedaan die bij eiser in rechte te beschermen vertrouwen hebben kunnen oproepen.

12. Vervolgens is aan de orde of verweerder de studiefinanciering die is toegekend voor de maand juli 2013 en voor de periode van de verplichte stage, terecht heeft teruggevorderd. Vaststaat dat verweerder in zijn e-mailbericht vermeld onder 4 en vervolgens bij besluiten van 14 september 2013 en 10 december 2013 over genoemde periode studiefinanciering aan eiser heeft toegekend. Tevens staat vast dat die toekenning pas plaatsvond nadat eiser bij zijn aanvraag van 2 juli 2013 zijn loonstroken met urenspecificaties aan verweerder had verstrekt en tevens op het verzoek van verweerder van 16 augustus 2013, bij e-mailbericht van 3 september 2013 had aangegeven dat hij in juli 2013 geen uren meer had gewerkt. Daarvan uitgaande acht de rechtbank het terugvorderen van de studiefinanciering die zonder voorbehoud was toegekend met ingang van juli 2013 – een toekenning die daardoor formele rechtskracht had gekregen – in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank overweegt daartoe dat de terugvordering niet heeft plaatsgevonden op grond van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden (zie ook CRvB 21 augustus 2009, 08/6544, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ6699 en CRvB 25 januari 2008, 06/4322, 06/4323, 07/3000, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3138). Immers de door eiser in 2013 totaal maar ook per maand gewerkte uren waren verweerder bij het nemen van de besluiten van 9 en 14 september 2013 en 10 december 2013 bekend. Ook alle door verweerder gevraagde informatie met betrekking tot de verplichte stage was al eerder verstrekt door eiser. Dat eiser uit de loonstroken een andere conclusie trok ten aanzien van het aantal gewerkte uren maakt dat niet anders, nu verweerder ten aanzien van de hem ter beschikking gestelde loonstroken een eigen onderzoeksplicht had.

13. Gelet op hetgeen onder 12 is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

14. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser die worden gesteld op een forfaitair bedrag van € 46,40 aan reiskosten. Voor een hogere vergoeding vindt de rechtbank geen aanleiding nu gesteld noch gebleken is dat andere kosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de beslissing op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op studiefinanciering en studentenreisproduct die zijn toegekend voor de maanden juli 2013 tot en met januari 2014;

  • -

    herroept de beschikking van verweerder van 14 maart 2014 voor zover deze betrekking heeft op studiefinanciering en studentenreisproduct die zijn toegekend voor de maanden juli 2013 tot en met januari 2014;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 46,40;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J.P. Nevens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.