Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16658

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
05-02-2015
Zaaknummer
C/09/479026 / KG RK 14-2395
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De wrakingskamer wijst het verzoek tot wraking af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2014/70

zaak-/rekestnummer: 479026 KG RK 14-2395

parketnrs: 09/755075-12 en 09/766046-14

datum beschikking: 16 december 2014

BESLISSING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van:

[verzoeker],

Geboren te [geboorteplaats],

BRP-adres: [adres], [postcode] te [woonplaats],

verzoeker,

raadsman: mr. D.H. van den Elzen,

strekkende tot wraking van:

mrs. M. Koole, M. Rootring en A.M. Boogers,

strafrechters in de rechtbank Den Haag.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1

Verzoeker is verdachte in een strafrechtelijk onderzoek. Op 10 december 2014 heeft een zitting plaatsgevonden is de strafzaak tegen verzoeker. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt. Tijdens deze zitting heeft de raadsman van verzoeker mondeling verzocht om wraking van alle leden van de meervoudige strafkamer.

1.2

De officier van justitie in deze zaak, mr. R.A.E. van Noort, heeft op 11 december 2014 schriftelijk zijn standpunt weergegeven ten aanzien van het onderhavige wrakingsverzoek.

1.3

De strafrechters hebben op 12 december 2014 schriftelijk gereageerd op het ingediende wrakingsverzoek.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

2.1

Op 12 december 2014 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Van deze zitting is proces-verbaal opgemaakt. Verzoeker [verzoeker], bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.H. van den Elzen, is verschenen, evenals de strafrechters mrs. M. Koole, M. Rootring en A.M. Boogers, en de officier van justitie mr. R.A.E. van Noort. Nadat de raadsman van verzoeker, de voorzitter van de meervoudige strafkamer en de officier van justitie hun standpunten hadden toegelicht, heeft de wrakingskamer de behandeling van het wrakingsverzoek voor onbepaalde tijd aangehouden, opdat een volledig proces-verbaal van de behandeling van de strafzaak tegen verzoeker op 10 december 2014 wordt opgemaakt.

2.2

De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek is voortgezet op 16 december 2014. Verzoeker en zijn raadsman zijn verschenen, evenals de strafrechters. De officier van justitie is niet verschenen. De raadsman heeft zijn verzoek toegelicht. De strafrechters hebben hun zienswijze mondeling toegelicht.

3 Het standpunt van verzoeker

3.1

Aan het wrakingsverzoek is - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. Bij verzoeker is het idee ontstaan dat efficiency, ingegeven door de drang deze zaak af te doen het belangrijkste is, zodat hij niet meer de overtuiging heeft dat hij een eerlijk proces krijgt. Dit heeft tot gevolg dat onderzoekswensen waarmee hij zijn standpunten kan aantonen, worden afgewezen, waarbij wordt vooruitgelopen op de inhoud van eventuele verklaringen van getuigen. Het is voorts niet terecht dat het feit dat verzoeker geen verklaring heeft afgelegd wordt meegewogen, omdat het standpunt van verzoeker wel blijkt uit het dossier. Voorts heeft de voorzitter een opmerking gemaakt dat de raadsman de schijn zou hebben dat hij een getuige probeert te beïnvloeden. Tot slot is ook door de afwijzende beslissing op het aanhoudingsverzoek bij verzoeker de indruk ontstaan dat de rechtbank grotere waarde hecht aan de voortgang van de strafzaak tegen verzoeker dan aan een eerlijke behandeling of proces.

3.2

Ter zitting van de wrakingskamer op 16 december 2014 heeft de raadsman naar voren gebracht dat de wrakingskamer uit kan gaan van het volledige proces-verbaal van de terechtzitting van 10 december 2014. De raadsman heeft zijn verzoek ter zitting van 12 december 2014 en 16 december 2014 nog toegelicht.

4 Het standpunt van de strafrechters

4.1

Het enkele feit dat verzoeken tot het toelaten van getuigenverhoren en een verzoek tot aanhouding zijn afgewezen, levert geen grond op voor wraking, omdat daaruit geen vooringenomenheid blijkt. De opmerking van de voorzitter bij afwijzing van een verzoek ‘dat niet is gebleken dat de getuige over een bepaald onderwerp iets zou kunnen zeggen’ is niet gemaakt bij afwijzing van verzoeken van verzoeker, maar bij een verzoek van een medeverdachte die die getuige over een zeer specifiek onderwerp wilde horen.

Voorts is het feit dat verzoeker zelf geen verklaring heeft afgelegd meegewogen bij beantwoording van de vraag of het verzoek voldoende feitelijk is onderbouwd. Deze motivering is niet vooringenomen en geeft ook naar objectieve maatstaven geen schijn van vooringenomenheid.

4.2

Ten aanzien van de opmerking van de voorzitter dat de raadsman de schijn zou hebben dat hij een getuige probeert te beïnvloeden, merken de strafrechters op dat deze grond te laat is aangevoerd, nu deze opmerking aan het begin van de zitting is gemaakt en dat vervolgens de behandeling van de zaak is voortgezet. Pas nadat (na de lunch) de beslissingen over de verzoeken zijn meegedeeld, heeft verzoeker de leden van de meervoudige strafkamer gewraakt. Bovendien behoort het tot de taken van de voorzitter de procesorde te bewaken, waaronder het voorkomen van beïnvloeding van de getuige. Deze opmerking geeft geen blijk van vooringenomenheid.

5 Het standpunt van de officier van justitie

Verkort weergegeven komt het standpunt van de officier van justitie erop neer dat de wrakingsgronden telkens zien op processuele beslissingen, met een voldoende begrijpelijke motivering, waaruit niet de schijn van vooringenomenheid kan worden afgeleid.

6 De beoordeling

6.1

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.2

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

6.3.

Voor zover het wrakingsverzoek ziet op de afwijzende beslissingen van de strafrechters op de onderzoekswensen van verzoeker, dient vooropgesteld te worden dat het niet aan de wrakingskamer is om op deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering op inhoudelijke juistheid te beoordelen. De vraag is of de beslissing en de motivering daarvan feiten en omstandigheden opleveren die blijk geven van vooringenomenheid of die de vrees voor partijdigheid objectief rechtvaardigen.

6.4

De wrakingskamer beantwoordt die vraag ontkennend. Uit het volledige proces-verbaal van de zitting van 10 december 2014 blijkt dat de rechtbank na beraad heeft besloten af te zien van het horen van getuigen en het aanhoudingsverzoek af te wijzen. Of de rechtbank bij de motivering van haar beslissing om af te zien van het horen van getuigen aan het juiste criterium heeft getoetst, is een inhoudelijk oordeel, dat, zoals hiervoor reeds is overwogen niet aan de wrakingskamer is. Naar het oordeel van de wrakingskamer kan uit de bewoording van deze beslissing in elk geval niet de gerechtvaardigde vrees ontstaan dat het de rechtbank aan onpartijdigheid heeft ontbroken dan wel dat hiermee de schijn van vooringenomenheid is gewekt. Ten aanzien van het aanhoudingsverzoek begrijpt de wrakingskamer de rechtbank aldus dat de rechtbank, ondanks de uitgebreide toelichting van de raadsman, niet heeft willen vooruitlopen op het wel of niet verklaren van de getuigen. Daarmee heeft zij op geen enkele wijze een waardering gegeven aan de toelichting van de raadsman, dan wel zijn geloofwaardigheid in twijfel getrokken.

6.5

De wrakingskamer leidt uit de onderbouwing van het wrakingsverzoek in combinatie met het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 10 december 2014 af, dat de voorzitter een opmerking heeft gemaakt over de schijn van getuigenbeïnvloeding die de raadsman zou hebben gewekt. De wrakingskamer heeft in het proces-verbaal van de terechtzitting en in de onderbouwing van het wrakingsverzoek onvoldoende aanknopingspunten gevonden om verzoeker te volgen in zijn stelling dat de voorzitter met deze opmerking grond heeft gegeven te vrezen dat sprake was van vooringenomenheid ten aanzien van verzoeker of zijn raadsman. Uit het van de terechtzitting opgemaakte uitgebreide proces-verbaal volgt dat de raadsman van verzoeker heeft kunnen reageren op deze opmerking en dat de inhoudelijke behandeling vervolgens is voortgezet. Ook hierin ziet de wrakingskamer in dit geval onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat de rechters de schijn hebben gewekt jegens verzoeker vooringenomen te zijn.

6.6

De wrakingskamer is van oordeel dat geen van de aangevoerde omstandigheden, ook niet in onderlinge samenhang bezien, een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de rechters jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, of dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het verzoek tot wraking zal derhalve worden afgewezen.

7 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a zijn raadsman mr. D.H. van den Elzen;

• de officier van justitie mr. R.A.E. van Noort;

• de strafrechters, mrs. M. Koole, M. Rootring en A.M. Boogers.

Deze beslissing is gegeven door mrs. G.P. van Ham, J.A. van Steen en R. Cats, in tegenwoordigheid van mr. A.W.W. Koppe als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2014.