Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16321

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2014
Datum publicatie
06-01-2015
Zaaknummer
14-14120
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit het rapport van Human Rights Watch blijkt dat eiser onder vermelding van zijn naam en beroep en een foto heeft verklaard dat de Sri Lankaanse autoriteiten aanhoudend hebben gebombardeerd in de door de overheid aangewezen veiligheidszone, waarbij burgers gewond raakten en gedood werden. De rechtbank is van oordeel dat eiser zich aldus op een internationaal podium kritisch over de Sri Lankaanse overheid heeft uitgelaten. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom eiser, gelet hierop, maar eveneens gelet op de overige factoren, niet aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer in de belangstelling van de autoriteiten te komen. Nu tussen partijen bovendien niet in geschil is dat de TRO thans door de Sri Lankaanse autoriteiten op een zwarte lijst is geplaatst als terroristische organisatie, acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat eisers werkzaamheden voor de TRO bij ondervraging door de autoriteiten bekend zullen worden, waardoor eiser een reëel risico zal lopen op schending van artikel 3 van het EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/14120

[V-nr:]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 december 2014 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Sri Lankaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. R.S. Nandoe),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.R. Toussaint).

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2014 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 22 december 2013 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 16 juni 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig S. Pathmanathan, als tolk in de Tamil taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Asielrelaas

Eiser heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd.

Eiser heeft Sri Lanka verlaten vanwege de algemene oorlogssituatie en vanwege het feit dat hij als chauffeur werkzaam is geweest voor de Tamil Rehabilitation Organisation (TRO), welke organisatie gelieerd is aan de Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE). De Sri Lankaanse autoriteiten zijn bekend met zijn werkzaamheden voor de TRO, omdat de namen van medewerkers van de TRO ten tijde van het vredesbestand tussen de Sri Lankaanse autoriteiten en de LTTE werden doorgegeven aan de autoriteiten, zodat de medewerkers van TRO zonder controles toegang konden krijgen tot de door de tsunami getroffen gebieden die onder controle stonden van het Sri Lankaanse leger. Eiser is op 20 april 2009 naar Tamil Nadu, India, gevlucht. De Sri Lankaanse autoriteiten zijn na zijn vertrek uit Sri Lanka naar hem op zoek geweest en hebben naar hem navraag gedaan bij zijn schoonfamilie in Sri Lanka. Eiser vreest ook te worden opgepakt bij terugkeer omdat zijn vrouw werkzaam was voor de [naam] die onderdeel uitmaakte van de afdeling kunst en cultuur van de LTTE.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000.

2. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Op grond van het tweede lid, aanhef en onder f, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

3.1

Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat hij onvoldoende heeft meegewerkt aan de vaststelling van de reisroute, nu hij zijn reisverhaal niet heeft onderbouwd met het gebruikte grensoverschrijdingsdocument, noch met voldoende andere reisbewijzen. Dat eiser het gebruikte paspoort en de vliegtickets voor de reis aan de reisagent heeft afgestaan wordt hem toegerekend. Verder is eiser niet in staat gebleken gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent zijn reisroute te geven. Eiser heeft gesteld via Turkije te zijn gereisd, maar uit onderzoek van de Koninklijke Marechaussee is gebleken dat hij in Nederland is gearriveerd met een vlucht uit Gambia. De kopieën van de tickets en van het gebruikte reisdocument zijn niet door eiser zelf overgelegd, maar na onderzoek door verweerder afgegeven door de luchtvaartmaatschappij Corendon Airlines.

3.2

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat niet is gebleken dat eiser onder zodanige druk van de reisagent heeft gestaan, dat hem niet kan worden toegerekend dat hij zijn reisdocumenten heeft afgestaan. Verweerder heeft eiser kunnen tegenwerpen dat uit onderzoek door verweerder is gebleken dat eiser anders is gereisd dan door hem is verklaard. Ook heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het de eigen verantwoordelijkheid van eiser is dat hij zijn reisroute kan staven, zodat hem kan worden tegengeworpen dat de inmiddels aanwezige reisdocumenten niet door hemzelf zijn overgelegd. Overigens overweegt de rechtbank dat het door Corendon Airlines overgelegde vliegticket slechts ziet op een deel van eisers reis, zodat hij nog steeds niet zijn gehele reisroute heeft gestaafd. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiser mogen tegenwerpen.

4. Indien zich een van de gevallen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 voordoet, moet van het asielrelaas een positieve overtuigingskracht uitgaan.

5.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van het relaas van eiser geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Verweerder acht geloofwaardig dat eiser voor de TRO heeft gewerkt als chauffeur. Verweerder acht echter niet geloofwaardig dat eisers naam destijds bij de Sri Lankaanse autoriteiten bekend is geworden en dat hij hierdoor bij hen in de negatieve belangstelling staat. Dat de Sri Lankaanse autoriteiten reeds naar eiser op zoek zijn geweest, gelooft verweerder evenmin.

5.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid onaannemelijk kunnen achten dat de Sri Lankaanse autoriteiten op de hoogte zijn van de werkzaamheden die eiser voor de TRO heeft verricht. Zo heeft eiser zijn stelling dat hij voorkomt op een lijst van TRO-medewerkers die tijdens het vredesbestand in het bezit is gekomen van de Sri Lankaanse autoriteiten niet met stukken onderbouwd. Ook de verwijzing naar het Algemeen Ambtsbericht Sri Lanka van augustus 2004 heeft verweerder hiervoor onvoldoende kunnen achten. Uit dit ambtsbericht blijkt weliswaar dat LTTE-kaders die, na de totstandkoming van het staakt-het-vurenakkoord, naar gebieden wilden reizen die onder controle stonden van de regering, zich bij de Sri Lankaanse autoriteiten dienden te laten registreren, maar nu eiser niet tot de LTTE behoorde, maar tot de TRO, heeft verweerder dit onvoldoende kunnen achten voor de conclusie dat eiser destijds als TRO-medewerker is geregistreerd. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid ongeloofwaardig kunnen achten dat eiser door zijn werk voor de TRO in de negatieve aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten is komen te staan.

5.3

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers asielrelaas positieve overtuigingskracht mist.

6.1

Eiser heeft aangevoerd aan dat hij als Tamil bij terugkeer een risico loopt op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hij heeft in dit verband onder meer gewezen op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 17 juli 2008, nr. 25904/07, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (www.echr.coe.int) en de volgende risicofactoren:

- dat hij Sri Lanka op illegale wijze, namelijk per boot naar India, heeft verlaten;

- het litteken op zijn[plaats] bovenarm;

- zijn broer die op [datum] tijdens gevechten met het leger om het leven is gekomen;

- zijn andere broer die werkzaam was als nieuwslezer voor een[naam];

- zijn vrouw die werkzaam was voor de [naam];

- dat hij niet in het bezit is van een identiteitsbewijs;

- dat hij zich kritisch over het Sri Lankaanse leger heeft uitgelaten, waar Human Rights Watch (HRW) op 5 mei 2009 verslag van heeft gedaan in het op internet vrij toegankelijke en door diverse internationale media overgenomen rapport Sri Lanka: ‘Boat People’ Recount Horrors of No-Fire Zone, met daarin vermelding van eisers naam en beroep en een foto van eiser;

- zijn deelname aan de Heldendag van [datum] in Tamil Nadu, waar hij in de nabije aanwezigheid was van prominente leden van de LTTE.

6.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM te lopen, onvoldoende heeft gemotiveerd. Uit het rapport van HRW blijkt immers dat eiser heeft verklaard dat de Sri Lankaanse autoriteiten aanhoudend hebben gebombardeerd in de door de overheid aangewezen veiligheidszone, waarbij burgers gewond raakten en gedood werden. In het rapport staat dat eiser heeft verklaard dat de bombardementen zo lang aanhielden dat burgers de bunkers niet konden verlaten voor hun sanitaire behoeften. Ook staat hierin dat eiser heeft verklaard dat de overheid te weinig graan verstrekte en dat er geen medicijnen of NGO’s in het gebied voorhanden waren. De rechtbank is van oordeel dat eiser zich aldus op een internationaal podium kritisch over de Sri Lankaanse overheid heeft uitgelaten. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom eiser, gelet hierop, maar eveneens gelet op de overige hierboven vermelde factoren, niet aannemelijk heeft gemaakt bij terugkeer in de belangstelling van de autoriteiten te komen. Nu tussen partijen bovendien niet in geschil is dat de TRO thans door de Sri Lankaanse autoriteiten op een zwarte lijst is geplaatst als terroristische organisatie, acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat eisers werkzaamheden voor de TRO bij ondervraging door de autoriteiten bekend zullen worden, waardoor eiser een reëel risico zal lopen op schending van artikel 3 van het EVRM.

6.3

Verweerders verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juni 2014 (onder andere ECLI:NL:RVS:2014:2351), waarin is geoordeeld dat de Sri Lankaanse autoriteiten inmiddels in staat zijn gewone Sri Lankaanse remigranten, waaronder voormalige asielzoekers, te onderscheiden van activisten die een risico vormen voor de eenheid van Sri Lanka, omdat zij een significante rol spelen in een georganiseerd separatistisch streven buiten Sri Lanka naar een onafhankelijke Tamil-staat of het doen herleven van het gewapende conflict in Sri Lanka doet aan voornoemd oordeel niet af. In deze uitspraak is immers ook geoordeeld dat de risicofactoren genoemd in het arrest NA. tegen het Verenigd Koninkrijk niet anders moeten worden beoordeeld ten opzichte van de situatie ten tijde van dit arrest.

7. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,--, en een wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 974,-- (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Pluymaekers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.:

Coll.:

D:

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.