Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16656

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2014
Datum publicatie
05-02-2015
Zaaknummer
C/09/475884 / KG RK 14-2044 + C/09/476552 / KG RK 14-2106
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

C/09/475884/ KG RK 14-2044: Niet-ontvankelijk - verzoek niet tijdig - geen verschoonbare termijnoverschrijding.

C/09/476552/ KG RK 14-2106: Afwijzing - wrakingsverzoek naar aanleiding van reactie R-C op eerder wrakingsverzoek - gebezigde terminologie “het slachtoffer” en vermelden van de voornaam van de aangever in de reactie geen zwaarwegende aanwijzing voor oordeel dat R-C een vooringenomenheid koestert dan wel dat verzoekers vrees voor de vooringenomenheid van R-C objectief gerechtvaardigd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummers 2014/57 en 2014/60

Zaak- en rekestnummers: C/09/475884/ KG RK 14-2044 en C/09/476552/ KG RK 14-2106

Parketnummer: 09/711612-12

RC-nummer: 12-4669

Datum beschikking: 7 november 2014

BESLISSING

op de schriftelijke verzoeken tot wraking ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

strekkende tot wraking van:

mr. A.H. BERGMAN

rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, in de rechtbank Den Haag, de rechter-commissaris.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

de officier van justitie.

1 De voorgeschiedenis en het procesverloop

1.1

In de strafzaak met bovengenoemd parketnummer zijn door de rechter-commissaris op 9 en 10 juli 2013 getuigen gehoord. Uit het overgelegde proces-verbaal van bevindingen van 10 februari 2014 blijkt het volgende. De toenmalig raadsman van verzoeker, mr. A.G. de Jong, heeft voorafgaand aan genoemde verhoren schriftelijk vragen ingediend. De rechter-commissaris heeft bij de bestudering daarvan bij veel van de vragen aangegeven het antwoord te zullen beletten, omdat de betreffende vragen naar haar mening geen zakelijk karakter hadden en/of omdat de vragen geen betrekking hadden op het verweten strafbare feit. In verband met de veelheid van vragen van de raadsman en gelet op de tijdsduur van het getuigenverhoor heeft de rechter-commissaris beslist dat de raadsman niet in de gelegenheid zou worden gesteld vragen te stellen waarop de rechter-commissaris het antwoord zou beletten. De rechter-commissaris heeft voorafgaand aan de verhoren van 9 juli 2013 de raadsman en de officier van justitie gevraagd naar haar kamer te komen en hen daar deze beslissing medegedeeld.

1.2

Bij brief van 14 augustus 2014 heeft verzoeker het eerste verzoek tot wraking van de rechter-commissaris ingediend (C/09/475884/ KG RK 14-2044). Verzoeker heeft per

e-mailbericht van 19 september 2014 een toelichting gegeven op dit verzoek. Daarna heeft de huidige raadsman van verzoeker, mr. M. Baltus, het verzoek per faxbericht van 24 oktober 2014 namens verzoeker nog verder aangevuld en toegelicht.

1.3

De rechter-commissaris berust niet in de eerste wraking en heeft bij brief van

29 oktober 2014 haar reactie gegeven.

1.4

Naar aanleiding van deze reactie heeft mr. M. Baltus namens verzoeker bij faxbericht d.d. 31 oktober 2014 een tweede verzoek tot wraking van de rechter-commissaris gedaan (C/09/476552/ KG RK 14-2106). Daarbij is verzocht de beide wrakingsverzoeken gezamenlijk ter zitting te behandelen.

1.5

De rechter-commissaris berust ook niet in de tweede wraking en heeft bij

e-mailbericht van 31 oktober 2014 haar reactie gegeven.

2 De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek

2.1

Op 3 november 2014 zijn de wrakingsverzoeken gezamenlijk ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker is vergezeld van zijn raadsman ter zitting verschenen. De rechter-commissaris en de officier van justitie zijn niet ter zitting verschenen.

2.2

De wrakingsverzoeken zijn door de raadsman van verzoeker aan de hand van de door hem overgelegde pleitaantekeningen toegelicht.

3 Het eerste wrakingsverzoek

Het standpunt van verzoeker

3.1

Verzoeker stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat het eerste wrakingsverzoek ontvankelijk dient te worden verklaard, ondanks het niet geringe tijdsverloop tussen het moment dat de daartoe aanleiding gevende feiten en omstandigheden aan hem bekend zijn geworden en het indienen van het wrakingsverzoek. Verzoeker voert hiertoe aan dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hij stelt dat hij de rechter-commissaris al direct na het vernemen van de beslissing op 9 juli 2013 wilde wraken, maar dat hij zich noodgedwongen heeft moeten neerleggen bij de weigering van zijn toenmalig raadsman tot wraking over te gaan en diens dreiging met een vertrouwensbreuk, omdat hij vreesde geen andere advocaat te kunnen krijgen, de bij hem geconstateerde PTSS hem doortastend optreden onmogelijk maakte en hij niet wist dat hij zelf tot wraking over kon gaan.

3.2

Voorts legt verzoeker – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aan het eerste wrakingsverzoek ten grondslag. In de eerste plaats heeft de rechter-commissaris door op 9 juli 2013 te besluiten dat vele (categoriën) vragen in het geheel niet mochten worden gesteld de voormalig raadsman van verzoeker de mogelijkheid ontnomen vragen te herformuleren danwel per belet antwoord toe te lichten waar de relevantie van de vraag in schuilt, wat een niet uit te leggen beperking door de rechtbank van verzoeker op een eerlijke berechting oplevert. Voorts heeft de rechter-commissaris door het verbieden van het stellen van vele (categoriën) vragen impliciet een waardeoordeel uitgesproken over het standpunt van verzoeker, namelijk dat een ander dan hij de strafbare feiten heeft gepleegd. Een deel van de belette vragen en antwoorden zag volgens verzoeker immers op het blootleggen van een motief bij de diverse getuigen om een valse aangifte te doen bij de politie. Door de raadsman niet toe te staan de vragen te stellen die door verzoeker waren opgesteld om dit motief bloot te leggen, heeft de rechter-commissaris daarmee in ieder geval bij verzoeker de gerechtvaardigde vrees gewekt dat zij niet onpartijdig was, althans dat zij geen geloof hechtte aan het standpunt van verzoeker dat door diverse getuigen valse aangiftes zijn gedaan. Tot slot heeft de rechter-commissaris volgens verzoeker de beslissing op 9 juli 2013 zonder deugdelijke hoor en wederhoor genomen.

Het standpunt van mr. A.H. Bergman

3.3

De rechter-commissaris is primair van mening dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het veel te laat is ingediend en de voor het tijdsverloop gegeven verklaring onvoldoende redengevend is.

3.4

Subsidiair stelt de rechter-commissaris zich – verkort en zakelijk weergegeven – op het standpunt dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen. Door de voormalig raadsman van verzoeker waren voorafgaand aan de getuigenverhoren van 9 en 10 juli 2013 zeer veel vragen op schrift gesteld, waarvan naar het oordeel van de rechter-commissaris een aantal een zakelijk karakter ontbeerde, danwel geen betrekking had op de in het kader van de artikelen 348 en 350 het Wetboek van Strafvordering te beantwoorden vragen. Een getuigenverhoor vindt plaats bij de rechter-commissaris, het is diens taak tijdens een verhoor de regierol te nemen en ervoor te zorgen dat een getuigenverhoor bijdraagt aan de beantwoording van de op grond van genoemde artikelen te stellen vragen. Dit houdt in dat de rechter-commissaris kan ingrijpen indien het verhoor een dergelijke bijdrage niet levert. De op 9 juli 2013 genomen beslissing vloeit voort uit de uitoefening van de taak van de regierechter en heeft niets te maken met vooringenomenheid, aldus de rechter-commissaris.

De beoordeling

3.5

Op grond van artikel 513 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering moet het verzoek tot wraking worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

3.6

De wrakingskamer is van oordeel dat het verzoek tot wraking niet tijdig is gedaan, nu verzoeker pas een jaar na het moment dat de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden aan hem bekend zijn geworden het wrakingsverzoek heeft ingediend. De wrakingskamer acht de door verzoeker gestelde omstandigheden ter verschoning van deze termijnoverschrijding niet zodanig dat daaruit kan worden geconcludeerd dat het voor verzoeker niet mogelijk was kort na het bekend worden met de aan het verzoek ten grondslag liggende feiten en omstandigheden een wrakingsverzoek in te dienen. Derhalve is de wrakingskamer van oordeel dat er geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

3.7

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoeker niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek tot wraking. Derhalve komt de wrakingskamer niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het wrakingsverzoek.

4 Het tweede wrakingsverzoek

Het standpunt van verzoeker

4.1

Aan het tweede wrakingsverzoek is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Volgens verzoeker is sprake van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid van de rechter-commissaris, nu zij in haar reactie op het eerste wrakingsverzoek in de derde zin van haar verweer heeft opgenomen: ‘het slachtoffer, [Y]’. Verzoeker voert hiertoe aan dat hij tot op dit moment slechts verdachte is in de strafzaak met bovengenoemd parketnummer. Zolang de rechtbank niet tot een veroordeling is gekomen, geldt de onschuldpresumptie. Deze onschuldpresumptie brengt ook met zich dat aangever [Y] door een bij de strafzaak betrokken rechter consequent dient te worden aangemerkt als aangever. Door de aangever [Y] aan te merken als ‘het slachtoffer, [Y]’ heeft de rechter-commissaris de objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid gewekt, zeker nu zij deze woorden heeft gebezigd in haar reactie op het eerste wrakingsverzoek, dat mede zag op de wijze waarop de rechter-commissaris is omgegaan met de door verzoeker te stellen vragen, die zagen op het vermoeden van verzoeker dat aangever [Y] een valse aangifte heeft gedaan en zich dus ten onrechte presenteert als slachtoffer. Verzoeker meent voorts dat de rechter-commissaris door de voornaam van aangever [Y] te noemen, terwijl zij verzoeker slechts met zijn initialen weergeeft in haar standpunt, een extra lading heeft gegeven aan haar bewoordingen ‘het slachtoffer”. Het komt verzoeker voor dat de rechter-commissaris op basis van de familiaire woordkeuze zichzelf meer aan de zijde van [Y] plaats, dan op de neutrale en onpartijdige plaats waar een rechter-commissaris dient te staan.

Het standpunt van mr. A.H. Bergman

4.2

De rechter-commissaris berust niet in de wraking. Zij heeft in haar reactie op het eerste wrakingsverzoek gesproken over ‘het slachtoffer, [Y]’, maar daarmee enkel willen zeggen dat [Y] blijkens de dagvaarding het slachtoffer in deze zaak is.

De beoordeling

4.3

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.4

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

4.5

De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden zoals hiervoor weergegeven geven geen grond te vrezen dat het de rechter-commissaris aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van haar de schijn van partijdigheid gewekt.

4.6

De wrakingskamer stelt voorop dat zij de in het eerste wrakingsverzoek aangevoerde gronden niet in de beoordeling van het tweede wrakingsverzoek zal betrekken, nu verzoeker zoals hiervoor overwogen niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het eerste wrakingsverzoek. Derhalve dient uitsluitend te worden beoordeeld of de door de rechter-commissaris gebezigde terminologie ‘het slachtoffer, [Y]’ tot de conclusie moet leiden dat zij partijdig zou zijn dan wel dat zij de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. De wrakingskamer is van oordeel dat het bezigen van de bewoordingen” het slachtoffer” ter aanduiding van de aangever [Y] in deze stand van de procedure wellicht ongelukkig is, doch dat dit geen zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat de rechter-commissaris een vooringenomenheid koestert dan wel dat verzoekers vrees voor de vooringenomenheid van de rechter-commissaris objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer is voorts van oordeel dat dit evenmin volgt uit feit dat de rechter-commissaris aangevers voornaam heeft vermeld in haar reactie. Het tweede wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.

7 De beslissing

De wrakingskamer:

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking met zaak- en rekestnummer C/09/475884/ KG RK 14-2044;

- wijst af het verzoek tot wraking met zaak- en rekestnummer C/09/476552/ KG RK 14-2106;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van de wrakingsverzoeken;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering/artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht/artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoeker p/a zijn advocaat;

• de officier van justitie;

• de rechter-commissaris;

Aldus beslist in raadkamer door mrs. G.P. van Ham, mr. G.P. Verbeek, mr. M. Soffers, in tegenwoordigheid van mr. R.A. Smit-Venema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 november 2014.