Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16524

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
26-01-2015
Zaaknummer
C-09-476254 - KG ZA 14-1299
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering van schuldenaar jegens schuldeiser tot medewerking aan totstandkoming onderhandse schuldregeling toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/476254 / KG ZA 14-1299

Vonnis in kort geding van 11 december 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. J.K.S. Verhoek te Bleiswijk, gemeente Lansingerland,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BRAND BIERBROUWERIJ B.V.,

gevestigd te Wijlre en kantoorhoudende en woonplaats hebbende te Zoeterwoude,

gedaagde,

advocaat mr. B. van de Boom te Amsterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘Brand’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 27 november 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

Tot maart 2014 heeft [eiser] een eenmanszaak met de naam ‘InterLab Music’ geëxploiteerd. Binnen deze eenmanszaak organiseerde [eiser] evenementen en heeft hij onder meer zaken gedaan met Brand. Brand heeft in de periode van april tot en met juni 2013 dranken aan [eiser] geleverd. [eiser] heeft een aantal facturen van Brand ter zake van deze leveranties onbetaald gelaten.

1.2.

Over het jaar 2013 heeft [eiser] met de exploitatie van Interlab Music een verlies geleden van € 30.843,96. In totaal heeft [eiser] € 186.842,89 aan schulden, verdeeld over 45 schuldeisers. De vordering van Brand vormt circa 2% van de totale schuldenlast.

1.3.

Een derde heeft een bedrag van circa € 25.000,-- beschikbaar gesteld ter sanering van de schulden heeft [eiser], onder de uitdrukkelijke voorwaarde van totstandkoming van een integraal buitengerechtelijke crediteurenakkoord. Medio maart 2014 heeft [eiser] daartoe [A] Consultancy B.V. (hierna: ‘[A]’) in de arm genomen, die de schuldeisers een onderhandse schuldregeling heeft aangeboden (hierna: ‘de schuldregeling’). De schuldregeling houdt – samengevat – in dat voormeld bedrag van € 25.000,-- tegen finale kwijting onder de schuldeisers wordt verdeeld door middel van betaling van een bedrag ineens. De aan de afzonderlijke schuldeisers uit te keren bedragen variëren van 100% tot 3% van de hoofdsom, afhankelijk van de omvang van de schuld.

1.4.

Bij brief van 10 maart 2014 heeft [A] Brand verzocht met de schuldregeling in te stemmen en meegedeeld dat op grond daarvan, uitgaande van een hoofdsom ter hoogte van € 3.300,--, aan Brand een bedrag van € 860,-- zal worden uitgekeerd. Brand heeft met de schuldregeling niet ingestemd. Naar aanleiding hiervan heeft [A] Brand bij e-mailbericht van 8 september 2014 een nader voorstel gedaan. Ook dit voorstel is door Brand afgewezen.

1.5.

Op 23 mei 2014 heeft Brand [eiser] gedagvaard voor de kantonrechter van deze rechtbank en gevorderd [eiser] te veroordelen tot nakoming van zijn betalingsverplichtingen. Bij vonnis van 25 augustus 2014 heeft de kantonrechter [eiser] veroordeeld om aan Brand te betalen een bedrag van € 3.391,--, te vermeerderen met één procent rente per maand vanaf 1 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met de proceskosten ter hoogte van € 907,77. Brand heeft dit vonnis op 9 september 2014 aan [eiser] doen betekenen en de executie daarvan doen aanzeggen.

1.6.

Sinds 1 juli 2014 is [eiser] op basis van een arbeidsovereenkomst voor 16 uren per week werkzaam bij ‘Stichting Podium Victorie’. Zijn salaris bedraagt thans netto € 955,54 per maand. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van negen maanden.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut, Brand te bevelen om mee te werken aan de totstandkoming van de schuldregeling en daartoe al het noodzakelijke te verrichten, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.2.

Daartoe voert [eiser] – zakelijk weergegeven – aan dat Brand in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen en aldus misbruik van haar bevoegdheid maakt. Het belang van Brand bij volledige voldoening van haar vordering weegt immers niet op tegen het belang van [eiser] om zijn schulden te saneren en de belangen van de overige schuldeisers, die op één na met de schuldregeling hebben ingestemd. [A] is een deskundige partij en de door haar opgestelde schuldregeling voldoet aan de in de jurisprudentie ontwikkelde criteria. Het voormelde bedrag van

€ 25.000,-- zal uitsluitend ter beschikking worden gesteld indien alle schuldeisers instemmen. Het alternatief, de wettelijke schuldsanering overeenkomstig de Wet schuldsanering natuurlijke personen (hierna: ‘de WSNP’), is voor de schuldeisers beduidend minder gunstig nu, gelet op de huidige inkomenspositie van [eiser], naar verwachting na een periode van drie jaren dan slechts € 8.139,60 onder de schuldeisers zal kunnen worden verdeeld. De overige schuldeisers, met uitzondering van schuldeiser ‘Rustfood’, hebben met de schuldregeling reeds ingestemd. Rustfood zal dit alsnog doen als de vordering in de onderhavige zaak jegens Brand wordt toegewezen.

2.3.

Brand voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] een spoedeisend belang bij zijn vordering heeft nu hij stelt dat de overige schuldeisers dreigen hun verleende instemming in te trekken als de schuldregeling niet op korte termijn tot stand kan worden gebracht.

3.2.

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of Brand kan worden gedwongen met de schuldregeling in te stemmen. Bij de toewijzing van een daarop gerichte vordering is terughoudendheid geboden. Uitgangspunt is dat een schuldeiser in beginsel recht heeft op integrale voldoening van zijn vordering en dat een schuldeiser vrij is om al dan niet in te stemmen met een onderhandse schuldregeling. Dit kan slechts uitzondering lijden indien de uitoefening van deze bevoegdheid wordt misbruikt en de schuldeiser aldus naar redelijkheid zijn instemming met de schuldregeling niet kan weigeren, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij daarbij heeft en de belangen van de schuldenaar en/of van de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande als volgt.

3.3.

Hoewel, zoals Brand onweersproken stelt, [A] niet is aangesloten bij een brancheorganisatie voor schuldhulpverlening, komt de door haar opgestelde schuldregeling de voorzieningenrechter voorshands niet ondeugdelijk voor. Het voorstel is genoegzaam onderbouwd en gedocumenteerd en derhalve voor de schuldeisers transparant en controleerbaar. Verder is niet gebleken dat [A] bij de beoordeling van de financiële situatie van [eiser] en de vaststelling van de te hanteren verdeelsleutel (welke overigens door Brand niet is bestreden) niet de van haar te vergen zorgvuldigheid en onafhankelijkheid heeft betracht.

3.4.

In de voorgestelde schuldregeling wordt een bedrag van € 25.000,-- in éénmaal onder de schuldeisers verdeeld. Dit heeft tot gevolg dat alle schuldeisers binnen afzienbare tijd een deel van hun vordering voldaan zien. Bij toepassing van de WSNP – waarbij de voorzieningenrechter anders dan Brand geen reden heeft te veronderstellen dat [eiser] daarvoor niet aanmerking komt – zal daarentegen na ommekomst van drie jaren slechts circa € 8.000,-- onder de schuldeisers kunnen worden verdeeld. Hoewel aan Brand moet worden toegegeven dat laatstgenoemd bedrag is gebaseerd op de huidige deeltijd dienstbetrekking van [eiser] en dus niet valt uit te sluiten dat zijn aflossingscapaciteit bij verkrijging van een voltijd dienstbetrekking zal toenemen, valt in redelijkheid niet te verwachten dat het bedrag van € 25.000,-- per saldo zal worden overtroffen. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de voorgestelde schuldregeling bij de huidige stand van zaken voor de schuldeisers het hoogst haalbare is.

3.5.

Bovendien is van belang dat de vordering van Brand slechts circa 2% van de totale schuldenlast bedraagt en dat de totstandkoming van de schuldregeling mede van de instemming van Brand afhankelijk is. De stelling van [eiser] dat ook Rustfood met de schuldregeling zal instemmen indien Brand in de onderhavige procedure tot instemming zal worden veroordeeld, is door Brand onvoldoende gemotiveerd weersproken.

3.6.

In de voorgestelde schuldregeling is echter ten onrechte niet uitgegaan van de gehele vordering van Brand op [eiser]. Deze bedraagt immers niet € 3.300,--, maar blijkens het vonnis van de kantonrechter € 3.391,--, te vermeerderen met rente en de proceskosten ter hoogte van € 907,77. Het voorstel dient dan ook in die zin te worden aangepast.

3.7.

Na aanpassing van het voorstel en gelet op het voorgaande kan Brand in redelijkheid niet weigeren om aan de schuldregeling mee te werken. Handhaving van de weigering levert misbruik van recht op, zodat de voorzieningenrechter tot toewijzing van de vordering komt.

3.8.

Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gemaximeerd. Voorts zal er worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

3.9.

Brand zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- veroordeelt Brand om mee te werken aan de totstandkoming van de schuldregeling met inachtneming van het overwogene onder 3.6. en daartoe al het noodzakelijke te verrichten;

- bepaalt dat Brand een dwangsom van € 250,-- verbeurt voor iedere dag dat zij, nadat twee dagen zijn verstreken na betekening van dit vonnis, voormelde veroordeling niet nakomt, met een maximum van € 5.000,--;

- bepaalt dat bovenstaande dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 3.8. vermeld;

- veroordeelt Brand in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van [eiser] begroot op € 1.175,52, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 282,-- aan griffierecht en € 77,52 aan dagvaardingskosten;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op

11 december 2014

MvE