Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16362

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-10-2014
Datum publicatie
08-01-2015
Zaaknummer
AWB-13_27788
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat eisers geen procesbelang hebben bij beoordeling van het beroep, gericht tegen de in bezwaar gehandhaafde weigering om hen een verblijfsvergunning op grond van het zogenoemde kinderpardon te verlenen. Verweerder heeft eisers immers een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend wegens bijzondere individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, onder h, van de Vw 2000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/27788

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2014 in de zaak tussen

[eiser1], eiser 1,

[eiseres1], eiseres 1,

[eiseres2], eiseres 2,

en de overige gezinsleden:

[overig gezinslid],

[overig gezinslid],

[overig gezinslid],

[overig gezinslid],

[overig gezinslid],

hierna allen tezamen ook aangeduid als eisers

(gemachtigde: mr. M.J.C. van den Hoff),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. V.A.M.W. ’t Hoen).

Procesverloop

Bij separate besluiten van 29 mei 2013 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’ (de Overgangsregeling) afgewezen.

Bij besluit van 18 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 mei 2014 heeft de voorzieningenrechter de aan dit bezwaar connexe verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen en verweerder veroordeeld in de proceskosten.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 september 2014.

Eiser 1 is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers vormen tezamen een gezin waarvan de vader, eiser 1 is geboren op [geboortedag] 1980. Zijn echtgenote, eiseres 1, is geboren op [geboortedag] 1969. Op 24 april 2013 hebben eisers, die allen de Iraakse nationaliteit hebben, de in de vorige rubriek bedoelde aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van de Overgangsregeling ingediend. Eiseres 2 is in het kader van die aanvraag aangemerkt als hoofdaanvrager.

2. Zoals blijkt uit de primaire besluiten heeft verweerder de aanvraag van eisers afgewezen omdat eisers niet beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet behoren tot een van de categorieën vreemdelingen die op grond van artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000, dan wel artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan worden vrijgesteld van dit vereiste. In dit kader heeft verweerder zich mede op het standpunt gesteld dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden van de Overgangsregeling en daarom niet worden aangemerkt als bijzondere groep aan wie in het kader van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend. Wat betreft de voorwaarden van de Overgangsregeling heeft verweerder aan het primaire besluit ten aanzien van eiser 1, de vader van het gezin, in het bijzonder ten grondslag gelegd dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, omdat hij is veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, vanwege handelen in strijd met artikel 6 van de Wegenverkeerswet (Wvw). Volgens verweerder moet dit delict op grond van de artikelen 175 en 178, eerste lid, Wvw worden aangemerkt als een geweldsmisdrijf. Op grond van WBV 2013/1, onder 3.2, onder a, heeft verweerder vervolgens geconcludeerd dat eiser, en ook de andere gezinsleden niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Overgangsregeling en dat niet is gebleken van omstandigheden als neergelegd in B1/4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), noch bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die een reden kunnen vormen van de regels af te wijken en de aanvraag in te willigen.

3. Zoals verder blijkt uit het procesdossier heeft verweerder eisers bij besluit van

9 oktober 2013 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend, als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, onder h, van de Vw 2000, met als doel: ‘verblijf als vreemdeling die wegens bijzondere individuele omstandigheden naar het oordeel van Onze Minister blijvend op verblijf in Nederland is aangewezen’. Die verblijfsvergunning heeft een geldigheidsduur van 25 september 2013 tot 25 september 2018. Voorafgaand aan de verlening van die verblijfsvergunning heeft verweerder eisers verzocht een daartoe strekkende aanvraag in te dienen.

4. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het (gezamenlijke) bezwaar van eisers ongegrond verklaard onder handhaving van de overwegingen uit de primaire besluiten. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eisers gezien de omstandigheid dat hen met ingang van 25 september 2013 een verblijfsvergunning is verleend, geen belang (meer) hebben bij de beoordeling van hun bezwaar. Hetgeen eisers in dit verband in bezwaar hebben aangevoerd heeft verweerder niet tot een ander standpunt gebracht. Het betoog van eisers in bezwaar dat zij wel nog belang hebben, vanwege de mogelijkheid een eerdere ingangsdatum (zijnde 24 april 2013, de datum van de aanvraag kinderpardon) te verkrijgen, volgt verweerder niet omdat dit belang niet opweegt tegen het belang van de thans verleende verblijfsvergunning. Voor zover eisers hebben betoogd dat dit belang gelegen zou zijn in vrijstelling van het paspoortvereiste volgt verweerder dat evenmin. Hun betoog dat het bestreden besluit onjuist is, is volgens verweerder ook geen grond om het belang te doen herleven. Verder heeft verweerder in aanmerking genomen dat in het kader van de heroverweging in bezwaar moet worden geconstateerd dat eisers nu houder van een verblijfsvergunning zijn en derhalve de contra-indicatie als genoemd in WBV 2013/1 onder 3.2b op hen van toepassing is.

5. Alvorens toe te komen aan de beoordeling van het onderhavige geschil ziet de rechtbank zich ambtshalve geplaatst voor de vraag of eisers een rechtens te beschermen belangen hebben bij beoordeling van het onderhavige beroep.

6. Volgens vaste rechtspraak is voor een ontvankelijk bezwaar of (hoger) beroep - onder meer - vereist dat kan worden gewezen op enig direct tot de rechtsstrijd van partijen te herleiden (proces)belang bij een beslissing op bezwaar of (hoger) beroep, in die zin dat de eisende partij door die beslissing in een gunstigere positie zou kunnen geraken.

7. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 september 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN9222), dat hetgeen eisers met hun beroep nastreven is bereikt. Het doel van een vreemdelingrechtelijke procedure is immers het verkrijgen van een verblijfsvergunning.

8. Het betoog van eisers dat hun belang bij voortzetting van de procedure over het niet-inwilligen van hun aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van de Overgangsregeling is gelegen in de ingangsdatum van die verblijfsvergunning, zijnde de datum van de aanvraag, gaat niet op. De rechtbank overweegt daartoe allereerst dat eventuele verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Overgangsregeling een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft, waaraan eisers geen procesbelang kunnen ontlenen. Nog afgezien daarvan zou eventuele gegrondverklaring van het onderhavige beroep en vernietiging van het bestreden besluit tot gevolg hebben dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar van eisers zou moeten nemen. Zoals de rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, eerder heeft overwogen in de uitspraak van 15 juli 2014 (ECLI:NL:RBROT:2014:5769) zal in dat geval de reeds aan eisers verleende verblijfsvergunning een contra-indicatie vormen voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Overgangsregeling. In de Overgangsregeling is immers bepaald dat vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning, anders dan een vergunning die is verleend onder de in de Overgangsregeling genoemde - thans niet aan de orde zijnde - beperkingen, niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van deze regeling. De rechtbank kan zich in de desbetreffende overwegingen van de rechtbank Rotterdam vinden en maakt deze tot de hare. Aangezien eisers, zo lang zij in het bezit zijn van de hun verleende verblijfsvergunning, met hun beroep niet kunnen bereiken dat hen alsnog een verblijfsvergunning op grond van de Overgangsregeling wordt verleend, concludeert de rechtbank dat zij geen belang hebben bij de beoordeling van het onderhavige beroep.

9. Voor zover eisers zich hebben beroepen op vaste jurisprudentie, volgens welke doorprocederen voor een eerdere ingangsdatum, zijnde in dit geval de datum van de aanvraag op grond van de Overgangsregeling, een rechtsbelang oplevert, gaat ook dit betoog niet op. De (niet nader geduide) jurisprudentie waar eisers op doelen, waaronder - naar de rechtbank aanneemt - de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA0044) ziet immers op procedures waarin de ingangsdatum van de vergunning, zoals die is verleend, in geschil is. Die situatie is in het onderhavige geval, waarin de reeds verleende verblijfsvergunning verband houdt met een andere beperking, niet aan de orde.

10. Het betoog van eisers dat zij wat betreft het paspoortvereiste thans slechter af zijn dan wanneer hen een verblijfsvergunning op grond van de Overgangsregeling zou worden verleend, slaagt evenmin. Volgens eisers zou een in het kader van de verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Overgangsregeling verleende vrijstelling van het paspoortvereiste ook voor de toekomst gelden, terwijl die vrijstelling van dit vereiste bij de hen thans verleende verblijfsvergunning volgens eisers alleen geldt voor de huidige situatie.

Verweerder heeft er ter zitting op gewezen dat een verblijfsvergunning op grond van de Overgangsregeling wordt verleend voor de duur van een jaar en dat daarna verlenging nodig is. De aan eisers verleende verblijfsvergunning heeft daarentegen een geldigheidsduur van vijf jaar. Aangezien het betoog van eisers gelet op het vorenstaande feitelijke grondslag mist, ziet de rechtbank ook hierin geen grond om aan te nemen dat eisers door handhaving van het onderhavige beroep materieel in een gunstigere rechtspositie kunnen komen te verkeren.

11. Wat betreft het gestelde dat verweerder het aldus in zijn macht zou hebben om te voorkomen dat de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning op grond van de Overgangsregeling ter beoordeling wordt voorgelegd aan de rechter, hetgeen volgens eisers in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) wijst de rechtbank erop dat vorenstaand oordeel niet met zich brengt dat het bestreden besluit geheel en voor altijd aan rechterlijke beoordeling onttrokken wordt. Zoals de Afdeling heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 5 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ8716) ontstaat belang bij beoordeling van de vraag of de afwijzing van een aanvraag zoals die van eisers de rechterlijke toets kan doorstaan eerst indien verweerder de aan eisers verleende verblijfsvergunning intrekt, of een aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur ervan afwijst. Daarnaast reikt de bescherming van artikel 6 van het EVRM naar dezerzijds oordeel niet zo ver dat dit artikel de rechter zou nopen procedures te beoordelen waar eisers geen rechtens te beschermen belang bij hebben.

12. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eisers geen belang hebben bij de onderhavige procedure. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2014.

w.g. E.M.J. Clermonts,

griffier

w.g. E.J. Govaers,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 17 oktober 2014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.