Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16657

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
05-02-2015
Zaaknummer
C/09/477559 / KG RK 14-2229
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Wraking
Inhoudsindicatie

Het wrakingsverzoek dat – naar de wrakingskamer begrijpt – vooral is gebaseerd op de stelling dat de kantonrechter op basis van ter terechtzitting overgelegde stukken, op eigen initiatief, argumenten heeft geponeerd die in het voordeel van de tegenpartij zijn, slaagt niet. De wrakingskamer heeft daartoe overwogen dat uit de schriftelijke reactie van de kantonrechter, haar toelichting ter zitting, alsmede uit de verklaring van verzoeker ter zitting blijkt dat het de tegenpartij zelf is geweest die voornoemde argumenten heeft geponeerd.

Nu een proces-verbaal geen woordelijke, maar een zakelijke weergave inhoudt van het verhandelde ter zitting, vormt de omstandigheid dat het proces-verbaal van de zitting niet de volledige verklaring van de gemachtigde weergeeft en een opmerking van de kantonrechter niet vermeldt, ook geen grond voor wraking. Ten slotte rechtvaardigt het in artikel 8 EVRM beschreven huisrecht evenmin een beroep op wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2014/65

zaak-/rekestnummer: C/09/477559/ KG/RK 14-2229

zaaknummer: 3534077 RL EXPL 14-32083

datum beschikking: 3 december 2014

BESLISSING (bij vervroeging)

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. E. Tamas,

(gedaagde in de hoofdzaak),

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Groene Haege BV,

gevestigd te Den Haag,

gemachtigde: mr. N. Roodenburg,

(eiseres in de hoofdzaak),

strekkende tot wraking van:

mr. A. Emmens,

kantonrechter in de rechtbank Den Haag.

Partijen worden hierna aangeduid met ‘verzoeker’, ‘de gemachtigde’, ‘Groene Haege’ en ‘de kantonrechter’.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

Verzoeker is gedaagde in een zaak waarin hij bij monde van zijn gemachtigde procedeert tegen Groene Haege. Laatstgenoemde partij vordert, in kort geding, – voor zover thans van belang – veroordeling van verzoeker het pand waar hij woonachtig is te ontruimen. Verzoeker huurt dit pand van Groene Haege. Tijdens de inhoudelijke behandeling op

14 november 2014 heeft Groene Haege de vordering toegelicht en heeft verzoeker verweer gevoerd. Bij aanvang van de zitting bleek dat de kantonrechter – waarschijnlijk door een fout op de administratie van de rechtbank – niet beschikte over door de gemachtigde toegestuurde stukken. Groene Haege beschikte wel over deze stukken. De gemachtigde heeft de kantonrechter toen een kopie van die stukken overhandigd. Groene Haege heeft het uitgebrachte exploit van dagvaarding aan de kantonrechter overhandigd. Dit week niet af van de conceptdagvaarding waarover de kantonrechter reeds beschikte. In de loop van de zitting heeft de gemachtigde de kantonrechter gewraakt. De kantonrechter heeft daarop de behandeling ter zitting geschorst.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

Op 1 december 2014 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de kantonrechter zijn op deze zitting verschenen.

3 Het standpunt van verzoeker

3.1

Van de wraking is een proces-verbaal opgemaakt. Daarin is het volgende opgenomen. De gemachtigde van verzoeker heeft de kantonrechter gewraakt omdat de kantonrechter, nadat argumenten zijn uitgewisseld, op eigen initiatief met onderzoek kwam naar de mate van vervuiling in de woning van verzoeker, hetgeen niet in de inleidende dagvaarding ten grondslag is gelegd aan de vordering. Daarmee is ook verder ingegaan op eventueel brandgevaar dat evenmin in de inleidende dagvaarding ten grondslag is gelegd aan de vordering, noch overigens met andere bewijsmiddelen is onderbouwd. Daar komt nog bij dat ter zitting op grond van stukken is gedebatteerd die niet eerder aan de kantonrechter bekend waren. Dit betreft stukken van verzoeker en de originele dagvaarding. De kantonrechter heeft aldus op eigen initiatief argumenten geponeerd die in het voordeel van de Groene Haege zijn. De kantonrechter heeft daarmee de schijn gewekt dat zij vooringenomen is en dat zij vooruitloopt op een eventuele nadelige beslissing voor verzoeker. Zij heeft door aldus te handelen artikel 6 EVRM geschonden.

3.2

Bij de behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting van 1 december 2014 heeft verzoeker, grotendeels bij monde van zijn gemachtigde, aanvullend aangevoerd:

  1. dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 14 november 2014 onjuist/onvolledig is. De gemachtigde heeft hierbij als voorbeeld genoemd dat hij punten die zijn genoemd in de processen-verbaal van de politie ter zitting elk afzonderlijk heeft toegelicht, hetgeen niet in het proces-verbaal is opgenomen;

  2. dat in genoemd proces-verbaal van de zitting ten onrechte niet is opgenomen dat de kantonrechter over het proces-verbaal van politie heeft gezegd dat dit een ambtsedig proces-verbaal betrof;

  3. dat de feitelijke reden voor wraking van de kantonrechter is gelegen in de omstandigheid dat er in de inleidende dagvaarding niet wordt verwezen naar brandgevaar als grondslag voor de vordering. De kantonrechter heeft op basis van ter terechtzitting overgelegde stukken Groene Haege aanleiding gegeven om door te gaan over het brandgevaar als gevolg van de vervuiling;

  4. dat door de wraking is voorkomen dat de vordering tot ontruiming van Groene Haege, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, is toegewezen. Het belang van verzoeker bij de wraking en daardoor het behoud van zijn woning is gerechtvaardigd, gelet op het huisrecht genoemd in artikel 8 EVRM.

4 Het standpunt van de kantonrechter

De kantonrechter heeft niet in de wraking berust en heeft zich in haar schriftelijke reactie van 25 november 2014 – verkort en zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat de belangen van partijen door haar handelswijze niet zijn geschaad en dat hiermee evenmin een schijn van vooringenomenheid is gewekt. De kantonrechter heeft de gang van zaken ter zitting toegelicht. Zij heeft betwist dat zij het brandgevaar aan de orde heeft gesteld. Voorts heeft de kantonrechter toegelicht dat zij ter zitting de ontbrekende stukken in kopie van de gedaagde partij heeft ontvangen en dat partijen geen bezwaren hebben geuit tegen het betrekken van deze stukken bij de mondelinge behandeling.

Ter zitting van de wrakingskamer heeft de kantonrechter, in reactie op het betoog van de gemachtigde, aanvullend verklaard dat het door de griffier op basis van de zittingsaantekeningen opgemaakte proces-verbaal een samenvatting inhoudt van hetgeen ter zitting is voorgevallen. De kantonrechter heeft naar aanleiding van de opmerking van de gemachtigde over het huisrecht gesteld dat over een ontruiming nog geen beslissing was genomen, nu de behandeling van de zaak ten tijde van het wrakingsverzoek pas halverwege was.

5 De beoordeling

5.1.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

5.2.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

5.3.

Het wrakingsverzoek is – naar deze wrakingskamer begrijpt – vooral gebaseerd op de stelling dat de kantonrechter op basis van ter terechtzitting overgelegde stukken op eigen initiatief heeft gesproken over vervuiling en, in het verlengde daarvan, over brandgevaar in de gehuurde woning. Uit de onder 4. opgenomen schriftelijke reactie van de kantonrechter, haar toelichting ter zitting, alsmede de verklaring van verzoeker ter zitting dat het Groene Haege is geweest die op de zitting van 14 november 2014 is begonnen over de vervuiling en over het brandgevaar, is af te leiden dat er geen sprake is geweest van enig eigen initiatief van de kantonrechter met betrekking tot deze punten. Reeds om deze reden slaagt de ingeroepen grond voor het wrakingsverzoek niet.

5.4.

De omstandigheid dat het proces-verbaal van de zitting niet volledig weergeeft wat de gemachtigde over de processen-verbaal van politie heeft verklaard en een opmerking van de kantonrechter niet vermeldt, vormt geen uitzonderlijke omstandigheid die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de kantonrechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, of dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Een proces-verbaal houdt immers een zakelijke weergave van het verhandelde ter zitting in, en geen woordelijke.

5.5.

Het in artikel 8 EVRM beschreven huisrecht rechtvaardigt niet een beroep op wraking.

5.6.

Nu de wrakingskamer niet is gebleken van (overige) feiten of omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de kantonrechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert of waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden, wordt het verzoek tot wraking afgewezen.

6 De beslissing

De wrakingskamer:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a zijn gemachtigde mr. A. Tamas;

• eiseres in de hoofdzaak Groene Haege, p/a haar gemachtigde mr. N. Roodenburg;

• de kantonrechter mr. A. Emmens.

Deze beslissing is gegeven door mrs. I.D. Bellaart, T.F. Hesselink en J.Th. van Walderveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Noorlander als griffier en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 3 december 2014.