Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16561

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
28-01-2015
Zaaknummer
C-09-469186 - HA ZA 14-774
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Met arrest Hoge Raad is komen vast te staan dat eiseres de proceskosten van gedaagde in eerste aanleg zonder rechtsgrond heeft betaald. Beroep op onderlinge draagplicht tussen hoofdelijk schuldenaren uit art. 6:10 BW slaagt niet. Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/469186 / HA ZA 14-774

Vonnis van 17 december 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BELEGGINGS- EN BEHEERSMAATSCHAPPIJ DORNICK B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

advocaat mr. S.V.M. Stevens te Nijmegen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEYLENOORD B.V.,

gevestigd te Etten-Leur,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

advocaat mr. P.S. Kamminga te Den Haag.

Partijen zullen hierna Dornick en Deylenoord genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 maart 2014, met producties 1 tot en met 4;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie, met producties A tot en met H;

  • -

    het vonnis van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 juni 2014, waarbij de zaak is verwezen naar de Rechtbank Den Haag;

  • -

    het vonnis van deze rechtbank van 27 augustus 2014, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 28 oktober 2014.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Dornick en drie andere partijen (hierna: [A] c.s.) zijn door Deylenoord en haar bestuurder [B] in 2006 gedagvaard voor de Rechtbank ’s-Gravenhage. Bij vonnis van 7 juli 2010 van die rechtbank zijn Dornick en [A] c.s. in conventie hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Deylenoord van in totaal € 36.591,62. In reconventie is Dornick veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Deylenoord en [B] van in totaal
€ 5.015,50.

2.2.

Op 29 juli 2010 heeft Dornick een bedrag van € 41.607,12 aan proceskosten betaald aan Deylenoord.

2.3.

Dornick is van het vonnis van 7 juli 2010 in hoger beroep gekomen. Bij arrest van 25 september 2012 heeft het Gerechtshof ’s-Gravenhage het vonnis van de rechtbank voor zover in reconventie gewezen in stand gelaten. Het gerechtshof heeft het vonnis van de rechtbank voor zover in conventie gewezen vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van Deylenoord en [B] afgewezen en Deylenoord en [B] veroordeeld in de kosten van het geding in conventie in eerste aanleg aan de zijde van Dornick van in totaal
€ 23.747,62.

2.4.

Deylenoord heeft op 14 december 2012 een bedrag van € 24.283,07, daarin begrepen het hiervoor genoemde bedrag van € 23.747,62, betaald aan Dornick.

2.5.

Deylenoord heeft tegen het arrest van 25 september 2012 beroep in cassatie aangetekend. Bij arrest van 20 december 2013 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen.

2.6.

Bij vonnis van de Rechtbank Den Haag van 22 januari 2013 is Deylenoord op verzoek van Dornick in staat van faillissement verklaard. Bij arrest van 12 maart 2013 heeft het Gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, onder meer het verzoek tot faillietverklaring afgewezen en Dornick veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Deylenoord van € 2.923,=.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

Dornick vordert samengevat - veroordeling van Deylenoord tot betaling van € 38.156,94, vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

Dornick heeft het volgende aan haar vordering ten grondslag gelegd. Met het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2013 is komen vast te staan dat Dornick de proceskosten aan de zijde van Deylenoord in eerste aanleg van € 36.591,62 zonder rechtsgrond aan Deylenoord heeft betaald. Deylenoord dient daarom dat bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2010 (de datum waarop onverschuldigd is betaald) terug te betalen. Daarop strekt in mindering het aan Deylenoord verschuldigde bedrag van € 2.923,=, welk bedrag door middel van verrekening op 14 maart 2013 door Dornick is betaald.

3.3.

Deylenoord voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

Deylenoord vordert samengevat - veroordeling van Dornick tot betaling van € 2.923,= en van € 16.964,75, vermeerderd met rente en kosten.

3.6.

Deylenoord heeft het volgende aan haar vorderingen ten grondslag gelegd. Krachtens het arrest van 12 maart 2013 heeft Deylenoord aanspraak op betaling door Dornick van het bedrag van € 2.923,=. Aan een verzoek tot betaling heeft Dornick geen gevolg gegeven.

Krachtens het arrest van 25 september 2012 heeft Deylenoord € 24.283,07 aan Dornick betaald. Omdat Dornick maar voor € 7.318,32 in de onderlinge draagplicht heeft bijgedragen, is Dornick voor een bedrag van € 16.964,75 (het saldo van € 24.283,07 en € 7.318,32) ongerechtvaardigd verrijkt.

3.7.

Dornick voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Dornick stelt dat zij op 29 juli 2010 het bedrag van € 36.591,62 terzake de proceskosten aan de zijde van Deylenoord van het geding in eerste aanleg zonder rechtsgrond heeft betaald. Met het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2013 is het ongelijk van Deylenoord immers vast komen staan en de rechtsgrond aan de betaling van het bedrag van € 36.591,62 komen te ontvallen, aldus Dornick.

4.2.

Deylenoord heeft daar allereerst tegen aangevoerd dat zij die proceskosten aan Dornick heeft terugbetaald met de betaling van het bedrag van € 24.283,07 op 14 december 2012. Dat verweer slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

4.3.

Bij arrest van 25 september 2012 heeft het hof Deylenoord en [B] veroordeeld in de proceskosten van het geding in eerste aanleg aan de zijde van Dornick. Vast staat dat Deylenoord die proceskosten aan Dornick heeft vergoed door betaling op 14 december 2012. Dornick vordert in deze procedure echter terugbetaling van de door haar betaalde aan de zijde van Deylenoord gevallen proceskosten in eerste aanleg. Daarop ziet de betaling van het bedrag van € 24.283,07 in elk geval niet.

4.4.

Verder heeft Deylenoord als verweer gevoerd dat Dornick als hoofdelijk schuldenares de proceskosten in eerste aanleg aan de zijde van Deylenoord niet alleen namens zichzelf heeft betaald, maar ook namens [A] c.s. (de andere hoofdelijk schuldenaressen). Weliswaar is ook [A] c.s. van het vonnis van 7 juli 2010 in hoger beroep gekomen, maar die procedure ligt stil. Dat betekent dat de veroordeling bij vonnis van 7 juli 2010 van [A] c.s. in de proceskosten aan de zijde van Deylenoord niet is vernietigd en Dornick ten onrechte terugbetaling vordert, aldus Deylenoord. Dornick heeft de stellingen van Deylenoord gemotiveerd weersproken. De rechtbank overweegt het volgende.

4.5.

De constatering van Deylenoord dat het vonnis van 7 juli 2010 slechts is vernietigd in haar rechtsverhouding met Dornick is rechtens juist. Dat betekent dat de veroordeling van [A] c.s. in de proceskosten aan de zijde van Deylenoord onverkort geldt.

Dornick heeft op 29 juli 2010 een bedrag van € 41.607,12 (daarin begrepen eerdergenoemd bedrag van € 36.591,62) vanaf haar eigen bankrekening betaald onder vermelding van “proceskosten”. Deylenoord heeft geen feiten om omstandigheden aangevoerd die tot de conclusie kunnen leiden dat Dornick namens [A] c.s. heeft betaald. Verder betrekt de rechtbank het volgende in de beoordeling.

Artikel 6:7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat indien twee of meer schuldenaren hoofdelijk verbonden zijn, de schuldeiser tegenover ieder van hen recht heeft op nakoming voor het geheel. Bij vonnis van 7 juli 2010 zijn Dornick en [A] c.s. hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van Deylenoord. Op de voet van het bepaalde in artikel 6:7 BW heeft Dornick een eigen verplichting tot betaling aan Deylenoord. Die is zij nagekomen door datgene aan Deylenoord te betalen waartoe zij bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld is.

Met het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2013 is uiteindelijk komen vast te staan dat Dornick in eerste aanleg ten onrechte is veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Deylenoord. Dat betekent dat de rechtsgrond aan de betaling van die proceskosten door Dornick is komen te ontvallen. Aldus is Dornick gerechtigd de terugbetaling daarvan te vorderen. Ook dit verweer van Deylenoord slaagt daarom niet.

4.6.

Tenslotte heeft Deylenoord als verweer gevoerd dat Dornick als hoofdelijk schuldenares slechts € 7.318,32 heeft bijgedragen. Zij kan daarom geen aanspraak maken op een hoger bedrag, aldus Deylenoord. Dornick heeft dit gemotiveerd weersproken. De rechtbank overweegt het volgende.

4.7.

Het verweer van Deylenoord slaagt niet. Deylenoord doet een beroep op het bepaalde in artikel 6:10 BW, dat de onderlinge draagplicht tussen hoofdelijke schuldenaren regelt. Het gaat daarbij om een interne draagplicht, die ziet op de rechtsverhouding tussen hoofdelijke schuldenaren onderling. Als schuldeiser staat Deylenoord daar buiten.

4.8.

Zoals hiervoor overwogen is door het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2013 de rechtsgrond aan het door Dornick betaalde bedrag van € 36.591,62 komen te ontvallen. Dat betekent dat Dornick dat bedrag onverschuldigd heeft betaald aan Deylenoord. De vordering van Dornick zal daarom worden toegewezen met inachtneming van het volgende. Deylenoord zal worden veroordeeld tot betaling van € 36.591,62, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2010 (de datum waarop onverschuldigd is betaald). Daarop strekt in mindering het aan Deylenoord verschuldigde bedrag van
€ 2.923,=, welk bedrag door middel van verrekening op 14 maart 2013 door Dornick is betaald.

4.9.

Deylenoord zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Dornick worden begroot op:

- dagvaarding € 86,65

- griffierecht 1.892,=

- salaris advocaat 1.158,= (2 punten × tarief € 579,=)

Totaal € 3.136,65

in reconventie

4.10.

In reconventie hebben Deylenoord en Dornick geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd dan in conventie.

4.11.

Deylenoord vordert betaling van € 2.923,=. Dornick is bij arrest van het hof van 12 maart 2013 reeds veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan Deylenoord. Bovendien is in conventie overwogen dat deze vordering door middel van verrekening op 14 maart 2013 door Dornick is voldaan. De vordering zal daarom worden afgewezen.

4.12.

Deylenoord vordert verder betaling van € 16.964,75 (het saldo van € 24.283,07 en € 7.318,32). Nu uit hetgeen in conventie is overwogen volgt dat het bedrag van € 24.283,07 terecht door Deylenoord aan Dornick is betaald en de interne draagplicht van hoofdelijke schuldenaren Deylenoord niet regardeert, zal deze vordering ook worden afgewezen.

4.13.

Deylenoord zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Dornick worden begroot op:

- salaris advocaat € 289,50 (1 punt x factor 0,5 x tarief € 579,=)

Totaal € 289,50

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt Deylenoord om aan Dornick te betalen een bedrag van € 36.591,62 (zesendertig duizendvijfhonderdéénennegentig euro en tweeënzestig eurocent), verminderd per 14 maart 2013 met het bedrag van € 2.923,= en vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag van € 36.591,62 met ingang van 29 juli 2010 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt Deylenoord in de proceskosten, aan de zijde van Dornick tot op heden begroot op € 3.136,65,

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4.

wijst de vorderingen af,

5.5.

veroordeelt Deylenoord in de proceskosten, aan de zijde van Dornick tot op heden begroot op € 289,50.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.W. Vogels en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2014.