Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16426

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
13-01-2015
Zaaknummer
AWB 12/11033
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:1477, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Richtlijn 2004/38. Verblijfsrecht van derdelander die familielid is van burger van de Unie, in lidstaat van nationaliteit van die burger. Terugkeer van burger van de Unie naar eigen lidstaat. Vervolg op het arrest van 12 maart 2014, C 456/12 inzake O en B.

Voor zover al moet worden aangenomen dat eiser ten tijde van het verblijf van referente in Oostenrijk een van haar afgeleid verblijfsrecht had uit hoofde van artikel 7, tweede lid, van de richtlijn, moet worden geoordeeld dat eiser dit verblijfsrecht ten tijde van het indienen van onderhavige aanvraag (1 februari 2011) niet meer had, omdat referente Oostenrijk reeds in januari 2010 definitief had verlaten. Om die reden kan eiser zich evenmin beroepen op artikel 21, eerste lid, van het VWEU om in Nederland een afgeleid verblijfsrecht te verkrijgen (vergelijk punt 63 van het hiervoor weergegeven arrest).

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000, geldigheid: 2015-01-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/11033

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 december 2014 in de zaak tussen

[eiser], eiser,

(gemachtigde: mr. W. Frouws)

tegen

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. A. Peeters)

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt op grond van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (de richtlijn), afgewezen.

Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 6 maart 2012 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 2 april 2012 tegen dit besluit beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 6 juli 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Bij brief van 19 juli 2012 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Bij brief van 14 november 2012 heeft de rechtbank partijen laten weten dat de behandeling van het beroep door de meervoudige kamer wordt uitgesteld omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de zaak 201011889/1/T1/V4 prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), en de beantwoording van die vragen van belang is voor de uitkomst van de onderhavige procedure.

De zaak is behandeld op de zitting van 15 juli 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook verschenen is [referente] (referente). Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

De feiten

1.1.

Eiser is geboren op [geboortedag] 1977 en in het bezit van de Afghaanse nationaliteit. Hij heeft op 23 maart 2002 in Oostenrijk asiel aangevraagd.

1.2.

Op 25 september 2008 is eiser in het Oostenrijkse Mondsee in het huwelijk getreden met referente, geboren op [geboortedag] 1984 te Kabul in Afghanistan en in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Eiser en referente hebben vanaf 6 oktober 2008 samengewoond in Oostenrijk.

1.3.

Op 6 januari 2010 heeft referente zich in Nederland gevestigd en zich ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA) van de gemeente Gouda. Eiser bleef achter in Oostenrijk.

1.4.

Bij uitspraak van het Asylgerichtshof van 12 april 2010 is aan eiser in Oostenrijk de vluchtelingenstatus verleend met ingang van 15 april 2010.

1.5.

Op [geboortedag] 2010 is de dochter van eiser en referente te Gouda geboren, genaamd [naam] en in het bezit van de Nederlandse nationaliteit.

1.6.

Op 1 februari 2011 heeft eiser zich in Nederland laten inschrijven op hetzelfde adres als referente en hun dochter. Tevens heeft eiser toen de onderhavige aanvraag ingediend. Hij beoogt verblijf bij referente als familielid van een burger van de Europese Unie.

De standpunten van partijen

2.1.

Eiser is van mening dat artikel 7, tweede lid, van de richtlijn analoog van toepassing is op zijn situatie. Hij heeft zich daarbij beroepen op de arresten Metock en Eind (respectievelijk HvJEU 25 juli 2008, C-127/08 en HvJEU 11 december 2007, C-291/05, www.curia.europa.eu), stellende dat indien hij niet op grond van de richtlijn een verblijfsrecht zou krijgen, referente zou worden belemmerd in de uitoefening van haar uit artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voortvloeiende recht van vrij verkeer. Zij zou dan immers bij die uitoefening moeten vrezen dat zij van eiser gescheiden zou kunnen geraken.

2.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de richtlijn niet analoog van toepassing is omdat eiser niet op 6 januari 2010 met referente is teruggekeerd naar Nederland, maar zich pas dertien maanden na het vertrek van referente uit Oostenrijk bij haar in Nederland heeft gevoegd. Eiser heeft gesteld dat de reden daarvoor is gelegen in het feit dat hij nog in afwachting was van de beslissing op zijn Oostenrijkse asielaanvraag en referente, die zwanger was, in Nederland nog geen voor een gezin geschikte behuizing had gevonden. Verweerder acht dat echter geen verschoonbare redenen voor het zich zo laat bij referente in Nederland voegen. Referente is, zo meent verweerder, klaarblijkelijk niet belemmerd geweest in het effectief uitoefenen van haar recht op vrij verkeer; eisers aanwezigheid in Nederland is dus niet noodzakelijk voor die effectieve uitoefening.

De beoordeling

3.1.

In het arrest O. en B. tegen Nederland (HvJEU 12 maart 2014, C-456/12, www.curia.europa.eu) heeft het HvJEU onder meer het volgende overwogen:

“54. Wanneer er in geval van een daadwerkelijk verblijf van een burger van de Unie in het gastland krachtens en onder eerbiediging van artikel 7, leden 1 en 2, van richtlijn 2004/38, aldaar een gezinsleven is opgebouwd of bestendigd, vereist de nuttige werking van de rechten die de betrokken burger van de Unie aan artikel 21, lid 1, VWEU ontleent, dat het gezinsleven dat deze burger in het gastland heeft geleid, kan worden voortgezet bij diens terugkeer in de lidstaat van zijn nationaliteit, middels de toekenning van een afgeleid verblijfsrecht aan het betrokken familielid dat derdelander is. Zonder een dergelijk afgeleid verblijfsrecht zou deze burger van de Unie er immers van worden weerhouden de lidstaat van zijn nationaliteit te verlaten om zijn recht uit te oefenen om krachtens artikel 21, lid 1, VWEU in een andere lidstaat te verblijven, omdat hij niet de zekerheid heeft dat hij in zijn lidstaat van oorsprong een gezinsleven met zijn naaste verwanten dat hij in het gastland heeft opgebouwd of bestendigd, kan voortzetten (…).

(…)

56. Het is dus het daadwerkelijke verblijf van de burger van de Unie en het familielid dat derdelander is, in het gastland, krachtens en onder eerbiediging van de voorwaarden genoemd in lid 1 respectievelijk lid 2 van artikel 7 of van artikel 16 van richtlijn 2004/38, dat bij terugkeer van deze burger van de Unie in de lidstaat van zijn nationaliteit aan de derdelander met wie die burger van de Unie een gezinsleven in het gastland heeft geleid, een afgeleid verblijfsrecht op basis van artikel 21, lid 1, VWEU doet ontstaan.

57. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of referentes O. en B., die burger van de Unie zijn, zich in het gastland hebben gevestigd, en daar dus daadwerkelijk hebben verbleven, en of O. en B. vanwege het tijdens dat daadwerkelijke verblijf geleide gezinsleven krachtens en onder eerbiediging van artikel 7, lid 2, of artikel 16, lid 2, van richtlijn 2004/38 een afgeleid verblijfsrecht hadden in het gastland.

(…)

62. Zoals blijkt uit de punten 21 tot en met 23 van het onderhavige arrest, heeft B. de in artikel 2, punt 2, van richtlijn 2004/38 bedoelde hoedanigheid van familielid van een burger van de Unie verworven op een tijdstip ná het verblijf van referente B. in het gastland.

63. Een derdelander die – althans gedurende een gedeelte van zijn verblijf in het gastland – niet de hoedanigheid had van familielid in de zin van artikel 2, punt 2, van richtlijn 2004/38, had in dat gastland geen recht op een afgeleid verblijfsrecht uit hoofde van artikel 7, lid 2, of artikel 16, lid 2, van richtlijn 2004/38. In die omstandigheden kan die derdelander zich evenmin op artikel 21, lid 1, VWEU beroepen om bij de terugkeer van de betrokken burger van de Unie in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, een afgeleid verblijfsrecht te verkrijgen.”

3.2.

Voor zover al moet worden aangenomen dat eiser ten tijde van het verblijf van referente in Oostenrijk een van haar afgeleid verblijfsrecht had uit hoofde van artikel 7, tweede lid, van de richtlijn, moet worden geoordeeld dat eiser dit verblijfsrecht ten tijde van het indienen van onderhavige aanvraag (1 februari 2011) niet meer had, omdat referente Oostenrijk reeds in januari 2010 definitief had verlaten. Om die reden kan eiser zich evenmin beroepen op artikel 21, eerste lid, van het VWEU om in Nederland een afgeleid verblijfsrecht te verkrijgen (vergelijk punt 63 van het hiervoor weergegeven arrest).

Dit betekent dat de beroepsgrond faalt.

3.3.

Gelet op het voorgaande behoeft de vraag in hoeverre het tijdsverloop tussen de terugkeer van referente naar Nederland en de overkomst van eiser ervoor heeft gezorgd dat eisers mogelijke aanspraken op een verblijfsrecht ontleend aan het Unierecht zijn vervallen, niet te worden beantwoord.

3.4.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de hoorplicht is geschonden.

3.5.

De rechtbank stelt vast dat eiser zijn beroep op het arrest Ruiz Zambrano (HvJEU 8 maart 2011, zaak C-34/09, www.curia.europa.eu) en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ter zitting heeft laten vallen.

3.6.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.H. Rijken-Lie, voorzitter, en mr. H.M.H. de Koning en mr. M. van den Brink, leden, in aanwezigheid van mr. E.C.J. Kohl, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening