Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16198

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-12-2014
Datum publicatie
05-01-2015
Zaaknummer
C-09-477224 - KG ZA 14-1368
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

vermelding in Register Paspoortvermeldingen verwijderen en retourneren paspoort; vermelding niet gericht op enig rechtsgevolg en daar kan niet in rechte tegen worden opgekomen; na vervalenverklaring paspoort staat bestuursrechtelijke rechtsgang open

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/477224 / KG ZA 14-1368

Vonnis in kort geding van 15 december 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. B. Coskun te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. R.S.I. Lawant te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 1 december 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

De besloten vennootschap Alper Horeca Discount B.V. (hierna: ‘Alper Horeca Discount’) is bij vonnis van deze rechtbank van 29 november 2011 in staat van faillissement verklaard. Enig aandeelhouder en bestuurder van Alper Horeca Discount is sedert 17 december 2009 de besloten vennootschap Alper Holding B.V. (hierna: ‘Alper Holding’). Enig aandeelhouder en bestuurder van Alper Holding is sedert 7 juli 2011 de heer [A].

1.2.

[eiser] is vanaf 15 oktober 2009 tot en met 17 december 2009 bestuurder geweest van Alper Horeca Discount. Vanaf 3 maart 2009 tot en met 7 juli 2011 is [eiser] aandeelhouder geweest van Alper Holding. Van laatstgenoemde vennootschap was [eiser] tevens bestuurder vanaf 26 januari 2009 tot en met 3 maart 2009.

1.3.

Bij beschikking van 10 juli 2014 heeft deze rechtbank op voordracht van de rechter-commissaris in het faillissement van Alper Horeca Discount bevolen dat [eiser] voor de duur van 30 dagen in bewaring zal worden gesteld. Daartoe heeft de rechtbank onder meer als volgt overwogen:

“De heer [eiser] was vanaf datum oprichting tot 7 juli 2011 middellijk bestuurder van gefailleerde. Vanaf 7 juli 2011 is een katvanger, de heer [A], middellijk bestuurder en enig aandeelhouder van gefailleerde. De heer Koziol heeft geen bekende woon- of verblijfplaats. De heer [eiser] lijkt alle activa aan de boedel te hebben onttrokken, alvorens hij op 7 juli 2011 de aandelen aan een katvanger heeft verkocht. Het lukt de curator – ondanks diverse pogingen – niet in contact te treden met de heer [eiser]. (…) De heer [eiser] heeft nimmer enige administratie van gefailleerde bij de curator aangeleverd. Op schriftelijke verzoeken van de curator om een afspraak te maken om op kantoor van de curator te verschijnen is nimmer een reactie ontvangen.

Gelet op het voorgaande moet worden aangenomen dat de voormalig middellijk bestuurder van gefailleerde opzettelijk zonder geldige reden niet nakomt de hem in artikel 105, lid 1, van de Faillissementswet opgelegde verplichtingen. Het verzoek dient derhalve te worden toegewezen. (…)”

1.4.

Bij beschikking van 29 september 2014 heeft deze rechtbank een verzoek van de rechter-commissaris in het faillissement van Alper Horeca Discount tot verlenging van de inbewaringstelling van [eiser] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe – kort gezegd – overwogen dat het belang van de inbewaringstelling is komen te vervallen nu is gebleken dat [eiser] niet kan voldoen aan zijn inlichtingenplicht door de gewenste administratie over te leggen.

1.5.

Na een door de Staat gehonoreerd verzoek ex artikel 19 van de Paspoortwet van de rechter-commissaris in het faillissement van Alper Horeca Discount tot opneming van [eiser] in het Register Paspoortsignaleringen wegens het bestaan van gronden tot vervallenverklaring van diens nationale paspoort, heeft de Koninklijke Marechaussee, District Schiphol, Dienst Grensbewaking, op 4 november 2014 het nationale paspoort van [eiser] ingenomen.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te bevelen de vermelding van [eiser] in het Register Paspoortsignaleringen binnen 24 uur na het wijzen van dit vonnis ongedaan te maken en binnen 48 uur na het wijzen van dit vonnis aan [eiser] zijn ingenomen nationale paspoort te retourneren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

2.2.

Daartoe voert [eiser] aan dat hij naar aanleiding van een verzoek van de rechter-commissaris in het faillissement van Alper Horeca Discount tot vervallenverklaring van zijn nationale paspoort ten onrechte door de Staat is vermeld in het Register Paspoortsignaleringen. Deze vermelding is volgens [eiser] primair strijdig met artikel 19 van de Paspoortwet nu hij ten tijde van het faillissement geen bestuurder was van Alper Horeca Discount. Dit laatste had naar de mening van [eiser] door de Staat getoetst dienen te worden alvorens tot vermelding in voormeld register werd overgegaan. Subsidiair stelt [eiser] dat, gelet op het voorgaande en de omstandigheid dat hij voor het onderhouden van zakelijke contacten in het buitenland afhankelijk is van het ingenomen nationale paspoort, een onverkorte vermelding in voormeld register en het innemen van zijn nationale paspoort in redelijkheid geen stand kunnen houden.

2.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

In deze procedure is aan de orde of de Staat gehouden kan worden de vermelding van [eiser] in het Register Paspoortvermeldingen te verwijderen en het op 4 november 2014 ingenomen nationale paspoort aan [eiser] te retourneren.

3.2.

De Staat heeft ten verwere in de eerste plaats betoogd dat [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu hem ter zake een bestuursrechtelijke rechtsgang ter beschikking staat. De voorzieningenrechter volgt de Staat in dit betoog en overweegt daartoe als volgt.

3.3.

Zoals de Staat – onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de daarin aangehaalde parlementaire geschiedenis bij het huidige artikel 25 van de Paspoortwet – met juistheid heeft opgemerkt, is de vermelding van [eiser] in het Register Paspoortvermeldingen als zodanig niet gericht op enig rechtsgevolg, zodat daartegen niet afzonderlijk in rechte kan worden opgetreden. Van enig rechtsgevolg is eerst sprake indien de tot vervallenverklaring bevoegde autoriteit, in casu op grond van artikel 44, eerste lid, in samenhang bezien met artikel 40, eerste lid aanhef en onder a, van de Paspoortwet de burgemeester van de gemeente Amsterdam, krachtens voormeld artikel 44 van de Paspoortwet tot daadwerkelijke vervallenverklaring van het ingenomen nationale paspoort van [eiser] mocht besluiten. Dit op rechtsgevolg gericht besluit, hetwelk tot op heden nog niet is genomen, heeft te gelden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waartegen te zijner tijd door [eiser] bezwaar en beroep kan worden aangetekend. Het bestaan van deze bestuursrechtelijke rechtsgang brengt met zich dat in deze voor de civiele rechter geen taak is weggelegd.

3.4.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.424,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 608,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 15 december 2014.

mw