Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16369

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
19-01-2015
Zaaknummer
AWB-14_15286u
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:2540, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoekster heeft, mede namens haar minderjarige kinderen van acht en zeven jaar, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat Italië verantwoordelijk is. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat vast kan worden gehouden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië en dat in de persoonlijke omstandigheden van verzoekster geen aanleiding wordt gezien om de verantwoordelijkheid voor haar asielaanvraag op zich te nemen.

Uit antwoorden op Kamervragen van 2 juli 2014 (kenmerk 2014Z10275) blijkt dat verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van een verzoek om voorlopige voorziening, indien het gaat om een familie met een kind jonger dan vijf jaar. Verweerder verzet zich wel tegen toewijzing van een voorlopige voorziening in de zaak van verzoekster omdat haar kinderen ouder zijn dan vijf jaar. Verweerder heeft in de antwoorden op de Kamervragen echter niet gemotiveerd waarom de leeftijdsgrens op vijf jaar is gesteld. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde daartoe verwezen naar de bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanhangige zaak Tarakhel (nr. 29217/12). Die zaak biedt volgens de voorzieningenrechter echter geen aanknopingspunten voor verweerders standpunt. Het enkele feit dat het jongste kind van het gezin Tarakhel ten tijde van het indienen van de klacht jonger dan vier jaar is, is daartoe onvoldoende. Verder blijkt niet uit de brief van het EHRM van 20 maart 2014 aan het ministerie van Buitenlandse Zaken van Denemarken dat een leeftijdsgrens wordt gehanteerd ten aanzien van minderjarige kinderen.

Nu het EHRM nog geen uitspraak heeft gedaan in de zaak Tarakhel, verzoekster een alleenstaande moeder is die de zorg draagt voor twee minderjarige kinderen van acht en zeven jaar oud, en een gemotiveerd standpunt van verweerder omtrent de door hem gehanteerde leeftijdsgrens van vijf jaar ontbreekt, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/15286

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juli 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. V.A.M.W. ‘t Hoen).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd verzoekster

een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) te verlenen.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (AWB 14/15284). Zij heeft

verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen

(AWB 14/15286).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2014. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk was ter zitting aanwezig Y. E-Rramdani.

Overwegingen

1.Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – voor zover hier van belang – kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De voorzieningenrechter concludeert allereerst dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit terwijl deze rechtbank bevoegd is in de hoofdzaak. Voorts staat voldoende vast dat sprake is van een spoedeisend belang bij dit verzoek. De afwijzing van de aanvraag heeft immers tot gevolg dat verzoekster Nederland moet verlaten. Het door verzoekster ingediende beroep schort dit rechtsgevolg niet op. Dit betekent echter niet zonder meer dat een voorlopige voorziening dient te worden getroffen.

De voorzieningenrechter zal daarom een voorlopig oordeel geven over de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

3. Verzoekster is geboren op [geboortedag 1] 1971 en in het bezit van de Syrische nationaliteit. Op 15 april 2014 heeft zij, mede namens haar minderjarige kinderen [naam1] (geboren op [geboortedag 2] 2006) en [naam2] (geboren op [geboortedag 3] 2007), die ook de Syrische nationaliteit hebben, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij het bestreden besluit afgewezen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, omdat Italië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van verzoekster. Uit verklaringen van verzoekster alsmede uit overgelegd indicatief bewijs, te weten treinkaartjes, is gebleken dat verzoekster de buitengrens van de lidstaten op illegale wijze heeft overschreden via Italië. Gelet op het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder b, van Verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublin III Verordening) heeft verweerder geconcludeerd dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming bij een ander land ligt. Verweerder heeft vervolgens op

22 april 2014 de Italiaanse autoriteiten verzocht verzoekster terug te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Dublin III Verordening. Op 13 mei 2014 hebben de Italiaanse autoriteiten met dit verzoek ingestemd. In hetgeen verzoekster heeft aangevoerd heeft verweerder geen concrete aanwijzingen gezien voor een verdragsschending, noch van een situatie op grond waarvan Nederland de behandeling van het asielverzoek (onverplicht) aan zich had moeten trekken.

4. Verzoekster kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Hiertoe heeft zij – samengevat weergegeven – betoogd dat Nederland niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Verzoekster vreest dat zij met twee jonge kinderen na overdracht aan de Italiaanse autoriteiten in een situatie komt te verkeren die in strijd is met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dit verband heeft verzoekster verwezen naar de bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) aanhangige zaak Tarakhel tegen Zwitserland (nr. 29217/12) en een aantal door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) op 5 juni 2014

(nr. 201403712/1/V4), 13 juni 2014 (nr. 201404312/2), 10 juni 2014 (nr. 201404115/3/V4)

en 2 juli 2014 (nr. 201402713/2/V4 en nr. 20140395/2/V4) toegewezen voorlopige voorzieningen in met haar zaak vergelijkbare zaken. Verzoekster vindt het verder onbegrijpelijk dat verweerder blijkens de antwoorden op Kamervragen over het terugsturen van minderjarige kinderen naar Italië van 2 juli 2014 (kenmerk 2014Z10275) enerzijds het ongemotiveerde standpunt inneemt dat overdracht aan Italië van gezinnen met jonge kinderen in voorkomende gevallen verantwoord acht, en anderzijds aangeeft zich niet te zullen verzetten tegen toewijzing van een verzoek om voorlopige voorziening. Voorts heeft verzoekster verwezen naar meerdere rapporten. Tot slot heeft verzoekster verwezen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van

18 juni 2014 (AWB 14/9714) en van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 26 juni 2014 (AWB 14/14068).

5. Verweerder heeft zich (ook) ter zitting op het standpunt gesteld dat vast kan worden gehouden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië en dat in de persoonlijke omstandigheden van verzoekster geen aanleiding wordt gezien om de verantwoordelijkheid voor haar asielaanvraag op zich te nemen.

6. Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening zijn de volgende bepalingen van belang.

7. Ingevolge artikel 3 van het EVRM mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

8. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag, ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

9. In het geval van verzoekster is de Dublin III Verordening van toepassing bij het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat.

10. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Dublin III Verordening behandelen de lidstaten elk verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze op het grondgebied van een van de lidstaten wordt ingediend, inclusief aan de grens of in de transitzones. Het verzoek wordt door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III genoemde criteria verantwoordelijk is.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Dublin III Verordening kan elke lidstaat, in afwijking van artikel 3, eerste lid, besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Dublin III Verordening, berust, wanneer aan de hand van bewijsmiddelen of indirect bewijs, zoals omschreven in de twee in artikel 22, derde lid, van de Verordening genoemde lijsten, inclusief de gegevens zoals bedoeld in Verordening 603/2013/EU, is vastgesteld dat een verzoeker op illegale wijze de grens van een lidstaat heeft overschreden via het land, de zee of de lucht of komende vanuit een derde land, de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming bij die lidstaat. Die verantwoordelijkheid eindigt twaalf maanden na de datum waarop de illegale grensoverschrijding heeft plaatsgevonden.

11. Niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van verzoekster. Wat partijen verdeeld houdt is de vraag of verweerder, gelet op hetgeen verzoekster heeft aangevoerd, kan vasthouden aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië alsmede de vraag of verweerder gelet op de persoonlijke omstandigheden van verzoekster de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag van verzoekster op zich dient te nemen.

12. Zoals blijkt uit paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, maakt verweerder terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het asielverzoek hier te lande te behandelen op grond van artikel 3, tweede lid, van de Verordening. De bevoegdheid wordt in ieder geval gebruikt in de volgende situaties:

- er zijn concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt;

- bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de asielzoeker aan de voor de behandeling van het asielverzoek verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.

13.Het ligt op de weg van de vreemdeling om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM wordt weerlegd. Hiervan is sprake als de vreemdeling aannemelijk maakt dat in de asielprocedure van de verantwoordelijke lidstaat ten aanzien van de vreemdeling niet zal worden onderzocht en vastgesteld of er sprake is van een schending van het Vluchtelingenverdrag

of artikel 3 van het EVRM.

14. Uit de antwoorden op voormelde Kamervragen van 2 juli 2014 blijkt dat verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van een verzoek om voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter, indien het gaat om een familie met een kind jonger dan vijf jaar dan wel indien bij een van de familieleden sprake is van een ernstige lichamelijke of geestelijke ziekte. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat verweerder zich in het geval van verzoekster wel verzet tegen toewijzing van een verzoek om voorlopige voorziening, nu haar kinderen acht en zeven jaar oud zijn en dus ouder zijn dan vijf jaar. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder in de antwoorden op voornoemde Kamervragen van 2 juli 2014 echter niet heeft gemotiveerd waarom de leeftijdsgrens op vijf jaar is gesteld. Verweerders gemachtigde heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat deze leeftijdsgrens is gesteld naar aanleiding van voornoemde bij het EHRM aanhangige zaak Tarakhel. Deze zaak ziet op een Afghaans gezin bestaande uit een vader, een moeder en vijf minderjarige kinderen die zijn geboren in 1999, 2001, 2003, 2005 en 2008, die asiel hebben gevraagd in Zwitserland waarbij die aanvraag in 2012 is afgewezen en zij overgedragen zullen worden aan Italië. Ten tijde van het indienen van de klacht bij het EHRM was het jongste kind vier jaar oud. Volgens verweerders gemachtigde blijkt uit die zaak dat de leeftijdsgrens op vijf jaar gesteld dient te worden. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat voormelde zaak geen aanknopingspunten biedt voor dat standpunt. Het enkele feit dat het jongste kind ten tijde van het indienen van de klacht jonger dan vijf jaar was, is daartoe onvoldoende. De voorzieningenrechter acht voorts van belang dat het EHRM in een brief van 20 maart 2014 aan het ministerie van Buitenlandse Zaken van Denemarken heeft geschreven dat, afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval, interim maatregelen getroffen zullen worden in zaken van gezinnen die in een overeenkomstige situatie verkeren als het gezin in de zaak Tarakhel. Het EHRM heeft hierbij niet aangegeven een leeftijdsgrens ten aanzien van minderjarige kinderen te hanteren.

15. Nu het EHRM nog geen uitspraak heeft gedaan in de zaak Tarakhel, verzoekster een alleenstaande moeder is die de zorg draagt voor twee minderjarige kinderen van acht en zeven jaar oud, en een gemotiveerd standpunt van verweerder omtrent de door hem gehanteerde leeftijdsgrens van vijf jaar ontbreekt, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding te oordelen dat op voorhand kan worden gesteld dat het bestreden besluit in de hoofdzaak de rechterlijke toets zal kunnen doorstaan. Niet gezegd kan dan ook worden dat het beroep van verzoekster geen redelijke kans van slagen heeft. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom worden toegewezen, in die zin dat verzoekster en haar minderjarige kinderen de behandeling van het beroep tegen het bestreden besluit in Nederland mogen afwachten.

16. De voorzieningenrechter ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten wegens verleende rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 974,= (één punt voor het indienen van het verzoek en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,= en een wegingsfactor één). Omdat aan verzoekster geen toevoeging is verleend, dient het bedrag van de kosten aan haar te worden betaald.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

  • -

    bepaalt dat de uitzetting van verzoekster en haar minderjarige kinderen achterwege blijft totdat op het beroep tegen het besluit van 27 juni 2014 is beslist;

  • -

    veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure tot een bedrag van € 974,=, te betalen aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.M. Hamer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.M.A.W. Kusters-van Mulken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2014.

w.g. K.M.A.W. Kusters-van Mulken,

griffier

w.g. M.C.M. Hamer,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 24 juli 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.