Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16604

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-12-2014
Datum publicatie
12-02-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 4670
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

stufi zaak

Wetsverwijzingen
Wet op de studiefinanciering 1.5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/4670

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2014 in de zaak tussen

[X], wonende te [woonplaats], eiser

(gemachtigde mr. U. Arslan)

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft tegen de hierna onder 4 en 7 te noemen besluiten bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij besluit van 22 mei 2014 de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2014.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder is verschenen [A].

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde eiser in de gelegenheid te stellen nadere stukken te overleggen. Deze stukken zijn op 19 september 2014 bij de rechtbank ingekomen en in afschrift verzonden aan verweerder.

Bij brief van 17 oktober heeft verweerder op de stukken van eiser gereageerd.

Desgevraagd hebben partijen aan de rechtbank toestemming gegeven (verweerder bij brief van 17 november 2014, eiser bij faxbericht van 24 november 2014) om uitspraak te doen zonder nadere zitting.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Bij bericht van 14 januari 2012 is aan eiser studiefinanciering toegekend vanaf 1 januari 2012, naar de norm van uitwonende studerende. Eiser staat sinds 11 januari 2012 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna ook: GBA-adres) op het adres [adres te woonplaats].

2. Bij bericht van 31 augustus 2013 heeft verweerder de toekenningsdatum van het uitwonend zijn gewijzigd naar 1 februari 2012.

3. Op 19 november 2013 is door de controleurs [B] en [C] in het kader van een controle een huisbezoek uitgevoerd op voornoemd adres. Van dit huisbezoek is een rapport opgemaakt.

4. Bij bericht van 14 december 2013 is de woonsituatie van eiser aangepast in die zin dat hij per 1 februari 2012 is aangemerkt als thuiswonende. De teveel uitgekeerde studiefinanciering over de periode 1 februari 2012 tot en met november 2013 is als schuld aangemerkt.

5. Bij brief van 20 december 2013 heeft verweerder zijn voornemen aangekondigd om aan eiser een boete van 50% van de teveel toegekende studiefinanciering.

6. Bij brief van 3 januari 2014 heeft eiser een reactie gegeven op dit voornemen. Verweerder heeft deze brief mede opgevat als een bezwaarschrift tegen de omzetting van de studiefinanciering van eiser naar de norm van thuiswonende.

7. Bij besluit van 17 januari 2014 heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd tot een bedrag van € 2.120,47, zijnde 50% van de te veel toegekende studiefinanciering van € 4.240,94.

8. Op 30 januari 2014 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Geschil
9. In geschil is of verweerder terecht per 1 februari 2012 de woonsituatie van eiser als thuiswonende heeft aangemerkt. Met name is in geschil of eiser woonachtig was op het adres [adres te woonplaats], het adres waar hij ingeschreven stond in de gemeentelijke basisregistratie persoonsgegevens. Voorts is in geschil of de boete terecht is opgelegd.

9.1.

Eiser stelt dat hij alleen in de periode van 13 augustus 2013 tot 30 november 2013, tijdelijk, niet op het adres van zijn oma heeft gewoond omdat zij op vakantie was in Turkije. Omdat eiser het druk had met zijn studie is hij tijdelijk bij zijn ouders gaan wonen omdat hij geen tijd had voor koken, schoonmaken etc.

Zijn studieboeken, kleding en persoonlijke spullen had eiser meegenomen naar zijn ouderlijk huis.

9.2.

Verweerder stelt dat de uitwonende beurs van eiser terecht is beëindigd omdat eiser niet woont op het adres waar hij staat ingeschreven. Het boetebesluit is weliswaar vroegtijdig genomen, maar verweerder ziet geen aanleiding om deze beslissing in te trekken.

Beoordeling van het geschil

10. Artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) luidde ten tijde van belang en voor zover hier van belang:

“Voor het normbedrag voor een uitwonende studerende komt in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat of staan ingeschreven.”

10.1.

Artikel 9.9. luidde ten tijde van belang:
“Niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende

1. Indien een studerende het normbedrag voor een uitwonende studerende toegekend heeft gekregen maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5, kan Onze Minister hem een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste 50 procent van het bedrag dat van de studerende in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.

2. De herziening vindt plaats met ingang van de dag waarop de studerende zijn laatste adreswijziging heeft doen inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoons- gegevens.

(…).”

10.2.

Op grond van artikel 11.5 van de Wsf 2000 kan de minister voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).

Herziening

11. De rechtbank stelt voorop dat de herziening van de toegekende studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende een voor eiser belastend besluit betreft. De rechtbank is van oordeel dat het in dat geval aan verweerder is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. De bewijslast met betrekking tot de stelling dat eiser niet woonachtig is op het GBA-adres waarop hij staat ingeschreven rust dan ook in eerste instantie op verweerder en niet op eiser. Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiser niet woont op het adres waarop hij in de GBA staat ingeschreven, dan ligt het op de weg van eiser de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

De vraag of eiser woont op het adres waarop hij staat ingeschreven dient te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden.

12. Eiser heeft erkend dat hij in de periode van 13 augustus tot 30 november 2013 feitelijk niet woonachtig was op zijn GBA-adres.

13. In het geval een uitwonendenbeurs wordt herzien omdat de betrokkene niet op het opgegeven uitwonende adres (GBA-adres) woont, vindt, op grond van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, de herziening van de uitwonendenbeurs plaats met ingang van de dag waarop de studerende zijn laatste adreswijziging heeft doen inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. In het geval van eiser vindt de herziening plaats vanaf 1 februari 2012, de datum van toekenning van de uitwonende beurs. Als de betrokkene meent dat hij of zij voorafgaande aan de geconstateerde overtreding van artikel 1.5 van de Wsf 2000 feitelijk wél woonde op het GBA-adres, dient deze daarvoor het bewijs te leveren. Dit bewijs zal zodanig moeten zijn dat op grond daarvan onomstotelijk wordt aangetoond dat het wettelijk vermoeden van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 onjuist is. Als de betrokkene hierin slaagt dan levert onverkorte toepassing van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 een onbillijkheid van overwegende aard op en ligt het op de weg van verweerder om onder toepassing van de hardheidsclausule af te wijken van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 en slechts over die periode de uitwonendenbeurs te herzien waarvoor het wettelijk vermoeden van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 wel geldt (zie de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146 en van 7 mei 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1626).

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd het verlangde bewijs te leveren dat hij in (een deel van) de periode van 1 februari 2012 tot en met 13 augustus 2013 wel voldeed aan de in artikel 1.5 van de Wsf 2000 opgenomen voorwaarde dat hij woonde op het GBA-adres waar hij stond ingeschreven. Dat er enkele persoonlijke spullen, waaronder wat kleding, werd aangetroffen maakt niet dat daarmee onomstotelijk wordt aangetoond dat het wettelijke vermoeden van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 onjuist is.

Terecht stelt verweerder dat de (na de zitting) overgelegde poststukken overtuigende bewijskracht ontberen om onomstotelijk aan te tonen dat eiser in de hele periode van 1 februari 2012 tot aan 13 augustus 2013 wel woonde op zijn GBA-adres, omdat deze standaard naar het geregistreerde GBA-adres worden gestuurd. Ook de salarisspecificaties en overige stukken van eisers werkgever(s) kunnen niet aantonen dat eiser, zoals hij stelt, vanaf 1 februari 2012 tot aan 13 augustus 2013 feitelijk op het GBA-adres heeft gewoond. Dergelijke poststukken worden immers gezonden naar het door eiser opgegeven postadres. Daarbij acht de rechtbank het merkwaardig dat eiser zijn poststukken niet op zijn gestelde woonadres bewaarde, maar kennelijk meenam naar zijn ouderlijk huis. Eiser heeft hiervoor geen afdoende verklaring gegeven. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder terecht de uitwonendenbeurs van eiser met ingang van 1 februari 2012 herzien.

Boete

14. Nu naar het oordeel van de rechtbank vast staat dat eiser ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het adres waaronder hij in de GBA stond ingeschreven, was verweerder in beginsel bevoegd op grond van artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf 2000 een boete op te leggen vanwege overtreding van een verplichting van artikel 1.5 van de Wsf 2000. Niet gebleken is dat deze overtreding niet aan eiser kan worden verweten, zodat artikel 5:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet aan gebruikmaking van de boetebevoegdheid in de weg staat.

In de uitspraak van 2 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1090) heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) overwogen dat het opleggen van een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf 2000 de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid betreft. Het gaat om een punitieve sanctie. De rechter toetst in volle omvang of de hoogte van de opgelegde boete in redelijke verhouding staat tot de ernst en de verwijtbaarheid van de overtreding. De CRvB heeft in deze uitspraak verder overwogen dat het uitgangspunt van verweerder aanvaardbaar is dat in beginsel een boete wordt opgelegd van 50% van het bedrag dat na de herziening van de betrokkene wordt teruggevorderd, tenzij blijkt van een verminderde verwijtbaarheid als gevolg van bijzondere, verzachtende, omstandigheden.

14.1.

In navolging van de CRvB is de rechtbank van oordeel dat deze bestendige gedragslijn bij het opleggen van boetes op grond van artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf 2000, ook in de onderhavige zaak, aanvaardbaar is. Verweerder stemt op deze wijze de boete af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten, en houdt daarbij kennelijk zo nodig rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd (artikel 5:46, tweede lid, van de Awb). Met een boete van 50% wordt het in artikel 9.9, eerste lid, van de Wsf 2000 genoemde maximum bedrag van een op dat artikel rustende boete niet overschreden.

15. De rechtbank dient echter wel te beoordelen of eiser omstandigheden aanvoert die ertoe leiden dat de overtreding hem minder zou kunnen worden verweten, of dat er bijzondere omstandigheden zijn die ertoe nopen een lagere boete op te leggen.

De rechtbank overweegt verder dat de hoogte van de boete is geënt op het bedrag waarmee de beurs van eiser is herzien. Dit herzieningsbedrag wordt bepaald door de lengte van de periode waarover de beurs wordt herzien. Deze periode wordt aan de hand van een wettelijke fictie van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000 vastgesteld. Hiervoor is al geconcludeerd dat de uitwonendenbeurs van eiser terecht over de gehele periode vanaf 1 februari 2012 is herzien. Dit ontslaat de rechter echter niet van zijn verplichting om te beoordelen of de boetehoogte gelet op de omstandigheden van het geval een passende sanctie is voor de overtreding (vergelijk een uitspraak van de Hoge Raad van 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1962). De wijze waarop de hoogte van het herzieningsbedrag is berekend (met toepassing van wettelijke fictie van artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000) en de directe doorwerking daarvan op de hoogte van de boete, is een omstandigheid die daarbij in aanmerking moet worden genomen.

15.1.

Eiser heeft met betrekking tot de boete aangevoerd dat verweerder die in strijd met zijn eerdere mededeling in zijn brief van 21 januari 2014 dat het opleggen van een boete zal worden opgeschort in afwachting van de beslissing op het bezwaarschrift tegen de herziening, toch is overgegaan tot het opleggen van een boete. Eiser doet hiermee een beroep op het vertrouwensbeginsel.

In zijn brief van 21 januari 2014 heeft verweerder aan de gemachtigde van eiser meegedeeld dat zijn zienswijze op het voornemen tot het opleggen van een boete was ontvangen. Op dat moment was het boetebesluit van 17 januari 2014 al genomen, omdat zo is naderhand gebleken de reactie van de gemachtigde op het voornemen en het boetebesluit elkaar gekruist hebben. Hoewel dit een ongelukkige gang van zaken genoemd kan worden, maakt dit niet dat verweerder het boetebesluit niet had mogen opleggen of dat eiser aan het gestelde in de brief van 21 januari 2014 het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat er geen boetebesluit genomen zou worden. Daarbij komt dat verweerder bij brief van 31 januari 2014 heeft meegedeeld dat de inning van de boete gedurende de loop van de procedure wordt opgeschort.

16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser verder met het door hem gestelde onvoldoende aangevoerd om de hoogte van de boete als niet passend te beschouwen.

Zoals hiervoor is overwogen rust de bewijslast met betrekking tot de stelling dat eiser niet woonachtig is op het GBA-adres waarop hij staat ingeschreven in eerste instantie op verweerder en niet op eiser. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder in deze bewijslast geslaagd. Kortheidshalve verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor met betrekking tot de herziening van de studiefinanciering van eiser is overwogen.

In het onderhavige geval is voorts niet gebleken van een verminderde verwijtbaarheid of bijzondere omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat verweerder een lagere boete had moeten opleggen.

17. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

18. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.I. Batelaan-Boomsma, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2014.