Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16509

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-12-2014
Datum publicatie
13-03-2015
Zaaknummer
C-09-474316
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

machtiging tot uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Kinderrechter

Rekestnummers: JE RK 14-2202

Zaaknummers: C/09/474316

Datum beschikking: 30 december 2014

Machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op het op 26 september 2014 ingekomen verzoekschrift van:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, vestiging Den Haag Centrum/Scheveningen (verder: Bureau Jeugdzorg),

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats];

kind uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van:

[A][A],

de vader,

wonende te Den Haag,

en

[B][B],

de moeder,

wonende te [X],

die gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag.

De minderjarige verblijft feitelijk in [een instelling].

Procedure

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 26 september 2014 Bureau Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige uit huis te plaatsen van 26 september 2014 tot 8 oktober 2014 en het verzoek voor het overige aangehouden. Vervolgens heeft de kinderrechter bij beschikking d.d. 6 oktober 2014 Bureau Jeugdzorg gemachtigd de minderjarige uit huis te plaatsen van 6 oktober 2014 tot 1 januari 2015 en het verzoek voor het overige aangehouden tot de onderhavige terechtzitting.

De reden voor de meest recente aanhouding was gelegen in de omstandigheid dat de kinderechter het observatieonderzoek van de minderjarige in [een instelling] wilde afwachten, aan de hand van de resultaten waarvan zou worden bekeken wat de mogelijkheden van terugplaatsing van de minderjarige bij één van de ouders zou zijn. Op de onderhavige zitting zouden de resultaten van het observatieonderzoek, het vervolgtraject en het woonperspectief van de minderjarige kunnen worden besproken.

Voor een overzicht van de feiten en processtukken tot en met 6 oktober 2014, verwijst de kinderrechter naar voornoemde beschikkingen, waarvan de inhoud als hier overgenomen dient te worden beschouwd.

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook het faxbericht d.d. 29 december 2014 van de zijde van Bureau Jeugdzorg, met als bijlagen een verslag d.d. 29 december 2014 van de ontwikkelingen van de minderjarige na de observatieperiode in [een instelling], het eindadvies d.d. 9 december 2014 van [mijnheer X], gedragswetenschapper, en het indicatiebesluit d.d. 28 november 2014.

Op 30 december 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank opnieuw met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- mevrouw [X] en mevrouw [Y] namens Bureau Jeugdzorg;

- de vader met zijn advocaat, mr. E.H. Visser, kantoorhoudende te Den Haag;

- de moeder.

Mr. Visser voornoemd heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

De minderjarige is op 30 december 2014 in raadkamer gehoord.

Verzoek en verweer

Het verzoek, zoals dat thans luidt, strekt tot machtiging de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 19 maart 2015.

Van de zijde van de vader is verweer gevoerd. Hij heeft primair verzocht het verzoek af te wijzen en subsidiair het verzoek voor beperkte duur ter verlenen met opdracht aan Bureau Jeugdzorg de minderjarige op korte termijn thuis te plaatsen, bij de vader.

De moeder heeft eveneens verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden behandeld.

Beoordeling

De moeder heeft aangegeven dat zij graag wil dat de minderjarige weer bij haar komt wonen. Als dat niet mogelijk is vindt zij – zo begrijpt de kinderrechter – het meer in het belang van de minderjarige dat hij bij de vader woont dan dat hij uithuisgeplaatst is.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is naar het oordeel van de kinderrechter gebleken dat een plaatsing bij moeder voorlopig niet aan de orde is. Er is op dit moment sprake van weinig (positief) contact tussen de moeder en de minderjarige en Bureau Jeugdzorg is van mening dat contacten tussen hen voorlopig niet onbegeleid kunnen plaatsvinden. Een thuisplaatsing bij de moeder of het toewerken daarnaar, acht de kinderrechter daarom thans niet in het belang van de minderjarige.

Voor wat betreft plaatsing bij de vader is gebleken dat de vader en Bureau Jeugdzorg van mening verschillen over de vraag of een dergelijke plaatsing op dit moment mogelijk is.

Bij de minderjarige zijn gedurende zijn plaatsing in [een instelling] signalen gerezen die volgens Bureau Jeugdzorg duiden op een verstoorde emotionele ontwikkeling en geparentificeerd gedrag. In [een instelling] lijkt hij meer tot zijn recht te komen en zich beter te ontwikkelen dan tot op heden in de thuissituatie het geval was.

Niet in geschil is dat de vader goed meewerkt aan de hulpverlening en dat er sprake is van een goede band tussen de minderjarige en zijn vader. De minderjarige gaat minstens één keer per week naar hem toe en overnacht daar wekelijks. De vader wil dan ook dat de minderjarige zo spoedig mogelijk naar huis komt en is van mening dat de situatie een uithuisplaatsing niet rechtvaardigt. Bureau Jeugdzorg wil echter wachten op de resultaten van de ambulante begeleiding van vader door Middin, die nog moet starten. Tot die tijd krijgt hij begeleiding van Stichting Mee. Hoewel de vader ondersteund wordt door zijn familie, is er volgens Bureau Jeugdzorg veel voor nodig om de minderjarige bij de vader te plaatsen. De vader heeft hulp nodig bij praktische zaken zoals financiën, het leren omgaan met een (verstandelijke) beperking en ondersteuning bij de opvoeding. Eerst moet duidelijk worden of de vader in staat is de minderjarige het opvoedingsklimaat te bieden dat hij nodig heeft bij het opgroeien naar volwassenheid.

De komende periode wil Bureau Jeugdzorg beoordelen of de minderjarige terug kan naar vader of dat er gezocht moet worden naar een perspectiefbiedend pleeggezin. De plaatsing in [een instelling] eindigt echter binnenkort en de kans is volgens Bureau Jeugdzorg groot dat de minderjarige tussentijds naar een ander (crisis)pleeggezin zal moeten worden overgeplaatst. Om die reden heeft Bureau Jeugdzorg nu reeds een indicatie afgegeven voor pleegzorg. Een netwerkplaatsing is wat Bureau Jeugdzorg betreft niet aan de orde.

De kinderrechter constateert dat het nog geruime tijd zal duren voordat de door Bureau Jeugdzorg noodzakelijk geachte informatie over de (opvoed)vaardigheden van de vader beschikbaar zal zijn. Omdat de minderjarige in de tussentijd niet langer in [een instelling] kan blijven, moet hij worden overgeplaatst naar een (crisis)pleeggezin. Als plaatsing bij de vader vervolgens niet mogelijk blijkt te zijn, moet de minderjarige op termijn overgeplaatst worden naar een perspectiefbiedend pleeggezin.

In die omstandigheden acht de kinderrechter het alternatief van een plaatsing op korte termijn bij de vader, meer in het belang van de minderjarige dan een tijdelijke overplaatsing naar een crisisplek. De kinderrechter is zich bewust van de zorgen die er aan de kant van Bureau Jeugdzorg leven, maar ziet niettemin aanleiding de vader de komende periode de kans te geven om te laten zien dat hij – met inzet van de juiste hulp – in staat is de minderjarige te bieden wat hij nodig heeft. Daarbij overweegt de kinderrechter dat indien een uithuisplaatsing voor langere duur uiteindelijk toch onvermijdelijk blijkt te zijn, het wellicht zal bijdragen aan het acceptatieproces van alle betrokkenen als de plaatsing bij vader in ieder geval is geprobeerd. De kinderrechter zal de huidige machtiging voor korte duur, te weten tot 1 februari 2015, verlengen en deze beperken tot plaatsing in [een instelling], conform het eerder in deze procedure overgelegde indicatiebesluit d.d. 12 september 2014. Op die manier krijgt Bureau Jeugdzorg de mogelijkheid in samenspraak met de vader tijdig de juiste hulp te organiseren en samen met de moeder en het sociale netwerk een veiligheidsplan op te stellen. De kinderechter zal het verzoek voor het overige afwijzen.

Bij verlenging van de ondertoezichtstelling zal het verloop van de plaatsing bij de vader tot dan toe geëvalueerd kunnen worden. Voor zover Bureau Jeugdzorg opnieuw een verzoek strekkende tot een machtiging tot uithuisplaatsing voor de minderjarige noodzakelijk acht, verzoekt de kinderrechter Bureau Jeugdzorg daarbij aan te geven dat de zaak door de meervoudige kamer van de rechtbank behandeld dient te worden.

Derhalve zal worden beslist als na te melden.

Beslissing

De kinderrechter:

machtigt de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden (per 1 januari 2015 geheten “Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden”), de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in voorziening voor crisisopvang [een instelling] van 1 januari 2015 tot 1 februari 2015, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit d.d. 12 september 2014;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 december 2014 in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.