Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16327

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-12-2014
Datum publicatie
10-03-2015
Zaaknummer
14_7486 ACCIJ
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling van artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet op de accijns is van toepassing op geneesmiddelen die voldoen aan de definities van het begrip geneesmiddel zoals opgenomen in artikel 1 van de Richtlijn 2001/83/EG, PbEG L 311 (de geneesmiddelenrichtlijn). Toepassing van de vrijstelling wordt niet beperkt tot geneesmiddelen die binnen het in hoofdstuk 2 van de geneesmiddelenrichtlijn afgebakende toepassingsgebied van de geneesmiddelenrichtlijn vallen. Artikel 64 van de Wet biedt niet de mogelijkheid om bij ministeriële regeling bepaalde geneesmiddelen van de vrijstelling uit te sluiten.

Wetsverwijzingen
Wet op de accijns 64, geldigheid: 2015-02-24
Wet op de accijns 64, geldigheid: 2015-02-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0660
mr. B.A. Kalshoven annotatie in NTFR 2015/1303

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 14/7486

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 december 2014 in de zaak tussen

[eiseres], gevestigd te [X], eiseres

(gemachtigde: [naam 1],

en

[P] verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 december 2010 een naheffingsaanslag accijns overige alcoholhoudende producten opgelegd (de naheffingsaanslag).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2014 te Den Haag.

Namens eiseres zijn verschenen[naam 2] en de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [namen].

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres vervaardigt, onder meer, geneesmiddelen die worden voorgeschreven door artsen en zogenoemde zelfzorggeneesmiddelen. Deze geneesmiddelen worden gezamenlijk aangeduid als “[eiseres] bereidingen apotheek” (WBA-geneesmiddelen). Een deel van de WBA-geneesmiddelen is geregistreerd.

2. Voor het vervaardigen van de WBA-geneesmiddelen wordt alcohol gebruikt. Eiseres beschikt over een vergunning om zonder berekening van accijns alcohol in te kopen, voor zover die alcohol wordt gebruikt voor de vervaardiging van geneesmiddelen.

3. Bij eiseres is een boekenonderzoek uitgevoerd waarvan op 13 december 2013 een rapport is opgemaakt. In dit rapport is vermeld dat eiseres ten onrechte de vrijstelling van artikel 64 van de Wet op de accijns (de WA) heeft toegepast op de alcohol die is gebruikt voor de vervaardiging van WBA-geneesmiddelen die niet zijn geregistreerd. Verweerder heeft daarom de naheffingsaanslag opgelegd.

Geschil

4. In geschil is of de vrijstelling van artikel 64, eerste lid, aanhef en letter c, van de WA (de vrijstelling) van toepassing is op de WBA-geneesmiddelen die niet zijn geregistreerd. Niet in geschil is dat de WBA-geneesmiddelen vallen onder de definitie van artikel 1 van de Richtlijn 2001/83/EG, PbEG L 311 (de Geneesmiddelenrichtlijn).

5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de WBA-geneesmiddelen voldoen aan de in
4 vermelde definitie en dat daarmee is voldaan aan de voorwaarden die aan de vrijstelling worden gesteld. Eiseres is verder van mening dat het convenant Horizontaal Toezicht dat sinds 1 januari 2012 tussen haar en de Belastingdienst geldt, in de weg staat aan de naheffing. Ook is zij van mening dat de aanslag onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd.

6. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingsaanslag.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 1 van de Geneesmiddelen-richtlijn niet los gezien kan worden van wat in de artikelen 2, 3 en 5 van Titel II van die richtlijn is bepaald. Deze artikelen brengen mee dat de niet-geregistreerde WBA-geneesmiddelen geen producten zijn als omschreven in die richtlijn en dat deze daarom niet onder de vrijstelling kunnen worden gerangschikt.

8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

9. De Structuurrichtlijn alcohol 92/83/EEG (de Structuurrichtlijn) bepaalt in artikel 27 het volgende:

‘De Lid-Staten verlenen voor de onder deze richtlijn vallende produkten vrijstelling van de geharmoniseerde accijns op de voorwaarden die zij vaststellen voor de juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstellingen en ter voorkomen van fraude, ontwijking of misbruik:

(…)

d. wanneer zij gebruikt worden voor de vervaardiging van geneesmiddelen als omschreven in Richtlijn 2001/83/EG;’

10. Artikel 64, eerste lid, aanhef en onder c, van de WA luidt, voor zover hier van belang:

‘1. Onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden en beperkingen wordt vrijstelling van accijns verleend ter zake van de uitslag tot gebruik van:

(…)

c. overige alcoholhoudende producten die worden gebruikt voor de vervaardiging van geneesmiddelen als omschreven in (…) en [de Geneesmiddelenrichtlijn];

(…)

2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot:

a. de aard van en de aanduiding op de verpakking van in het eerste lid bedoelde accijnsgoederen;

b. de stoffen waarmee in het eerste lid bedoelde accijnsgoederen moeten zijn vermengd;

c. de uitvoering van dit artikel.’

11.1

Artikel 1 van de Geneesmiddelenrichtlijn luidt, voor zover hier van belang:

‘Voor de doeleinden van de onderhavige richtlijn wordt verstaan onder:

(…)

2. Geneesmiddel:

elke enkelvoudige of samengestelde substantie, aangediend als hebbende therapeutische of profylactische eigenschappen met betrekking tot ziekten bij de mens.

Elke enkelvoudige of samengestelde substantie, die aan de mens toegediend kan worden teneinde een medische diagnose te stellen of om fysiologische functies bij de mens te herstellen, te verbeteren of te wijzigen, wordt eveneens als geneesmiddel beschouwd.’

11.2

In Hoofdstuk II van de Geneesmiddelenrichtlijn, getiteld “toepassingsgebied”, zijn de volgende artikelen opgenomen:

‘Artikel 2

De bepalingen van de onderhavige richtlijn zijn van toepassing op industrieel vervaardigde geneesmiddelen voor menselijk gebruik, bestemd om in de lidstaten in de handel te worden gebracht.

Artikel 3

Deze richtlijn is niet van toepassing op:

1. geneesmiddelen die in de apotheek volgens medisch recept voor een bepaalde patiënt worden bereid, algemeen Formula magistralis geheten;

2. geneesmiddelen die in de apotheek overeenkomstig de aanwijzingen van de farmacopee worden bereid en voor verstrekking rechtstreeks aan de klanten van die apotheek zijn bestemd, algemeen Formula officinalis geheten;

(…)

Artikel 5

Een lidstaat mag, overeenkomstig de van kracht zijnde wetgeving en om te voorzien in speciale behoeften, de bepalingen van de onderhavige richtlijn niet van toepassing verklaren op geneesmiddelen die worden geleverd naar aanleiding van een bonafide bestelling op eigen initiatief van een officieel erkend beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg, en die worden bereid volgens zijn specificaties en bestemd zijn voor gebruik door zijn eigen patiënten onder zijn rechtstreekse, persoonlijke verantwoordelijkheid.’

12. In het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën inhoudende beleidsregels accijnswetgeving (9 mei 2007, Stcrt. 2007, 94, geactualiseerd bij het besluit van 18 maart 2010, nr. DGB2010/990M, Stcrt. 2010, 4806) is onder meer het volgende vermeld:

‘De vrijstelling van accijns voor overige alcoholhoudende producten die worden gebruikt voor de vervaardiging van geneesmiddelen is van toepassing voor zover de vervaardigde geneesmiddelen in Nederland zijn geregistreerd in overeenstemming met de Richtlijn 2001/83/EG. Deze registratieplicht geldt voor alle producten die als geneesmiddelen in de richtlijn worden aangemerkt (waaronder dus ook de homeopathische geneesmiddelen).’

13. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat het begrip “omschreven” in artikel 64, eerste lid, letter c, van de WA en in de Nederlandse taalversie van de Structuurrichtlijn een ruimere betekenis heeft dan enkel definiëren. Er kan daarom niet worden volstaan met toetsing aan de definitie zoals die is opgenomen in artikel 1 van de Geneesmiddelenrichtlijn, ook het toepassingsgebied van de Geneesmiddelenrichtlijn moet in aanmerking worden genomen.

14. Van Dale, het groot woordenboek van de Nederlandse Taal (VanDale Online), vermeldt bij het lemma “omschrijven” de volgende betekenissen: “1. de grenzen van iets juist aanwijzen” en “2. in nadere bijzonderheden beschrijven, (nauwkeurig) bepalen”. Bij het lemma “definiëren” staat als omschrijving “1. een definitie of bepaling geven van een begrip” en “2. duidelijk omschrijven”. Op www.encyclo.nl wordt bij “omschrijven” als betekenis vermeld: “met woorden aangeven hoe het is of wat het is (…) synoniem: definiëren”. Daaruit volgt dat omschrijven en definiëren (vrijwel) synoniem zijn. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding aan het begrip “omschreven” in de vrijstelling en in de Nederlandse taalversie van de Structuurrichtlijn een andere betekenis toe te kennen dan “definiëren”. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat in de Franse, Duitse, Engelse en Italiaanse taalversies van de Structuurrichtlijn steeds het begrip definiëren wordt gebruikt. Het ligt dan ook in de rede om voor de beoordeling of sprake is van geneesmiddelen als omschreven in de Geneesmiddelenrichtlijn uitsluitend aan te sluiten bij de definitie van artikel 1 van de Geneesmiddelenrichtlijn.

15. Noch uit de definitie van geneesmiddel zoals die is opgenomen in onderdeel 2 van voornoemd artikel noch anderszins, blijkt dat de richtlijngever heeft beoogd die definitie in te perken aan de hand van de bepalingen over het werkingsgebied van de richtlijn. Uit de preambule van de Geneesmiddelenrichtlijn kan worden afgeleid dat het primaire doel van die richtlijn is het ter bescherming van de volksgezondheid binnen de Europese Gemeenschap reguleren van het vervaardigen en het in de handel brengen van geneesmiddelen. In dit licht dienen dan ook de artikelen 2, 3 en 5 van de Geneesmiddelenrichtlijn te worden gelezen waaruit volgt dat de desbetreffende reguleringsvoorschriften niet gelden voor bepaalde geneesmiddelen. Er zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de veronderstelling dat deze artikelen ook van belang zijn voor de toepassing van artikel 64, eerste lid, aanhef en letter c, van de WA. Dit artikel beoogt slechts een uitzondering te maken op het algemene uitgangspunt van de WA dat accijns wordt geheven van alcoholhoudende producten.

De rechtbank wijst in dit kader ook op het arrest van het HvJ EU van 30 maart 2007,

nr. C-949/04 waar in rechtsoverweging 30 het volgende is overwogen: “(…) beoogt het “aandieningscriterium” van artikel 1, punt 2, eerste alinea, van die richtlijn [rechtbank: Richtlijn 65/65/EEG, de voorloper van de Geneesmiddelenrichtlijn] niet alleen geneesmiddelen met daadwerkelijke therapeutische of medicinale werking binnen de werkingssfeer van die richtlijn te brengen, maar ook producten die niet voldoende werkzaam zijn, of die niet de werking hebben die de consument, gezien de wijze van aandiening ervan, mag verwachten, teneinde de consument niet alleen te beschermen tegen schadelijke en giftige geneesmiddelen, maar ook tegen verschillende producten die in de plaats van adequate geneesmiddelen worden gebruikt”.

16. De Structuurrichtlijn geeft de Lidstaten de mogelijkheid om aan de vrijstelling voorwaarden te verbinden voor de juiste en eenvoudige toepassing van de vrijstelling en ter voorkomen van fraude, ontwijking of misbruik. Dat kan er toe leiden dat in voorkomende gevallen de vrijstelling kan worden geweigerd. Volgens de WA mag van die bevoegdheid slechts gebruik worden gemaakt door middel van een algemene maatregel van bestuur (amvb). Dat een dergelijke amvb is uitgevaardigd, is niet gesteld of gebleken. De onderwerpen die op grond van het tweede lid van artikel 64 van de WA bij ministeriële regeling kunnen worden geregeld, omvatten niet de mogelijkheid om bepaalde geneesmiddelen uit te sluiten van de vrijstelling. De beperking van de vrijstelling tot geneesmiddelen die zijn geregistreerd overeenkomstig de Geneesmiddelenrichtlijn zoals die is verwoord in het Besluit, is dan ook onvoldoende grond om voorbij te gaan aan de duidelijke bewoordingen van de WA en de Geneesmiddelenrichtlijn

17. Het voorstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat de vrijstelling van toepassing is op geneesmiddelen die voldoen aan de definities zoals die zijn opgenomen in artikel 1 van de Geneesmiddelenrichtlijn. Aangezien tussen partijen niet in geschil is dat de onderhavige producten voldoen aan de definitie van artikel 1, sub 2 van de Geneesmiddelenrichtlijn, is de naheffingsaanslag dan ook ten onrechte opgelegd. Nu het beroep reeds om die reden gegrond moet worden verklaard, behoeft wat eiseres heeft aangevoerd over het convenant Horizontaal Toezicht en de strijdigheid met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel geen behandeling.

Proceskosten

18. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1460 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 243, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.460;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 328 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, en mr. dr. N. Djebali en
mr. J.P.F. Slijpen, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 december 2014.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.