Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16403

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
12-01-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 14342 en AWB - 14 _ 14348
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de verblijfsvergunningen voor (on)bepaalde tijd van [naam 1], [naam 2] en hun gezinsleden op grond van de Vreemdelingenwet 2000 ingetrokken en inreisverboden voor twee jaar uitgevaardigd onder verwijzing naar het ‘Bugibba’ onderzoek.

Door eisers is gelet op de aard en de omvang van de overgelegde stukken in samenhang bezien aannemelijk gemaakt dat het bedrijf [naam bedrijf]. reële bedrijfsactiviteiten heeft verricht en dat zij daadwerkelijk al die tijd in Nederland verbleven. Nu aannemelijk is gemaakt dat daadwerkelijk reële bedrijfsactiviteiten werden verricht en dat eisers in Nederland verbleven, is de enkele verwijzing naar het Bugibba-onderzoek onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat sprake is van een schijnconstructie. Over dit Bugibba-onderzoek heeft verweerder immers niet meer overgelegd dan de eerdergenoemde brief van 16 maart 2012 en twee uittreksels, waaruit zou moeten volgen dat de namen van [naam 1], [naam 2] en de onderneming [naam bedrijf]. in de administratie voorkomen. [naam 1], [naam 2] en de onderneming zijn zelf geen voorwerp van onderzoek geweest in het kader van het Bugibba onderzoek. De omstandigheid dat verweerder ongerijmdheden heeft opgemerkt in de informatie die eisers zelf hebben overgelegd in het kader van verschillende aanvragen is naar het oordeel van de rechtbank evenmin voldoende om tot de conclusie te kunnen komen dat sprake is van een schijnconstructie. Hetzelfde geldt voor de stelling van verweerder dat de bedrijfsactiviteiten niet overeenkomen met de bedrijfsomschrijving zoals opgegeven bij de Kamer van Koophandel. Ook in samenhang bezien bieden de voornoemde omstandigheden onvoldoende grond voor de conclusie dat sprake is van een schijnconstructie, nu eisers met de door hen overgelegde stukken aannemelijk hebben gemaakt dat daadwerkelijk reële bedrijfsactiviteiten zijn uitgevoerd. Beroepen gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/14342 (beroep),

AWB 14/14344 (voorlopige voorziening),

AWB 14/14348 (beroep),

AWB 14/14352 (voorlopige voorziening),

V-nrs: [volgnummers] en

V-nrs:[volgnummers],

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 25 november 2014 in de zaak tussen

[naam],

geboren op [geboortedatum 7], eiser en verzoeker, hierna: [naam],

[naam 1],

geboren op [geboortedatum 1], eiseres en verzoekster, hierna: [naam 1],

[naam 2],

geboren op [geboortedatum 2], eiser en verzoeker, hierna:[naam 2],

en [naam 3],

geboren op [geboortedatum 3], eiseres en verzoekster, hierna:[naam 3],

allen van Chinese nationaliteit, tezamen ook: eisers A

(gemachtigde: mr. P.J. Krop),

en

[naam 3],

geboren op[geboortedatum 4], eiser en verzoeker, hierna:[naam 4],

[naam 5],

geboren op[gebioortedatum 5], eiseres en verzoekster, hierna: [naam 5],

en[naam 6][naam 6],

geboren op [geboortedatum 6], eiser en verzoeker, [naam 6],

allen van Chinese nationaliteit, tezamen ook: eisers B

(gemachtigde: mr. P.J. Krop),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Beening).

Procesverloop

In de zaken geregistreerd onder nummers AWB 14/14342 en AWB 14/14344

Bij afzonderlijke besluiten van 5 september 2013 heeft verweerder de verblijfsvergunningen voor (on)bepaalde tijd als bedoeld in artikelen 14 en 20 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 van eisers A met terugwerkende kracht ingetrokken per datum eerste verlening en inreisverboden voor twee jaar opgelegd. Verweerder heeft het daartegen gemaakte bezwaar bij besluit van 16 juni 2014 (het bestreden besluit A) ongegrond verklaard.

Op 18 juni 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van eisers A ontvangen. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In de zaken geregistreerd onder nummers AWB 14/14348 en AWB 14/14352

Bij afzonderlijke besluiten van 4 november 2013 heeft verweerder de verblijfsvergunningen voor (on)bepaalde tijd als bedoeld in artikelen 14 en 20 van de Vw 2000 van eisers B met terugwerkende kracht ingetrokken per datum eerste verlening en inreisverboden voor twee jaar opgelegd. Verweerder heeft het daartegen gemaakte bezwaar bij besluit van 16 juni 2014 (het bestreden besluit B) ongegrond verklaard.

Op 18 juni 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van eisers B ontvangen. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

In alle zaken

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting op 16 september 2014. Eisers A en eisers B zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en mr. J.A. Kroes, kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M.C. Ho, beëdigd tolk in de Chinese taal.

Overwegingen

Ten aanzien van de beroepen

1.1.

[naam] had met ingang van 28 maart 2001 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, eerst onder de beperking ‘arbeid in loondienst bij [bedrijf]’ op grond van zijn functie als [functie] bij [naam bedrijf] en vervolgens onder de beperking ‘arbeid in loondienst bij [naam bedrijf]’. Vanaf 23 juni 2006 had [naam] een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. [naam 1] had met ingang van 5 augustus 2008 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot [naam]’. De kinderen [naam] hadden met ingang van respectievelijk 2 augustus 2010 en 7 november 2011 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘gezinshereniging bij ouder[naam]’.

1.2.

[naam 3] had vanaf 20 maart 2001 verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd, eerst onder de beperking ‘arbeid in loondienst bij [bedrijf]’ op grond van zijn functie als[functie] bij [naam bedrijf] en vervolgens onder de beperking ‘arbeid in loondienst bij [naam bedrijf]’. Vanaf 8 juni 2006 had[naam 3] een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.[naam 5] had een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘gezinshereniging bij ouder [naam 3]’ met ingang van 25 oktober 2006. Vanaf 25 augustus 2011 had hij een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’.[naam 6] had een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder de beperking ‘gezinshereniging bij ouder(s) [naam 3]’ met ingang van 22 augustus 2002. Vanaf 30 september 2011 had zij een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd met de aantekening ‘EG-langdurig ingezetene’.

1.3.

Medio 2010 is de SIOD recherche (thans Inspectie SZW) een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de projectnaam ‘Bugibba’ naar verondersteld misbruik van de regelingen ‘Arbeid in loondienst’, ‘Kennismigranten’ en ‘Gezinsherenigers’ in de periode van 1 januari 2006 tot en met 11 januari 2011. Bij brief van 16 maart 2012 heeft de Inspectie SZW verweerder informatie verstrekt over dit onderzoek. De conclusie van het onderzoek is dat in Bugibba een dadergroep van tenminste zes deelnemers actief is. Door misbruik van de genoemde regelingen zijn personen met een Chinese nationaliteit in staat gesteld een arbeids- en verblijfsverleden in Nederland op te bouwen kennelijk met het doel om na vijf jaar een permanente verblijfstatus te verkrijgen. De dadergroep gebruikte 309 rechtspersonen, waaraan 850 natuurlijke personen zijn gekoppeld. Deze constructie werd minstens vanaf 2001 gebruikt. De namen van [naam] en [naam 3] en het bedrijf [naam bedrijf] zijn aangetroffen in de administratie van de dadergroep.

1.4.

Verweerder heeft uit het onderzoek de conclusie getrokken dat bij indiening van de aanvragen voor de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, de verlengingsaanvragen en de aanvragen om een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd opzettelijk onjuiste gegevens zijn verstrekt dan wel opzettelijk gegevens zijn achtergehouden, terwijl die gegevens tot afwijzing van deze aanvragen of de verlengingen zouden hebben geleid.[naam] en [naam 3] hebben feitelijk nooit recht gehad op de verleende verblijfsvergunning en ook nooit voldaan aan de beperking, omdat de onderneming [naam bedrijf] waarmee zij een arbeidsovereenkomst zouden zijn aangegaan feitelijk niet bestaat, omdat geen sprake is van (reële) bedrijfsactiviteiten en/of (reële) omzet. Dit alles wordt door verweerder gezien als een schijnconstructie.

1.5.

Bij afzonderlijke brieven van 15 juli 2013 heeft verweerder eisers A en eisers B op de hoogte gesteld van het voornemen de verblijfsvergunningen in te trekken en inreisverboden uit te vaardigen. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld hebben eisers A geen zienswijze ingediend. Eisers B hebben op 9 september 2013 een zienswijze ingediend.

1.6.

Bij besluit van 5 september 2013 heeft verweerder de aan [naam] verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000 met terugwerkende kracht met ingang van 23 juni 2006 ingetrokken, de aan hem verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 met terugwerkende kracht per 28 maart 2001 ingetrokken, de vertrektermijn verkort naar nul dagen en een inreisverbod voor twee jaar uitgevaardigd op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000.

1.7.

Daarnaast heeft verweerder bij afzonderlijk besluit van 5 september 2013 de aan [naam 1] verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met ingang van 5 augustus 2008 ingetrokken, de vertrektermijn verkort naar nul dagen en aan haar een inreisverbod voor twee jaar uitgevaardigd. Voorts heeft verweerder bij hetzelfde besluit de aan [naam] verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met ingang van 2 augustus 2010 ingetrokken, de aan [naam] verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met ingang van 7 november 2011 ingetrokken en ten aanzien van beiden de vertrektermijn verkort naar nul dagen.

1.8.

Bij het besluit van 4 november 2013 heeft verweerder de aan[naam 3] verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000 met terugwerkende kracht met ingang van 8 juni 2006 ingetrokken, de aan hem verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 met terugwerkende kracht vanaf 20 maart 2001 ingetrokken, de vertrektermijn verkort naar nul dagen en een inreisverbod voor twee jaar uitgevaardigd op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw 2000.

1.9.

Bij afzonderlijke besluiten van 4 november 2013 heeft verweerder de aan [naam 5] verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000 met terugwerkende kracht met ingang van 25 augustus 2011 ingetrokken, de aan hem verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 met terugwerkende kracht vanaf 25 oktober 2006 ingetrokken, de vertrektermijn verkort naar nul dagen en een inreisverbod voor twee jaar uitgevaardigd.

1.10.

Daarnaast heeft verweerder bij besluit van eveneens 4 november 2013 de aan [naam 5] verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vw 2000 met terugwerkende kracht met ingang van 30 september 2011 ingetrokken, de aan haar verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 vanaf 22 augustus 2002 ingetrokken, de vertrektermijn verkort naar nul dagen en een inreisverbod voor twee jaar uitgevaardigd.

2. Bij de bestreden besluiten A en B heeft verweerder de bezwaren van respectievelijk eisers A en eisers B tegen de hiervoor genoemde primaire besluiten ongegrond verklaard en de beslissing gehandhaafd. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het aantreffen van de namen van[naam]en[naam 3] en het bedrijf [naam bedrijf] in de administratie van de dadergroep voldoende aanleiding is om een voornemen tot intrekking van de verblijfsvergunningen uit te laten gaan. Eisers A en eisers B hebben in bezwaar onvoldoende stukken overgelegd om te onderbouwen dat wel sprake is van daadwerkelijke substantiële bedrijfsactiviteiten van [naam bedrijf] en dat geen sprake van een schijnconstructie. Daarnaast heeft verweerder een aantal ongerijmdheden geconstateerd op basis van de informatie die eisers A en eisers B in de loop der jaren hebben verstrekt bij het indienen van de (vervolg)aanvragen.
Zo is [naam] aangetrokken voor de functie ‘[functie]’ bij [naam bedrijf] Op de mvv-adviesaanvraag van 20 november 2000, de overgelegde werkgeversverklaring van 4 december 2000 en de TWV-aanvraag van 8 december 2000 zijn echter afwijkende aanstellingen (ingangsdata en duur van het contract) en geboorteplaatsen voor hem ingevuld. Het salaris van[naam] laat in deze stukken opvallende stijgingen en dalingen zien. De stukken bij de verlengingsaanvragen van 13 november 2003, 18 januari 2005, 11 oktober 2005 en de aanvraag voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd van 23 juni 2006 laten weer andere data en bedragen zien, net als de stukken bij de mvv‑adviesaanvragen voor [naam 1] van 6 februari 2007 en 19 december 2007 en de mvv‑adviesaanvragen voor[naam] van 10 februari 2010 en 22 februari 2010. Van de arbeidsovereenkomst die getekend werd op 22 december 2003 zijn twee verschillende versies aanwezig.
[naam 3] is aangetrokken voor de functie ‘[functie]’ bij [naam bedrijf] Op de mvv-adviesaanvraag van 20 november 2000, de overgelegde werkgeversverklaring van 4 december 2000 en de TWV-aanvraag van 8 december 2000 zijn echter afwijkende aanstellingen (ingangsdata en duur van het contract) voor hem ingevuld. Het salaris van [naam 3] laat in deze stukken opvallende stijgingen en dalingen zien. De stukken bij de mvv-aanvraag van de echtgenote van [naam 3] van 24 september 2001 laten weer andere data en bedragen zien, net als de stukken bij de verlengingsaanvraag van [naam 3] van 30 oktober 2003, de verlengingsaanvragen van hem en zijn gezinsleden van 27 september 2004, 2 oktober 2005, de mvv-aanvraag van[naam 5] van 20 maart 2006 en de aanvragen voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd van [naam 4] en zijn gezinsleden van 12 juni 2008 en die van [naam 5] van 29 augustus 2011.

3. Eisers A en eisers B voeren, kort samengevat, de volgende gronden aan. Er is sprake van een reëel dienstverband en van reële bedrijfsactiviteiten. Dit blijkt uit de stukken die in bezwaar zijn overgelegd. Daarom heeft verweerder niet voldaan aan de op hem rustende bewijsplicht.[naam] en [naam 4] worden beschermd door de twaalf jarentermijn. Ten slotte betekent de omstandigheid dat [naam bedrijf] ook andere werkzaamheden heeft verricht dan in de Kamer van Koophandel is vermeld, niet dat niet aan de beperking is voldaan. Die omstandigheid vormt geen reden de verblijfsvergunningen in te trekken.

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat de brief van 16 maart 2012 van de inspectie SZW weliswaar voldoende is om een vermoeden van een schijnconstructie op te baseren, maar dat deze enkele brief als zodanig onvoldoende grondslag biedt voor het intrekken van de verblijfsvergunningen van eisers A en eisers B. Eisers A en eisers B hebben ten bewijze van de bedrijfsactiviteiten van [naam bedrijf] en hun feitelijke aanwezigheid in Nederland een grote hoeveelheid stukken overgelegd, die met name zien op de jaren 2001, 2002 en 2003. Dit betreft onder meer jaarstukken met grootboekoverzicht, nota’s van de onderneming, rekeningafschriften van de onderneming, stukken van de belastingdienst en diverse stukken die betrekking hebben op henzelf. Zo zijn kopieën overgelegd van salarisspecificaties uit 2001 en 2002 van [naam] en [naam 4], (persoonlijke) bankafschriften uit 2002 en 2003 van[naam], en een cijferlijst van de door [naam] op 30 november 2004 afgelegde Trajecttoets NT2. Ook zijn foto’s van de onderneming overgelegd en een krantenartikel uit 2003 met een foto van[naam 4]. Verder zijn kopieën van schooldiploma’s en rapporten van de kinderen van [naam 4] overgelegd en documenten waaruit blijkt dat[naam 4] en zijn vrouw in 2003 aan het onderwijs in de Nederlandse taal hebben deelgenomen. Daarnaast hebben zij de jaarstukken van 2004 tot en met 2011 overgelegd. Eisers A en eisers B hebben gesteld dat zij zich, mede gezien de veelheid van de stukken, vooral gericht hebben op de jaren 2001 tot en met 2003 omdat de beginjaren volgens de primaire besluiten cruciaal blijken te zijn. Eisers A en eisers B hebben aangegeven, indien verweerder dat noodzakelijk acht, over de jaren vanaf 2004 meer stukken te kunnen leveren.

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is door eisers A en B gelet op de aard en de omvang van de overgelegde stukken in samenhang bezien aannemelijk gemaakt dat het bedrijf [naam bedrijf] reële bedrijfsactiviteiten heeft verricht en dat zij daadwerkelijk al die tijd in Nederland verbleven. Daarbij acht de rechtbank van belang dat ook diverse stukken uit objectieve en verifieerbare bron zijn geleverd zoals bijvoorbeeld belastingaanslagen en bankafschriften, die nader onderzocht kunnen worden.

4.3.

Nu aannemelijk is gemaakt dat daadwerkelijk reële bedrijfsactiviteiten werden verricht en dat eisers A en eisers B in Nederland verbleven, is de enkele verwijzing naar het Bugibba-onderzoek onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat sprake is van een schijnconstructie. Over dit Bugibba-onderzoek heeft verweerder immers niet meer overgelegd dan de eerdergenoemde brief van 16 maart 2012 en twee uittreksels, waaruit zou moeten volgen dat de namen van [naam], [naam 4] en de onderneming [naam bedrijf] in de administratie voorkomen. [naam], [naam 4] en de onderneming zijn zelf geen voorwerp van onderzoek geweest in het kader van het Bugibba onderzoek. De omstandigheid dat verweerder ongerijmdheden heeft opgemerkt in de informatie die eisers zelf hebben overgelegd in het kader van verschillende aanvragen is naar het oordeel van de rechtbank evenmin voldoende om tot de conclusie te kunnen komen dat sprake is van een schijnconstructie. Hetzelfde geldt voor de stelling van verweerder dat de bedrijfsactiviteiten niet overeenkomen met de bedrijfsomschrijving zoals opgegeven bij de Kamer van Koophandel. Ook in samenhang bezien bieden de voornoemde omstandigheden onvoldoende grond voor de conclusie dat sprake is van een schijnconstructie, nu eisers A en eisers B met de door hen overgelegde stukken aannemelijk hebben gemaakt dat daadwerkelijk reële bedrijfsactiviteiten zijn uitgevoerd.

4.4.

De intrekking van een verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd is een belastend besluit, waarvoor de criteria ten tijde van het bestreden besluit zijn neergelegd in de artikelen 18, 19, 22 en 45d van de Vw 2000.
Op grond van artikel 45d lid 3, aanhef en onder b, Vw 2000 wordt de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezeten ingetrokken indien de verblijfsvergunning op frauduleuze wijze is verkregen. Op grond van artikel 22, eerste lid onder b, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 worden ingetrokken of gewijzigd indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen zouden hebben geleid. Op grond van artikel 19 in samenhang met artikel 18, eerste lid onder c, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.
Verweerder dient daarom gemotiveerd aan te geven op grond van welke feiten en omstandigheden aan die criteria is voldaan. Dat betekent dat verweerder bij intrekking van vergunningen voor onbepaalde tijd voor EU-langdurig ingezetenen in ieder geval dient te motiveren welke gegevens opzettelijk onjuist zijn verstrekt en waarom deze gegevens onjuist zijn. Verder dient verweerder bij alle intrekkingen te motiveren waarom geen verblijfsvergunning zou zijn verleend of de verleende vergunning niet zou zijn verlengd, indien de juiste gegevens waren overgelegd. Verweerder heeft dat niet gedaan, maar de intrekkingen louter gebaseerd op het Bugibba onderzoek en de onder 4.3 besproken omstandigheden, zonder te onderbouwen dat daarmee aan de criteria voor intrekking is voldaan.

5.

5.1.

Gelet op het voorgaande kunnen het bestreden besluit A en het bestreden besluit B niet in rechte stand houden. De rechtbank zal de beroepen dan ook gegrond verklaren. Nu verweerder nader onderzoek dient te verrichten, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank zal daarom verweerder opdracht geven binnen zes weken na verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Verweerder zal bij de nieuw te nemen besluiten op bezwaar opnieuw in dienen te gaan op het bepaalde in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5.2.

Verweerder heeft ter zitting verzocht om toepassing van de bestuurlijke lus als bedoeld in artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gezien de aard en de omvang van de geconstateerde gebreken leent het onderhavige geschil zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor toepassing van de bestuurlijke lus.

6.1

Met het oog op finale geschilbeslechting merkt de rechtbank nog het volgende op. Bij de intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van het verstrekken van onjuiste gegevens is verweerder gehouden aan de twaalf jarentermijn als bedoeld in artikel 3.84 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000. De rechtbank is van oordeel dat uit de Nota van Toelichting (Stb. 2000, 497) bij deze bepaling volgt dat de periode van twaalf jaren wordt berekend vanaf de datum van beslissing tot het verlenen van de verblijfsvergunning. Dit betekent dat artikel 3.84 Vb 2000 in de weg staat aan intrekking op grond van het verstrekken van onjuiste gegevens van de eerste verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd die aan [naam] en [naam 4] zijn verleend met ingang van respectievelijk 28 maart 2001 en 20 maart 2001. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat deze eerste verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd ook niet zijn ingetrokken op de grond dat onjuiste gegevens zijn verstrekt, maar omdat niet aan de beperking is voldaan. Vanaf de eerste verlenging van de verblijfsvergunningen per 22 december 2003, zijn de intrekkingen gebaseerd op het verstrekken van onjuiste gegevens.

6.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat[naam] en [naam 4] niet voldeden aan de beperking waaronder de verblijfsvergunningen van respectievelijk 28 maart 2001 en 20 maart 2001 zijn verleend, omdat de bedrijfsactiviteiten niet overeenkomen met de bedrijfsomschrijving zoals opgegeven bij de Kamer van Koophandel en er bijzonderheden en discrepanties in de inkomensbescheiden zijn geconstateerd. Verweerder heeft daarbij verwezen naar het doel waarvoor de TWV destijds is afgegeven.

6.3

De rechtbank stelt vast dat aan [naam] op 28 maart 2001 en aan [naam 4] op 20 maart 2001 een verblijfsvergunning is verleend, beide onder de beperking ‘arbeid in loondienst bij [bedrijf]’ en met ingang van 22 december 2003 onder de beperking ‘arbeid in loondienst bij [naam bedrijf]’. De verblijfsvergunning bij [naam] is verleend op basis van een TWV voor het verrichten van arbeid als [functie] bij [naam bedrijf] en bij [naam 4] op basis van een TWV voor het verrichten van arbeid als[functie] van [naam bedrijf] Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom [naam] en[naam 4] daaraan niet hebben voldaan. De enkele stelling dat [naam] en [naam 4] nooit hebben gewerkt in die functies is, gelet op de door eisers overgelegde stukken, daarvoor onvoldoende.

Ten aanzien van de verzoeken om een voorlopige voorziening

7. De gevraagde voorzieningen strekken er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. De rechtbank heeft heden op de beroepen beslist, zodat er geen aanleiding bestaat voor het treffen van de gevraagde voorzieningen. De verzoeken zullen derhalve worden afgewezen. Nu de rechtbank de beroepen gegrond heeft verklaard en de bestreden besluiten heeft vernietigd, ziet de rechtbank evenmin aanleiding een voorziening te treffen met toepassing van artikel 8:72, vijf de lid, van de Awb.
Ten aanzien van de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers A en eisers B gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zowel voor eisers A als voor eisers B vast op € 1.217,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting gelet op de gevoegde behandeling en de samenhang tussen de zaken, met een waarde per punt van € 487,--, en een wegingsfactor 1). Tevens dient verweerder zowel aan eisers A als aan eisers B het door hen betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaken geregistreerd onder nummers: AWB 14/14342 en AWB 14/14348,

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit A en het bestreden besluit B;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaken geregistreerd onder nummers: AWB 14/14344 en AWB 14/14352,

- wijst de verzoeken af.

De rechtbank/voorzieningenrechter,

in beide zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 330,-- (zegge: driehonderd dertig euro) aan eisers A te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers A tot een bedrag van € 1.217,50 (zegge: een duizend tweehonderd zeventien euro en vijftig cent);

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 330,-- (zegge: driehonderd dertig euro) aan eisers B te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers B tot een bedrag van € 1.217,50 (zegge: een duizend tweehonderd zeventien euro en vijftig cent).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Spoel, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EKS

Coll.: MvM

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.