Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16073

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
29-12-2014
Zaaknummer
3170480 RL EXPL 14-19177
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

werkgever beoogt afschaffing variabele bonusregeling (7:613 BW)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2015-1116
AR-Updates.nl 2015-0010
AR 2014/1041
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Den Haag

AD

Rolnr.: 3170480 RL EXPL 14-19177

24 december 2014

Vonnis in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],
eisende partij, verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. D.M. Timmers,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon met wettelijke taak Nederlandse organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek TNO,

gevestigd te Delft,
gedaagde partij, eisende partij in reconventie
gemachtigde: mr. R. Leeuwrik.

Partijen worden verder aangeduid als “[eiser]” en “TNO”.

1 Procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 5 juni 2014 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie met producties.

1.2

Op 19 november 2014 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Daarbij zijn beide partijen met hun gemachtigden verschenen, [eiser] in persoon en TNO vertegenwoordigd door de heer P. Paulus en mevrouw L. van Bijsterveld.

1.3

Vervolgens is de datum van het vonnis bepaald op heden.

2 Feiten

2.1

[eiser] is sinds 1 augustus 2005 in dienst van TNO werkzaam, laatstelijk als Senior Business Developer Small Scale Chemistry tegen een salaris van € 8.386,- bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst zijn van toepassing de Arbeidsvoorwaarden TNO.

2.2

Blijkens artikel 1.4 van de Arbeidsvoorwaarden TNO is de werkgever bevoegd deze arbeidsvoorwaarden en de uitwerkingsregelingen te wijzigen en waar nodig overgangsregelingen te treffen (hierna: het wijzigingsbeding).

2.3

Bij indiensttreding gold voor [eiser] een variabele bonusregeling die voorzag in een bonus van jaarlijks maximaal 25% van zijn bruto jaarsalaris. Vanaf 1 januari 2008 kwam [eiser] in aanmerking voor een bonus van jaarlijks maximaal 15% van zijn bruto jaarsalaris.

2.4

De Raad van Bestuur van TNO heeft op 5 april 2011 besloten om de variabele bonusregeling binnen TNO af te schaffen. In zijn toelichting op dit besluit noemt de Raad van Bestuur als redenen hiervoor: de veranderde opvattingen over het beloningsbeleid binnen TNO, de kritiek in de maatschappelijke discussie op torenhoge bonussen in de financiële sector en het bedrijfsleven en de grote diversiteit binnen de verschillende organisatieonderdelen van TNO op het gebied van doelstellingen-gerelateerde variabele beloning. Er is een afbouwregeling getroffen voor de medewerkers van TNO die op dat moment een variabele bonusregeling hadden.

2.5

Per brief van 31 maart 2011 heeft de voorzitter van de ondernemingsraad (hierna: OR) binnen TNO aan de voorzitter van de Raad van Bestuur medegedeeld dat de OR instemt met het voorgenomen besluit tot afschaffing van de variabele bonusregeling onder de volgende twee voorwaarden:

  • -

    het budget voor de gratificaties is gelijk aan de som van de budgetten voor gratificaties en bonussen van voorgaande jaren waarin ze ook zijn uitgekeerd. De OR krijgt jaarlijks inzicht in de hoogte van de uitgekeerde gratificaties aan specifieke groepen.

  • -

    Er dient een helder proces te worden opgestart vanuit HR waar mensen kunnen toetsen of het salaris dat na het afschaffen van de variabele beloning resteert conform is aan de salarissen die we voor een dergelijke functie binnen TNO betalen, indien zij bij indiensttreding een lager basissalaris hebben geaccepteerd dan elders binnen TNO gebruikelijk was voor een vergelijkbare functie.

2.6

Per brief van 14 oktober 2011 is [eiser] door TNO geïnformeerd over de afschaffing van de variabele bonusregeling en de voor hem geldende afbouwregeling.

3 Vordering en verweer

In conventie:

3.1

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, TNO veroordeelt tot nakoming van de variabele bonusregeling zoals opgenomen in de arbeidsvoorwaarden, zijnde maximaal 15% van het jaarloon, vanaf 1 april 2013 tot het dienstverband rechtsgeldig is beëindigd, en tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 1.225,72 inclusief BTW, een en ander met veroordeling van TNO in de kosten van deze procedure, inbegrepen het salaris van de gemachtigde van [eiser].

3.2

[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de bonusregeling een onderdeel vormt van zijn individueel overeengekomen arbeidsvoorwaarden. Afschaffing van de bonusregeling leidt tot een substantiële inkomensachteruitgang voor [eiser]. Een zwaarwichtig belang als bedoeld in artikel 7:613 BW aan de zijde van TNO bij afschaffing van de bonusregeling, waarvoor de belangen van [eiser] bij behoud van de bonusregeling zouden moeten wijken, ontbreekt. Naast nakoming van de bonusregeling maakt [eiser] tevens aanspraak op vergoeding van de kosten die hij heeft moeten maken om buiten rechte nakoming van zijn vordering te verkrijgen.

3.3

TNO voert tegen de vorderingen gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing. De diverse, onderling verschillende bonusregelingen binnen de organisatie van TNO waren niet te rijmen met het arbeidsvoorwaardenbeleid dat TNO nastreefde. De betreffende regelingen werden ook overbodig omdat er geen aanleiding was om te denken dat ze effectief waren. De prikkel om bij TNO te werken is vooral en in veruit de meeste gevallen een inhoudelijke en niet een financiële. De opvattingen over het arbeidsvoorwaardenbeleid van TNO worden bovendien in grote mate beïnvloed door de maatschappelijke discussie over de beloningen en bonussen bij (semi)publieke instellingen. De huidige opvatting is dat er een gematigd beloningsbeleid moet worden gevoerd en dat prestatiegerelateerde bonussen daar niet in passen. Daarbij wijst TNO op de Wet normering topinkomens (hierna: WNT) die nu al doorwerkt binnen de gehele organisatie van TNO en in de toekomst voor alle functionarissen van publieke en semipublieke instellingen zal gelden. TNO had derhalve een zwaarwichtig belang bij de afbouw van de bonusregeling en het belang van [eiser] bij het behoud van de mogelijkheid om een bonus te verdienen, diende daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid te wijken. Uit de instemming van de OR blijkt eveneens dat een zwaarwichtig belang aanwezig is geweest. Ook op grond van artikel 7:611 en/of 6:248 lid 2 en/of 6:258 BW dient de afbouwregeling van [eiser] in stand te blijven. TNO voert gemotiveerd verweer tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en stelt dat dergelijke kosten niet zijn gemaakt, terwijl de vordering van [eiser] geen geldvordering betreft en het om werkzaamheden gaat waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv een vergoeding plegen in te sluiten. TNO betwist tevens de hoogte van het gevorderde bedrag.

In reconventie:

3.4

TNO vordert, indien de vorderingen van [eiser] in conventie worden toegewezen, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] veroordeelt tot terugbetaling van het door TNO onverschuldigd betaalde totaalbedrag van € 15.450,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf acht dagen na dagtekening van dit vonnis, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure, inclusief nakosten.

3.5

TNO legt aan zijn vordering ten grondslag dat in het kader van de afbouwregeling aan [eiser] de volgende bedragen zijn betaald: in 2012 een bedrag van € 7.725,25; in 2013 een bedrag van € 5.150,17 en in 2014 een bedrag van € 2.575,08, in totaal derhalve een bedrag van € 15.450,50, dat onverschuldigd is betaald indien de vorderingen in conventie worden toegewezen.

3.6

[eiser] heeft zich voor wat betreft de reconventionele vordering gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter.

4 Beoordeling

In conventie en in reconventie:

4.1

De vorderingen in conventie en (voorwaardelijke) reconventie lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

4.2

Beoordeeld dient te worden of TNO gehouden is jegens [eiser] de variabele bonusregeling na te komen.

4.3

[eiser] heeft niet weersproken dat er grote diversiteit binnen de verschillende organisatieonderdelen van TNO bestond op het gebied van variabele beloning. De kantonrechter overweegt dat het voorstelbaar is dat een werkgever de behoefte heeft om te komen tot een uniform salaris- en beloningssysteem binnen zijn bedrijf. Eveneens is begrijpelijk dat TNO in dat verband belang hecht aan de actuele maatschappelijke discussie en huidige opvattingen over de wenselijkheid van een beloningssysteem binnen een (semi)publieke organisatie, waarin variabele bonussen zorgen voor financiële prikkels voor werknemers om bepaalde doelstellingen te realiseren.

7:613 BW

4.4

Indien de werkgever een beroep doet op een wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW dan dient dit beroep echter getoetst te worden aan de vraag of het belang van de werknemer moet wijken voor het zwaarwichtig belang van de werkgever. De kantonrechter is met [eiser] van oordeel dat niet valt in te zien dat de door TNO gestelde belangen van voldoende gewicht zijn om in te grijpen in de al jaren bestaande aanspraken op een variabele beloning als die van [eiser]. Het feit dat de OR onder voorwaarden heeft ingestemd met het besluit van TNO tot afschaffing van de bonusregeling, dat een afbouwregeling is getroffen en dat het mogelijk blijft om voor bijzondere prestaties een gratificatie te ontvangen, maakt dit niet anders.

7:611 BW

4.5

Voor zover TNO zich tot zijn verweer beroept op het bepaalde in artikel 7:611 BW geldt als maatstaf of TNO als goed werkgever aanleiding heeft kunnen vinden een voorstel te doen tot afbouw van de bonusregeling en of dat voorstel, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is. Ook dan concludeert de kantonrechter dat in de door TNO gestelde belangen geen rechtvaardiging wordt gezien voor het wijzigen van de met [eiser] in 2005 overeengekomen variabele beloning. Van een redelijk wijzigingsvoorstel is derhalve geen sprake geweest.

6:258/6:248 lid 2 BW

4.6

Verder heeft TNO gesteld dat de wijziging van de maatschappelijke opvattingen ten aanzien van het beloningsbeleid, en meer in het bijzonder ten aanzien van bonussen in de (semi)publieke sector, alsook de inwerkingtreding van de WNT, tezamen kwalificeren als onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 BW op grond waarvan de instandhouding van de voor [eiser] geldende bonusregeling niet verwacht mag worden. Partijen hebben in de mogelijkheid van het optreden van die wijziging ten tijde van het aangaan van de bonusregeling ook niet willen voorzien, noch hebben zij die mogelijkheid stilzwijgend verdisconteerd in hun afspraken. Het zou dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW als de bonusregeling in stand zou blijven.

4.7

[eiser] heeft niet weersproken dat de door TNO genoemde wijziging in de maatschappelijke opvattingen en inwerkingtreding van de WNT voor partijen onvoorzienbaar waren en destijds niet verdisconteerd zijn in de door hen gemaakte afspraken over de bonusregeling. De vraag is dan of deze onvoorziene omstandigheden moeten leiden tot wijziging van de bonusregeling op grond van artikel 6:258 BW. Bepalend is daarvoor of de onvoorziene omstandigheden van zodanige aard zijn dat [eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de toezeggingen niet mag verwachten.

4.8

Met verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 september 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BN8537 (voorheen LJN: BN8537) overweegt de kantonrechter dat voor de invulling van de in artikel 6:258 BW voorkomende begrippen ‘redelijkheid en billijkheid’ artikel 3:12 BW uitgangspunt is. Dit artikel bepaalt dat bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, rekening moet worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuiging en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen. Er bestaat geen rangorde tussen deze verschillende gezichtspunten. Redelijkheid en billijkheid verlangen op de eerste plaats trouw aan het gegeven woord. De kantonrechter oordeelt dat, voor zover TNO met de afschaffing van de bonusregeling gehoor heeft gegeven aan de maatschappelijke kritiek op bonussen, dat niet betekent dat [eiser] geen beroep mag doen op de nakoming van hetgeen TNO met hem is overeengekomen. Daarbij valt nog op te merken dat van TNO maatschappelijke verantwoordelijkheid verwacht mag worden. De eventuele gevolgen van het door hem in het verleden gehanteerde beloningsbeleid behoren eerder voor zijn rekening dan voor die van de individuele werknemer te komen. Uit het voorgaande volgt dat, ook al zijn onvoorziene omstandigheden aanwezig, deze niet van dien aard zijn dat [eiser] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de gedane toezeggingen niet mag verwachten. Het beroep van TNO op artikel 6:258/6:248 lid 2 BW wordt dan ook verworpen.

4.9

Gezien het vorenstaande wordt geoordeeld dat TNO gehouden is jegens [eiser] de variabele bonusregeling na te komen. De betreffende vordering zal derhalve worden toegewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.10

De door [eiser] gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn door TNO gemotiveerd betwist. Tegenover die betwisting heeft [eiser] nagelaten een behoorlijke specificatie te verstrekken van de buiten rechte verrichte werkzaamheden, zodat deze vordering als onvoldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt zal worden afgewezen.

Onverschuldigde betaling

4.11

Uit het onder r.o. 4.9 weergegeven oordeel volgt dat TNO de in het kader van de getroffen afbouwregeling aan [eiser] betaalde bedragen zonder rechtsgrond heeft betaald en derhalve gerechtigd is deze als onverschuldigd betaald van [eiser] terug te vorderen. [eiser] heeft zich voor wat betreft de reconventionele vordering gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter. De betreffende vordering zal als op de wet gegrond worden toegewezen.

Proceskosten

4.12

TNO zal als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in conventie. Daarbij bepaalt de kantonrechter het bedrag aan salaris aan de hand van het liquidatietarief. Dat [eiser] stelt kosten te hebben gemaakt voor juridisch advies van advocatenkantoor Nauta Dutilh, blijft verder buiten beschouwing.

4.13

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in reconventie. Voor zover nakosten gemaakt worden, levert dit vonnis voor die nakosten een titel op. De kantonrechter beschikt over onvoldoende gegevens om de nakosten te begroten. In zoverre is de vordering van TNO derhalve niet toewijsbaar.

5 Beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

- veroordeelt TNO tot nakoming van de variabele bonusregeling zoals opgenomen in de arbeidsvoorwaarden, zijnde maximaal 15% van het jaarloon, vanaf 1 april 2013 tot de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is beëindigd;

- veroordeelt TNO in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 1.164,27, waaronder begrepen een bedrag van € 600,- als het aan de gemachtigde van [eiser] toekomende salaris;

- wijst af wat meer of anders is gevorderd;

In reconventie:

- veroordeelt [eiser] tot betaling aan TNO van een bedrag van € 15.450,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf acht dagen na dagtekening van dit vonnis;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van TNO vastgesteld op € 300,- als het aan de gemachtigde van TNO toekomende salaris;

- wijst af wat meer of anders is gevorderd;

In conventie en in reconventie:

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.J.Verbeek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 december 2014.