Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16640

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2014
Datum publicatie
20-02-2015
Zaaknummer
C-09-463966 - HA RK 14-193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap. Postnatale erkenning in de periode 1 april 2003 tot 1 maart 2009 door een niet Nederlandse man, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3 lid 3 RWN.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 3
Rijkswet op het Nederlanderschap 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2015/129 met annotatie van Mr. H. de Voer

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/463966 / HA RK 14-193

Beschikking van 20 november 2014

in de zaak van

1 [A],

2. [B],

wonende te [woonplaats],

in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige:

[C], geboren op [geboortedag] 2005 te Den Haag,

verzoekers,

advocaat mr. A. Bozbey te Den Haag,

en:

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verder te noemen ‘de IND’,

zetelende te Den Haag,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. drs. C.J. Cappon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van deze rechtbank, enkelvoudige kamer, van 7 april 2014, en de daarin vermelde stukken,

  • -

    de brieven van de IND van 19 mei 2014 en 20 augustus 2014,

  • -

    de brief van de officier van justitie van 22 september 2014.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2014. Namens verzoekers is mr. Bozbey verschenen en namens de IND mr. Cappon. De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven geen prijs te stellen op een mondelinge behandeling.

2 De feiten

De rechtbank neemt hier over hetgeen in de beschikking van 7 april 2014 ten aanzien van de feiten is vermeld.

3 Het verzoek

Verzoekers vragen de rechtbank vast te stellen dat [C] in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Zij voeren daartoe aan dat [C] naast haar Marokkaanse nationaliteit, op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 3 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), tevens in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Ten tijde van de geboorte van [C] had haar vader zijn hoofdverblijf in Nederland, en haar grootvader had ten tijde van de geboorte van haar vader eveneens zijn hoofdverblijf in Nederland. Hieruit volgt dat [C] in het bezit is gekomen van de Nederlandse nationaliteit, aldus verzoekers.

4 Het standpunt van de IND en van de officier van justitie

4.1.

De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek. Postnatale erkenning van [C] in 2006 door [B], die de Marokkaanse nationaliteit heeft, leidt, ook indien ervan uit moet worden gegaan dat op zich aan de vereisten van artikel 3 lid 3 RWN – het zogeheten “grootouderartikel” – is voldaan, niet tot verkrijging van het Nederlanderschap op grond van dat artikel. De IND verwijst naar het geldende beleid zoals dat is neergelegd in de Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding), dat erop neerkomt dat kinderen die op of na 1 april 2003 en vóór 1 maart 2009 postnataal zijn erkend door een niet-Nederlandse man, die op zichzelf voldoet aan de voorwaarden van artikel 3 lid 3 RWN, desalniettemin aan dat artikel geen Nederlanderschap kunnen ontlenen.

4.2.

De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld zich aan te sluiten bij het advies van de IND.

5 De beoordeling

5.1.

[C] is op 13 december 2005 in Den Haag geboren als dochter van [A]. Ten tijde van de geboorte van [C] was haar moeder in het bezit van de Marokkaanse nationaliteit. Bij Koninklijk Besluit van 23 januari 2006 verkreeg de moeder van [C] middels zogeheten “na- naturalisatie” de Nederlandse nationaliteit. [C] is daarbij niet meegenaturaliseerd. Op 26 januari 2006 is [C] erkend door [B], die uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit heeft.

5.2.

Verzoekers stellen dat [C] de Nederlandse nationaliteit heeft en beroepen zich daarbij op artikel 3 lid 3 RWN. Dit artikel houdt sinds 1 april 2003 in dat van rechtswege Nederlander is het kind van een vader of moeder die ten tijde van de geboorte van het kind zijn of haar hoofdverblijf heeft in Nederland (of de Nederlandse Antillen of Aruba) en die zelf geboren is als kind van een vader of moeder die ten tijde van zijn of haar geboorte in een van die landen hoofdverblijf had, mits het kind ten tijde van zijn geboorte zijn hoofdverblijf heeft in Nederland (of de Nederlandse Antillen of Aruba). Dit artikel moet ook worden toegepast op kinderen van wie de afstamming is vastgelegd door postnatale erkenning. Verzoekers beroepen zich in dat verband op Hoge Raad 10 juli 2009, NJ 2009, 361.

5.3.

De rechtbank overweegt als volgt. De ratio van genoemd artikel is dat de derde binnen het Koninkrijk wonende (hoofdverblijf hebbende) generatie van een niet-Nederlandse familie bij geboorte van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt, omdat die generatie geacht wordt een reële band met Nederland (of de Nederlandse Antillen of Aruba, thans Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten) te hebben, en dat voor hen uit een oogpunt van inburgering in de Nederlandse samenleving geen enkel beletsel voor de verkrijging van het Nederlanderschap zal bestaan.

5.4.

[C] is niet geboren als kind van verzoeker sub 2; de afstammingsrelatie is na haar geboorte tot stand gekomen door erkenning. Ook indien [C] voor het overige voldoet aan de vereisten van genoemd artikel 3, derde lid RWN, leidt dat, zo oordeelt de rechtbank, niet tot verkrijging van het Nederlanderschap, gegeven het geldend beleid zoals dat is opgenomen in de Handleiding. Daarin is bepaald:

Kinderen die op of na 1 april 2003 en vóór 1 maart 2009 postnataal zijn erkend of gewettigd (zonder erkenning) door een niet-Nederlandse man, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3, derde lid, RWN, verkrijgen niet het Nederlanderschap op grond van het huidig artikel 3, derde lid RWN. Dit komt doordat tussen 1 april 2003 en 1 maart 2009 een postnatale erkenning (…) door een Nederlandse man ook niet van rechtswege de verkrijging van het Nederlanderschap tot gevolg had.” In deze periode was dit geregeld in artikel 6 RWN, thans heeft erkenning wel nationaliteitsgevolg zoals geregeld in artikel 4 lid 2 RWN.

5.5.

In de genoemde periode van 1 april 2003 tot 1 maart 2009 kon een door een Nederlandse man erkende minderjarige ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c RWN uitsluitend na drie jaar opvoeding en verzorging door die Nederlandse man het Nederlanderschap verkrijgen door optie. De achtergrond van deze regeling is volgens de Handleiding dat het in het verleden is voorgekomen dat “een erkenning is gebruikt om aan een niet-Nederlands kind de Nederlandse nationaliteit te verschaffen, zonder dat er sprake was van enige sociale betrekking tussen de Nederlander en het minderjarige kind.” De Staat wilde schijnerkenningen tegengaan. Met eerder geciteerd beleid in het kader van het grootouderartikel heeft de Staat, zo begrijpt de rechtbank, willen voorkomen dat erkenning van een minderjarige door een niet-Nederlander van rechtswege tot verkrijging van de Nederlandse nationaliteit kan leiden en erkenning door een Nederlander niet. Dat de wetgever hier in zoverre van is teruggekomen dat erkenning van een kind (na zijn geboorte en voor de leeftijd van 7 jaar) per 1 maart 2009 wel van rechtswege de Nederlandse nationaliteit meebrengt, maakt dat niet anders. De wetgever heeft er immers niet voor gekozen de wetgeving aan te passen voor kinderen die zijn erkend door een Nederlander in voormelde periode. Zij dienen nog steeds te opteren voor het Nederlanderschap. Er is dan ook geen grond dat nu wel te bepalen voor een kind dat in deze periode postnataal is erkend door een niet-Nederlander die voor het overige voldoet aan de vereisten van het grootouderartikel. De wetgever had immers de mogelijkheid om per 1 maart 2009 ook voor deze kinderen een mogelijkheid te creëren om het Nederlanderschap te verkrijgen, en de rechtbank gaat er vanuit dat de wetgever daar bewust van heeft afgezien. De uitspraak van de Hoge Raad van 10 juli 2009 doet hieraan niet af, nu deze ziet op een postnatale erkenning van vóór 1 april 2003, toen erkenning door een Nederlander ook nationaliteitsgevolg had en dat aspect ook door de Hoge Raad als zodanig in zijn beoordeling wordt betrokken.

5.6.

Nu voorts niet is gebleken dat [C] anderszins in het bezit is gekomen van de Nederlandse nationaliteit dient het verzoek te worden afgewezen.

6 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit van [C] af,

- verwijst de zaak voor wat betreft het verzoek tot verbetering van de geboorteakte van de minderjarige terug naar de enkelvoudige kamer van deze rechtbank, team familie.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe, mr. W.A.G.J. Ferenschild en mr. A.M. Brakel en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2014.1

1 type: 206coll: