Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16638

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-11-2014
Datum publicatie
20-02-2015
Zaaknummer
C-09-461653 - HA RK 14-111
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap. Artikel 3 lid 1. Beroep op IVRK en EVRM alsmede op hert Rottmann arrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/461653 / HA RK 14-111

Beschikking van 20 november 2014

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. E. Ceylan te Amersfoort,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Veiligheid en Justitie,

Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verder te noemen ‘de IND’,

zetelende te Den Haag,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. drs. C.J. Cappon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het op 7 maart 2014 ingekomen verzoekschrift,

  • -

    de brieven van de IND van 22 april 2014 en 19 augustus 2014,

  • -

    de brief van de officier van justitie van 22 september 2014.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2014. Verzoekster is verschenen, vergezeld van haar moeder, mr. Ceylan en de heer [tolk] als tolk. Namens de IND is mr. Cappon verschenen. De officier van justitie heeft te kennen gegeven geen prijs te stellen op een mondelinge behandeling.

2 De feiten

Verzoekster is op [geboortedatum] 1988 in Las Vegas (Verenigde Staten) geboren als dochter van [moeder] (geboren op [geboortedatum] 1955 te [geboorteplaats]) en [vader] (geboren op [geboortedatum] 1951 te [geboorteplaats]). De ouders van verzoekster zijn op 26 januari 1978 in de gemeente Zeist met elkaar in het huwelijk getreden. In 1984 hebben zij zich in de Verenigde Staten gevestigd. Op 19 december 1986 verkreeg [moeder] door naturalisatie de Amerikaanse nationaliteit. Op 13 juli 1992 is haar door de burgemeester van de gemeente Amersfoort een Nederlands paspoort verstrekt. Op 21 juni 2011 heeft [moeder] op grond van het bepaalde in artikel 6 eerste lid en onder f van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit.

3 Het verzoek

3.1.

Verzoekster verzoekt de rechtbank vast te stellen dat zij sinds haar geboorte op [geboortedatum] 1988 in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Zij voert daartoe het volgende aan.

3.2.

Op grond van het huidige artikel 15 lid 2 sub c RWN heeft de moeder van verzoekster met de verkrijging van de Amerikaanse nationaliteit de Nederlandse nationaliteit niet verloren; zij was bij die verkrijging immers gehuwd (en is nog steeds gehuwd) met een man die de Amerikaanse nationaliteit bezit. Gevolg hiervan is dat verzoekster is geboren uit een Nederlandse moeder en derhalve sinds haar geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit en die nationaliteit ook nooit verloren heeft. Subsidiair meent verzoekster dat haar moeder door de afgifte van een Nederlands paspoort in 1992 er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij het Nederlanderschap nimmer heeft verloren. Meer subsidiair stelt verzoekster dat er sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen een kind van een moeder die als gevolg van naturalisatie vóór 1 april 2003 de Amerikaanse nationaliteit heeft verkregen en een kind van een moeder die na datum door middel van naturalisatie de Amerikaanse nationaliteit heeft verkregen.

4 Het standpunt van de IND en van de officier van justitie

4.1.

De IND komt tot de conclusie dat verzoekster niet de Nederlandse nationaliteit bezit, omdat zij in de Verenigde Staten is geboren als kind van Amerikaanse ouders en nooit Nederlander c.q. Unieburger is geweest.

4.2.

De officier van justitie heeft schriftelijk medegedeeld zich aan te sluiten bij het advies van de IND.

5 De beoordeling

5.1.

Artikel 3 lid 1 RWN bepaalt dat Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is. De rechtbank dient derhalve te beoordelen of de moeder van verzoekster ten tijde van de geboorte van verzoekster (mede) in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit. Niet staat ter discussie dat de vader van verzoekster ten tijde van de geboorte van verzoekster in het bezit was van de Amerikaanse nationaliteit.

5.2.

De moeder van verzoekster verkreeg bij haar geboorte de Nederlandse nationaliteit. In 1978 is zij gehuwd met een Amerikaanse man. Op 19 december 1986 verkreeg zij door naturalisatie de Amerikaanse nationaliteit. Ten tijde van de geboorte van verzoekster op [geboortedatum] 1988 luidde artikel 15 aanhef en onder a RWN dat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren gaat door de vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit. Nu niet ter discussie staat dat er sprake was van een vrijwillige verkrijging van de Amerikaanse nationaliteit, heeft de moeder van verzoekster haar Nederlandse nationaliteit met ingang van 19 december 1986 verloren. Hieraan doet niet af dat in het huidige artikel 15 lid 2 aanhef en onder c RWN is bepaald dat verlies van het Nederlanderschap voor een meerderjarige door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit niet van toepassing is op de verkrijger die is gehuwd met een persoon die die andere nationaliteit bezit. Dit artikel is ingevoerd op 1 april 2003 en heeft geen terugwerkende kracht.

5.3.

Hieruit volgt dat ten tijde van de geboorte van verzoekster haar moeder alleen in het bezit was van de Amerikaanse nationaliteit en verzoekster niet op grond van artikel 3 lid 1 RWN de Nederlandse nationaliteit kan hebben verkregen.

5.4.

De afgifte in 1992 van een Nederlands paspoort aan de moeder van verzoekster impliceert niet dat daarmee de Nederlandse nationaliteit van de moeder van verzoekster is komen vast te staan. De gronden voor verkrijging of verlies van de Nederlandse nationaliteit zijn limitatief in de RWN opgenomen. Afgifte van een Nederlands paspoort valt daar niet onder. Het Nederlanderschap kan niet worden ontleend aan enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.

5.5.

Het beroep op artikel 16 lid 2 RWN, waarin is geregeld onder welke omstandigheden minderjarigen de Nederlandse nationaliteit, anders dan het eerste lid van dat artikel voorschrijft, niet verliezen, behoeft geen bespreking nu verzoekster de Nederlandse nationaliteit niet heeft verkregen.

5.6

Verzoekster stelt voorts dat, indien haar moeder eerst na 1 april 2003 was genaturaliseerd, zij bij geboorte de Nederlandse nationaliteit aan haar moeder had ontleend en deze niet verloren had op grond van de in artikel 16 lid 2 RWN opgenomen uitzonderingsgevallen. Het onderscheid naar nationaliteit dat gemaakt wordt als gevolg van de datum van naturalisatie van de moeder is volgens verzoekster ongerechtvaardigd. Verzoekster stelt in dat verband bescherming te kunnen ontlenen aan achtereenvolgens het Unierecht, artikel 2, 3 en 8 IVRK en de artikelen 8 en 4 EVRM. De rechtbank overweegt als volgt.

5.7.

Verzoekster beroept zich op bescherming van nationaliteit op grond van het Unierecht, zoals dat is uitgelegd in het arrest Rottmann. Dit arrest betreft een persoon die eerst de Oostenrijkse en daarna de Duitse nationaliteit verkreeg, welke nationaliteit vervolgens werd ingetrokken, met als resultaat het verlies van rechten als burger van de Europese Unie. Het arrest biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat er sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid als door verzoekster betoogd en evenmin kan aan verzoekster, die niet stateloos is want de Amerikaanse nationaliteit heeft, op basis van dit arrest de Nederlandse nationaliteit worden toegekend.

5.8.

Verzoekster doet daarnaast een beroep op artikel 8, eerste lid, IVRK. Dit artikel bepaalt dat de Staten die partij zijn, zich verbinden tot eerbiediging van het recht van het kind om zijn identiteit te behouden, met inbegrip van nationaliteit, naam en familiebetrekkingen zoals wettelijk erkend, zonder onrechtmatige inmenging. Deze bepaling reikt echter niet zover dat, indien iemand in de zelfde omstandigheden maar onder nieuwe wetgeving recht zou hebben gehad op een bepaalde nationaliteit, hij of zij alsnog ook recht krijgt op die nationaliteit. Ook het beroep op artikel 8 IVKR faalt daarom.

5.9

Het beroep op de artikelen 2 en 3 IVRK faalt evenzeer. De naturalisatie van de moeder van verzoekster kwalificeert niet als een laakbare handeling waartegen – zo begrijpt de rechtbank de stellingen – de Nederlandse staat verzoekster, die toen overigens nog niet geboren was, had moeten beschermen.

5.10.

Tot slot kan ook het beroep op artikel 8 in samenhang met artikel 14 EVRM en het arrest Genovese/Malta verzoekster niet baten. De rechtbank begrijpt dat verzoekster doelt op rechtsoverweging 33 van het Hof: “… the denial of citizenship may raise an issue under Article 8 because of its impact on the private life of an individual, which concept is wide enough to embrace aspects of a persons’s social identity. …” Het hof heeft dit overwogen bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de klacht van Genovese. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat in het geval van verzoekster sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid en evenmin kan zij hieraan het recht op de Nederlandse nationaliteit ontlenen. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar het arrest van de Hoge Raad van 25 mei 2012 (LJN: BV9435), waarin is bepaald dat aan geen enkele bepaling van het EVRM een recht op een bepaalde nationaliteit kan worden ontleend.

5.11.

Uit het vorengaande vloeit voort dat de rechtbank de stelling van verzoekster dat sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid en verzoekster de Nederlandse nationaliteit toekomt, zoals weergegeven in ro. 5.6. van dit vonnis, verwerpt.

5.11.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek dient te worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe, mr. W.A.G.J. Ferenschild en mr. A.M. Brakel en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2014.1

1 type: 206coll: