Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16229

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
31-12-2014
Zaaknummer
AWB 14/13285 en AWB 14/13286
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking verblijfsvergunning, echtgenoot Turkse werknemer in de zin van Besluit 1/80, echtgenoot valt daarmee onder bereik artikel 13 Besluit 1/80, onvoldoende gemotiveerd dat intrekking niet in strijd is met standstill-bepaling, beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/13285 en AWB 14/13286

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 16 december 2014 in de zaak tussen

[eiseres], geboren op [1991], van Turkse nationaliteit, eiseres/verzoekster

(gemachtigde: mr. E. Ceylan),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres/verzoekster (hierna te noemen: eiseres) om verlenging van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot’ afgewezen en de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht vanaf 11 januari 2013 ingetrokken.

Bij besluit van 8 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen [A], echtgenoot van eiseres.

Overwegingen

1. Op 12 november 2012 heeft de echtgenoot van eiseres (referent) verzocht om advies met het oog op een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van eiseres. Bij dit advies heeft hij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd overgelegd met zijn werkgever VOF [VOF]. Op grond van deze gegevens heeft verweerder op 3 december 2012 positief geadviseerd op het verzoek van 12 november 2012. Op 11 januari 2013 heeft eiseres een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij echtgenoot ingediend, waarbij op het aanvraagformulier is aangekruist dat er geen sprake is van gewijzigde feiten of omstandigheden die gevolgen hebben voor het verblijfsrecht. Deze aanvraag is op 18 februari 2013 ingewilligd.

2. Op 7 november 2013 heeft eiseres een aanvraag om verlenging van de verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij echtgenoot ingediend. Bij het primaire besluit van 13 februari 2014 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat eiseres bij haar oorspronkelijke aanvraag op 11 januari 2013 gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de aanvraag zouden hebben geleid. Verweerder verwijst hiervoor naar gegevens van Suwinet waarin is vermeld dat het dienstverband van referent met VOF [VOF] per 1 januari 2013 is beëindigd. Voorts is de verleende verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 11 januari 2013. Bij het bestreden besluit van 8 mei 2014 is het bezwaar van eiseres tegen dit besluit ongegrond verklaard.

3. Eiseres bestrijdt dat zij onjuiste gegevens heeft verstrekt bij haar aanvraag dan wel later heeft verzuimd relevante wijzigingen door te geven. Zij stelt onderbouwd dat het dienstverband van haar echtgenoot is beëindigd per 25 januari 2013 en dat hij sinds 1 maart 2013 werkzaam is bij [bedrijf]. Zij voert onder meer aan dat het bestreden besluit in strijd is met de standstill-bepaling neergelegd in artikel 13 van Besluit 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (Besluit 1/80). Referent is Turks werknemer, zodat hij onder de reikwijdte van Besluit 1/80 valt. Hiermee valt eiseres, als gezinslid van een Turkse werknemer, ook onder de reikwijdte van Besluit 1/80. De toetsingsmaatstaf die door verweerder in het bestreden besluit is gehanteerd om te bepalen of de verblijfsvergunning mocht worden ingetrokken is strenger dan de maatstaf die onder de oude artikelen 12 en 14 van de Vreemdelingenwet 1965 (Vw 1965) werd gehanteerd. Onder de oude Vw 1965 kon een verblijfsdocument enkel worden ingetrokken indien er onjuiste gegevens waren verstrekt die hebben geleid tot verlening van het verblijfsdocument. Daarbij bestond er onder de oude Vw 1965 geen plicht om uit eigener beweging gegevens te verschaffen. Eiseres verwijst naar pagina 67 en 68 van het rapport ‘Toelatings- en verblijfsvoorwaarden onderdanen Turkije’ van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van juli 2009. Nu verweerder een strengere maatstaf heeft gehanteerd is er sprake van een verboden nieuwe beperking, waardoor het bestreden besluit dient te worden vernietigd vanwege strijd met de standstill-bepaling en vanwege onzorgvuldige voorbereiding en ondeugdelijke motivering.

4. In het primaire besluit heeft verweerder gesteld dat eiseres geen rechten kan ontlenen aan de artikelen 6 en 7 van Besluit 1/80, omdat haar verblijfsrecht omstreden is. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat eiseres geen beroep kan doen op de standstill-bepaling, omdat zij zich niet heeft gehouden aan de regels van het gastland en aldus geen legaal verblijf heeft in de zin van die bepaling. Verweerder verwijst naar het arrest van het Europees Hof van Justitie (HvJEU) in de zaak Demir (C-225/12) van 7 november 2013. Verder verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 21 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2889). In reactie op het door eiseres aangehaalde WODC-rapport stelt verweerder zich op het standpunt dat er naar aanleiding van dit rapport geen reden is gezien om de bestaande regelgeving ten aanzien van het intrekken van een verblijfsvergunning aan te passen en dat er dus geen strijd is met de standstill-bepaling. Verweerder wijst op de brief van de toenmalige Minister voor Immigratie en Asiel van 28 oktober 2011 aan de Tweede Kamer (kenmerk: 5681851/11).

5. Ingevolge artikel 9 van de op 12 september 1963 namens de Europese Economische Gemeenschap (de Gemeenschap) gesloten overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Gemeenschap en de Republiek Turkije, goedgekeurd bij Besluit 64/732/EEG van de Raad van de Gemeenschap van 23 december 1963 (de Associatieovereenkomst EEG-Turkije) erkennen de overeenkomstsluitende partijen dat binnen de werkingssfeer van de Associatieovereenkomst EEG-Turkije, en onverminderd de bijzondere bepalingen die krachtens artikel 9 zouden kunnen worden vastgesteld, elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit is verboden, overeenkomstig het in artikel 7 van het Verdrag tot oprichting van de Gemeenschap (thans, na wijziging, artikel 18 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) vermelde beginsel.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van Besluit 1/80 passen de lidstaten van de Gemeenschap op de Turkse werknemers die tot hun legale arbeidsmarkt behoren een stelsel toe dat wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie uit hoofde van nationaliteit ten opzichte van communautaire werknemers, voor wat betreft de lonen en verdere arbeidsvoorwaarden.

Ingevolge artikel 13 van Besluit 1/80 mogen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn (de standstill-bepaling).

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van Besluit 1/80 zijn de bepalingen van toepassing met ingang van 1 december 1980.

6. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiseres onder de reikwijdte van artikel 13 van Besluit 1/80 valt en overweegt hiertoe als volgt.

7. Niet in geschil is dat de echtgenoot van eiseres, die in Nederland is geboren, zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit heeft en legaal in Nederland verblijft en werkt. Verder is niet in geschil dat hij, gezien zijn Turkse nationaliteit, Turks werknemer is in de zin van Besluit 1/80. De echtgenoot van eiseres valt daarmee onder de reikwijdte van artikel 13 van Besluit 1/80. Dat de echtgenoot van eiseres naast de Turkse nationaliteit ook de Nederlandse nationaliteit bezit, maakt dit niet anders. Uit het arrest Kahveci en Inan van het HvJEU van 29 maart 2012 (C-7/10 en C-9/10) blijkt dat het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit niet maakt dat een Turkse werknemer zich niet langer kan beroepen op zijn rechten als Turkse werknemer voortvloeiend uit Besluit 1/80. Niet valt in te zien waarom de situatie anders zou zijn voor een Turkse werknemer die al sinds zijn geboorte mede de Nederlandse nationaliteit heeft. Dit gezien - kort gezegd - de tekst en doelstelling van Besluit 1/80, de verwerping door het HvJEU van de idee van een dominante nationaliteit, het feit dat lidstaten geen andere voorwaarden of uitsluitingsgronden dan vermeld in Besluit 1/80 mogen toevoegen en het feit dat een andersluidend standpunt tot ongerechtvaardigde discriminatie leidt tussen rechtmatig verblijvende Turkse werknemers die vanaf hun geboorte de Nederlandse nationaliteit hebben en rechtmatig verblijvende Turkse werknemers met een later verworven Nederlandse nationaliteit.

8. Nu referent onder de reikwijdte van artikel 13 van Besluit 1/80 valt, is de rechtbank van oordeel dat eiseres, als echtgenote van referent, zich ook op artikel 13 van Besluit 1/80 kan beroepen. De rechtbank wijst op het arrest Dogan van het HvJEU van 10 juli 2014 (C-138/13). In dit arrest heeft het HvJEU onder meer overwogen dat gezinshereniging een noodzakelijk middel is om het gezinsleven mogelijk te maken van Turkse werknemers die tot de legale arbeidsmarkt van de lidstaten behoren, en zowel bijdraagt aan de verbetering van de kwaliteit van het verblijf van deze werknemers als aan hun integratie in de staten (punt 34). Regelgeving ten aanzien van gezinshereniging met in een lidstaat woonachtige Turkse staatsburgers die strenger is dan ten tijde van de inwerkingtreding van Besluit 1/80, vormt een “nieuwe beperking” en is dus in strijd met de standstill-bepaling. Dat in dit arrest niet de standstill-bepaling van artikel 13 van Besluit 1/80 (die ziet op werknemers), maar die van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol (welke standstill-bepaling ziet op zelfstandigen), aan de orde was, doet in dit verband niet ter zake, omdat beide standstill-bepalingen volgens vaste rechtspraak van het HvJEU een gelijke strekking hebben. Het HvJEU is blijkens het Dogan-arrest van oordeel dat het recht op gezinshereniging een recht is van de in een lidstaat verblijvende en werkende Turkse staatsburger en dat diens gezinsleden een recht hebben op gezinshereniging dat van die status is afgeleid, onafhankelijk van de omstandigheid of die gezinsleden rechtmatig verblijf hebben in de lidstaat. Aldus heeft ook eiseres een afgeleid recht op gezinshereniging met haar in Nederland wonende en werkende Turkse echtgenoot, ongeacht of zij rechtmatig verblijf heeft in Nederland. De rechtbank wijst in dit verband nog op het arrest Toprak en Oguz van het HvJEU van 9 december 2010 (C-300/09 en C-301/09), waarin is bepaald dat een rechtmatig verblijvende Turkse werknemer die zijn gezinsleden wil laten overkomen, zich op artikel 13 Besluit 1/80 kan beroepen ook als die gezinsleden nog in Turkije zijn en dus geen rechtmatig verblijf hebben. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich dan ook ten onrechte op het standpunt dat de vraag of eiseres legaal verblijf heeft in het onderhavige geval relevant is voor de beoordeling of Besluit 1/80 van toepassing is. Duidelijk is immers dat referent als legaal verblijvende Turkse werknemer rechten kan ontlenen aan artikel 13 van Besluit 1/80 en daarmee indirect ook eiseres als gezinslid van referent. Het beroep van verweerder op het arrest Demir slaagt dan ook niet, nu het niet gaat om een eerste toelating van een Turkse werknemer of een gezinslid van een Turkse werknemer, maar om een afgeleid recht op gezinshereniging van een gezinslid van een rechtmatig verblijvende Turkse werknemer. De verwijzing van verweerder naar de uitspraak van de ABRvS van 21 juli 2014 treft eveneens geen doel, omdat in die zaak de echtgenote van de vreemdeling nooit inkomsten uit werkzaamheden in loondienst had verkregen en dus niet als Turkse werknemer als bedoeld in Besluit 1/80 kon worden aangemerkt, zodat de vreemdeling niet als gezinslid van een Turkse werknemer kon worden beschouwd en niet onder de reikwijdte van artikel 13 van Besluit 1/80 viel.

9. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verweerder voldoende heeft onderzocht of het toepassen van de huidige regelgeving inzake de intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres met terugwerkende kracht en als gevolg daarvan het niet verlengen van haar verblijfsvergunning, verenigbaar is met de standstill-bepaling als bedoeld in artikel 13 van Besluit 1/80. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt hiertoe als volgt.

10. In het primaire besluit heeft verweerder gesteld dat eiseres geen rechten kan ontlenen aan de artikelen 6 en 7 van Besluit 1/80, zonder in te gaan op de vraag of eiseres onder de reikwijdte van de standstill-bepaling valt en wat dit in haar geval voor de toepassing van de regelgeving betekent. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verwezen naar de hierboven genoemde brief van de Minister van Immigratie en Asiel. In deze brief heeft de Minister zich enkel in algemene bewoordingen op het standpunt gesteld dat het WODC-rapport er niet toe leidt dat de regelgeving moet worden aangepast. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee niet voldoende onderbouwd dat het intrekken van een verblijfsvergunning van gezinsleden van Turkse werknemers mogelijk was dan wel onder dezelfde omstandigheden mogelijk was als ten tijde van de inwerkingtreding van Besluit 1/80. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het WODC-rapport juist blijkt dat in de huidige regelgeving ruimere mogelijkheden zijn om verblijfsvergunningen in te trekken. Ook wijst de rechtbank op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 26 mei 2011 (ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ6229) waarin is geoordeeld dat intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht een nieuwe beperking is in de zin van de standstill-bepaling.

11. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit van 13 februari 2014 vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank komt daarom niet meer toe aan bespreking van de overige beroepsgronden. De rechtbank ziet, gelet op de aard van het gebrek, onvoldoende mogelijkheden om het geschil finaal te beslechten. Verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres, met inachtneming van wat in deze uitspraak is vastgesteld en overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

12. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek wordt afgewezen.

13. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1461,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 487,-).

Beslissing

De rechtbank (in de zaak AWB 14/13285):

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak
een nieuw besluit op de aanvraag van eiseres neemt met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de kosten die eiseres in verband met het beroep heeft moeten maken, vastgesteld op een bedrag van € 974,- te betalen aan eiseres.

De voorzieningenrechter (in de zaak AWB 14/13286):

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 487,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter- Rijksen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.G. te Pas, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.