Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16336

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
13-03-2015
Zaaknummer
C-09-479548 - JE RK 14-2813
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugzorg en intrekking verleende machtiging uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Kinderrechter

Rekestnummer: JE RK 14-2813

Zaaknummer: C/09/479548

Datum beschikking: 24 december 2014

Afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg

Intrekking verleende machtiging uithuisplaatsing

Beschikking op het op 18 december 2014 ingekomen verzoekschrift van:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, vestiging Gouda (verder: Bureau Jeugdzorg),

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats],

kind uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van:

[A][A],

de vader,

wonende te [X ],

en

[B][B],

de moeder,

wonende te [X ],

die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

De minderjarige verblijft feitelijk in [C] te [D], een accommodatie voor gesloten jeugdzorg.

Procedure

Bij beschikking d.d. 18 december 2014 heeft de kinderrechter in deze rechtbank aan Bureau Jeugdzorg machtiging verleend de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg van 18 december 2014 tot 25 december 2014 en het verzoek voor het overige aangehouden tot de zitting van 24 december 2014.

De kinderrechter heeft tevens kennisgenomen van:

- voornoemde beschikking d.d. 18 december 2014, waarvan de inhoud als hier overgenomen

dient te worden beschouwd;

- het verzoekschrift met bijlage(n) met daarin vervat de verklaring van Bureau Jeugdzorg

dat een situatie als bedoeld in artikel 29b, derde lid, van de Wet op de Jeugdzorg zich

voordoet;

- de instemmingsverklaring d.d. 18 december 2014 van een gedragswetenschapper als

bedoeld in artikel 29b, vijfde lid, van de Wet op de Jeugdzorg, die de jeugdige met het oog

daarop kort tevoren heeft onderzocht;

- het indicatiebesluit van Bureau Jeugdzorg d.d. 18 december 2014;

- de brief, met bijlagen, d.d. 19 december 2014 van mevr. [X ], zus van de moeder;

- de brief, met bijlage, d.d. 19 december 2014 van dr. [X ], homeopathisch arts;

- de brief, met bijlagen, d.d. 24 december 2014 van mr. drs. M. Erkens, advocaat van de

moeder;

- de pleitaantekeningen van mr. M. Erkens.

De minderjarige is op 22 december 2014 in het bijzijn van haar advocaat in [C] gehoord.

Op 24 december 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- mevrouw [X ], namens Bureau Jeugdzorg;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader;

- de advocaat van de minderjarige, mr. F. Kellouh.

De moeder is, op haar uitdrukkelijk verzoek, buiten aanwezigheid van de vader, doch in aanwezigheid van de anderen gehoord.

Verzoeken en verweer

Het verzoek strekt tot machtiging de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling. De grond van het verzoek is gelegen in het feit dat de minderjarige twee keer is weggelopen uit het pleeggezin waar zij op 16 december 2014 middels een machtiging van de kinderrechter geplaatst werd. Het risico is aanwezig dat de minderjarige weer wegloopt als de minderjarige daar weer teruggeplaatst zou worden dan wel geplaatst zou worden in een instelling met een open karakter. Door het weglopen brengt de minderjarige zichzelf in gevaar, aldus Bureau Jeugdzorg. Er is wel gekeken naar een alternatief voor gesloten plaatsing, maar deze bleek niet voorhanden te zijn. Uit recente informatie van [C] is gebleken dat de minderjarige het daar goed doet.

Naar aanleiding van het zelfstandig verzoek tot opheffing danwel schorsing van de machtiging tot uithuisplaatsing heeft Bureau Jeugdzorg naar voren gebracht dat zij de bijzonder heftige reactie van de minderjarige op de uithuisplaatsing niet eerder heeft meegemaakt en dat de halsstarrige weigering van de minderjarige om in het pleeggezin te blijven niet maakt dat de uithuisplaatsing moet worden beëindigd. Indien het verzoek tot gesloten plaatsing wordt afgewezen, zal de minderjarige in een nieuwe pleeggezin worden geplaatst.

De vader heeft verklaard zeer geschrokken te zijn van het feit dat de minderjarige tot twee keer toe is weggelopen. Het heftige (wegloop)gedrag van de minderjarige wordt veroorzaakt doordat zij in een nieuwe situatie wordt geplaatst waarin zij niet weet waar ze aan toe is. De vader herkent dit gedrag omdat de minderjarige dit ook heeft laten zien bij het onderzoek naar autisme, aldus de vader. Voorts heeft de vader aangegeven dat de minderjarige in een loyaliteitsconflict verkeert en mogelijk ook heeft geleid tot dit gedrag. De vader is van mening dat de minderjarige in beginsel niet in een gesloten instelling thuishoort. De vader acht de kans reëel aanwezig dat de minderjarige, indien zij in een pleeggezin wordt geplaatst, opnieuw wegloopt.

De moeder is eveneens van oordeel dat de minderjarige niet thuis hoort in een gesloten setting. Zij acht de kans groot dat de minderjarige opnieuw zal weglopen als zij opnieuw in een pleeggezin wordt geplaatst. Zij meent dat het beter is dat de minderjarige weer bij haar thuis komt wonen. Desgevraagd heeft zij aangegeven dat zij bereid is samen te werken met Bureau Jeugdzorg, maar dat er hierover goede afspraken moeten worden gemaakt. Zij heeft vervolgens aan Bureau Jeugdzorg toestemming gegeven om informatie bij de school op te vragen.

De advocaat van de moeder heeft onder overlegging van een pleitnota naar voren gebracht dat er bij de minderjarige geen sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de minderjarige naar volwassenheid ernstig belemmeren en dat er ook helemaal geen hulp aan de minderjarige wordt gegeven die door de gesloten plaatsing geëffectueerd zou moeten worden. Het effect van de gesloten plaatsing is dat de minderjarige thans niet in een veilige omgeving verblijft tussen oudere kinderen met ernstige gedragsproblemen, dat de minderjarige geen duidelijkheid, structuur en voorspelbaarheid ervaart in de groepsdynamiek, dat zij minder contact heeft met haar moeder en dat de communicatie met haar broer, zus en moeder verslechtert.

Namens de moeder is een zelfstandig verzoek ingediend tot opheffing danwel schorsing van de op 16 december 2014 afgegeven machtiging tot uithuisplaatsing ex artikel 1:263, lid 4 juncto artikel 1:259, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.

De advocaat van de minderjarige heeft naar voren gebracht dat het haar niet duidelijk is waarom de minderjarige gesloten geplaatst moest worden. Bij de minderjarige is geen sprake van een gedragsprobleem waarvoor behandeling in een gesloten setting noodzakelijk is. De advocaat meent dat terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder geen problemen zal opleveren nu de overige kinderen in een pleeggezin woonachtig zijn.

Beoordeling

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de minderjarige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat niet is gebleken dat bij de minderjarige sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die maken dat behandeling in een gesloten setting noodzakelijk is. Weliswaar is de reactie van de minderjarige op de uithuisplaatsing zeer heftig en is hierover met haar niet goed te spreken, maar geen sprake is van een zodanige gedragsstoornis dat behandeling in een gesloten setting noodzakelijk is. Uit het dossier volgt onder meer dat de minderjarige het goed doet op school. De bedreigde ontwikkeling is met name ingegeven door echtscheidingsproblematiek waarin het de ouders – ondanks inzet van BJZ – niet lukt om een omgangsregeling tot stand te brengen. Bij de minderjarige heeft dit geleid tot een heftig loyaliteitsconflict. Het verzoek is gebaseerd op het waarborgen van de veiligheid van de minderjarige die door weg te lopen uit het pleeggezin zichzelf in gevaarvolle situaties heeft gebracht. De kinderrechter acht deze grond evenwel onvoldoende om de minderjarige gesloten te doen plaatsen, zodat het verzoek dienaangaande zal worden afgewezen.

Vast staat dat op 15 december 2014 door de kinderrechter aan Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland een machtiging is verleend om de minderjarige tot 26 februari 2015 dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin. Voor het overige is het verzoek aangehouden. De moeder heeft ter zitting verzocht om opheffing van deze machtiging, op welk verzoek door BJZ ter zitting afwijzend is beslist. De kinderrechter merkt het verzoek van de moeder aan als een beroep in de zin van artikel 1:263 lid 4 BW.

De afwijzing van het verzoek van BJZ tot plaatsing van de minderjarige in een gesloten instelling leidt ertoe dat de minderjarige door BJZ krachtens de door de kinderrechter op 15 december 2014 verleende machtiging in een nieuw pleeggezin zal worden geplaatst. Zowel BJZ als de ouders zijn het erover eens dat de kans zeer groot is dat de minderjarige opnieuw zal weglopen wat tot een gevaarvolle situatie kan leiden. Vast staat voorts dat de overige twee kinderen van de ouders voorlopig niet bij moeder thuis wonen, wat de draagkracht van moeder vergroot. Tegen deze achtergrond is het belang van de minderjarige – alles tegenelkaar afwegende – ermee gediend dat de tot 26 februari 2015 verleende machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor de resterende duur wordt ingetrokken. De kinderrechter hecht eraan op te merken dat het in het belang van de minderjarige is dat moeder met Bureau Jeugdzorg blijft samenwerken en in dat verband huisbezoeken toelaat. Bureau Jeugdzorg dient de ontwikkeling van de minderjarige goed te kunnen volgen opdat de kinderrechter volledig kan worden geïnformeerd op een volgende zitting waarbij de bij beschikking van 15 december 2014 aangehouden verzoeken tot machtiging uithuisplaatsing van onder meer deze minderjarige verder zullen worden behandeld.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

1. wijst af het verzoek van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg;

2. trekt in de bij beschikking van 15 december 2014 aan Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland tot 26 februari 2015 verleende machtiging om de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen;

3. verklaart de onder 2. vermelde beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 december 2014 in tegenwoordigheid van A.U. Hatuina als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.