Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:16052

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2014
Datum publicatie
29-12-2014
Zaaknummer
2970751 RL EXPL 14-11273
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De staat is niet aansprakelijk voor schade door een politie-inval in een aan een derde onderverhuurde huurwoning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Den Haag

FJ

Rolnr.: 2970751 RL EXPL 14-11273

3 september 2014

Vonnis in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],
eisende partij,
gemachtigde: mr. G.A. Soebhag,
(toevoeging verleend onder nr. 3IB2972 d.d. 21 januari 2014)


tegen

de Staat der Nederlanden,

Ministerie van Veiligheid en Justitie,

zetelend te Den Haag,

gedaagde partij,
gemachtigde: mr. B. Rademacher.

Partijen worden verder aangeduid als “[eiseres]” en “de Staat”.

1 Procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

  • -

    de dagvaarding van 3 april 2014 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties.

1.2

Op 28 juli 2014 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Daarbij zijn verschenen: [eiseres] in persoon, bijgestaan door haar gemachtigde, en de Staat vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en de heer

P. Timmerman.

1.3

Vervolgens is de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2 Feiten

2.1

[belanghebbende] is een buurjongen geweest van [eiseres] en was bevriend met haar zoon. Omdat [belanghebbende] geen woonruimte had, heeft [eiseres] hem in haar huurwoning aan de [adres] te [woonplaats] onderdak verschaft. [eiseres] verbleef zelf op een ander adres.

2.2

Op 13 januari 2013 is de politie ter aanhouding van [belanghebbende] binnengetreden in de huurwoning van [eiseres]. Daarbij is de voordeur van de woning geforceerd. [belanghebbende] is aangehouden op verdenking van (poging tot) doodslag.

2.3

Bij vonnis van 21 november 2013 is [belanghebbende] door de rechtbank Rotterdam wegens doodslag veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar. [belanghebbende] heeft tegen deze uitspraak hoger beroep aangetekend.

2.4

[eiseres] is door haar verhuurder aangesproken tot betaling van de reparatiekosten van de voordeur ad € 863,63.

2.5

Per brief van 4 februari 2013 heeft [eiseres] de politie verzocht om deze schade aan haar te vergoeden. Per brief van 6 mei 2013 heeft de hoofdofficier van justitie dit verzoek afgewezen. Op een verzoek van [eiseres] d.d. 4 juni 2013 om deze afwijzing te heroverwegen, heeft de hoofdofficier van justitie op 6 juni 2013 afwijzend beslist.

2.6

Bij bief van 3 februari 2014 heeft de gemachtigde van [eiseres] de Staat aansprakelijk gesteld voor de schade ter hoogte van € 1.100,-, bestaande uit de herstelkosten van de voordeur en de invorderingskosten die ten laste van [eiseres] zijn gebracht. In zijn brief van 24 februari 2014 heeft de hoofdofficier van justitie opnieuw afwijzend beslist.

3 Vordering

3.1

[eiseres] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- verklaart voor recht dat de Staat gehouden is de volledige schade te vergoeden van de politie-inval in de woning van [eiseres] op 13 januari 2013;

- de Staat veroordeelt tot betaling van de door [eiseres] als gevolg van de politie-inval geleden vermogensschade van in totaal € 1.100,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

3 februari 2014 tot en met de dag der algehele voldoening;

- de Staat veroordeelt in de kosten van deze procedure, inbegrepen het salaris van de gemachtigde van [eiseres].

3.2

[eiseres] legt aan haar vordering naast de vaststaande feiten ten grondslag dat zij geen wetenschap had van het door [belanghebbende] gepleegde strafbare feit. Politie en justitie zijn ten onrechte onzorgvuldig, en zonder met haar als officiële huurder van de woning overleg te voeren, tot de inval en beschadiging van de voordeur overgegaan. Bovendien is schade, die het gevolg is van een op zichzelf rechtmatige politie-inval, voor rekening van de Staat voor zover deze schade als onevenredig nadelig is aan te merken. Dat is hier evident het geval. [eiseres] doorloopt thans een schuldhulpverleningstraject bij de Kredietbank Rotterdam en mag geen nieuwe schulden maken.

4 Verweer

4.1

De Staat voert gemotiveerd verweer waarop hierna voor zover nodig nader wordt ingegaan en concludeert tot afwijzing van de vordering.

5 Beoordeling

5.1

Beoordeeld dient te worden of de Staat gehouden is om de schade te vergoeden die [eiseres] heeft geleden door de politie-inval in haar huurwoning op 13 januari 2013. De kantonrechter stelt voorop dat het binnentreden in de huurwoning van [eiseres] ter aanhouding van [belanghebbende] niet als onrechtmatig kan worden beschouwd. Tussen partijen is niet in geschil dat het binnentreden overeenkomstig de daarvoor geldende regels van strafvordering heeft plaatsgevonden. Ook indien een overheidshandeling op zichzelf niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt, is de Staat op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk voor de onevenredig nadelige gevolgen van zodanige handeling, dat wil zeggen de gevolgen die buiten het normale maatschappelijk risico of het normale bedrijfsrisico vallen en die op een beperkte groep burgers of instellingen drukken.

5.2

In het arrest van 17 september 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO7887) heeft de Hoge Raad overwogen dat de vraag of zulks tot aansprakelijkheid van de overheid jegens de benadeelde leidt - op de grond dat deze gevolgen buiten het normale maatschappelijk risico of het normale bedrijfsrisico van de benadeelde vallen - dient te worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. In dit verband kunnen onder meer van belang zijn (a) de aard van de overheidshandeling, (b) het gewicht van het daarmee gediende belang, (c) de voorzienbaarheid van die handeling en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, en (d) de aard en de omvang van de toegebrachte schade.

Indien in een bepaald geval de gevolgen van strafvorderlijk optreden een ander dan de verdachte treffen, moet worden aangenomen dat schade die bij een huiszoeking in de woning van een ander dan de verdachte wordt toegebracht aan zaken van die ander, niet behoort tot het maatschappelijk risico van die ander, zodat de overheid in beginsel gehouden is die schade op grond van onrechtmatige daad te vergoeden. Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat bij bevestigende beantwoording van de vraag of de overheid op de hiervoor vermelde grond in beginsel aansprakelijk is, vervolgens dient te worden onderzocht of de op de overheid rustende vergoedingsplicht op de voet van art. 6:101 BW moet worden verminderd of geheel moet vervallen, op de grond dat de schade mede een gevolg is van omstandigheden die aan de benadeelde kunnen worden toegerekend.

5.3

De vraag is daarom allereerst of de gevolgen van het binnentreden in de huurwoning van [eiseres] geacht moeten worden buiten het normale maatschappelijk risico van [eiseres] te vallen. De Staat heeft dit gemotiveerd betwist. De Staat acht van belang dat [belanghebbende] ruim een half jaar in de woning van [eiseres] woonde ten tijde van de inval, en dat het inherent is aan het gebruik van het dwangmiddel binnentreding van de woning ter aanhouding van de verdachte dat de eigenaar, verhuurder of bruikleengever van de woning, in casu [eiseres], daar (enige) gevolgen van kan ondervinden. Een ruime aansprakelijkheid van de Staat in dergelijke gevallen zou ongewenst zijn omdat dit de opsporing van strafbare feiten zou belemmeren. Verder wijst de Staat erop dat het dwangmiddel werd toegepast in het kader van het opsporen van zeer ernstige strafbare feiten, te weten een zware mishandeling en poging tot doodslag. Vervolgens benadrukt de Staat dat het voor [eiseres] gelet op het proces-verbaal van haar verhoor als getuige voorzienbaar is geweest dat [belanghebbende] op enig moment mogelijk als verdachte zou worden aangemerkt en dat op basis daarvan strafvorderlijke dwangmiddelen zouden worden toegepast.

5.4

Het verweer van de Staat slaagt niet. De kantonrechter is gelet op het hiervoor vermelde arrest van de Hoge Raad van oordeel dat de aard van het strafvorderlijk optreden niet met zich mee brengt dat de Staat slechts beperkt aansprakelijk gehouden kan worden voor de daarbij aan een derde veroorzaakte schade, ook niet wanneer het een verdachte van een ernstig geweldsdelict betreft. Dat het voor [eiseres] voorzienbaar is geweest dat [belanghebbende] op enig moment mogelijk als verdachte zou worden aangemerkt en dat op basis daarvan strafvorderlijke dwangmiddelen zouden worden toegepast, acht de kantonrechter op basis van het proces-verbaal van het verhoor van [eiseres] als getuige en het verhandelde tijdens de comparitie onvoldoende onderbouwd. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] niet betrokken is geweest bij enig strafbaar handelen van [belanghebbende] en dat zij daarvan ook niet op de hoogte is geweest. De kantonrechter concludeert dat de in casu ontstane schade niet behoort tot het maatschappelijk risico van [eiseres], zodat de Staat in beginsel gehouden is die schade op grond van onrechtmatige daad te vergoeden. Daarbij is de kantonrechter met de Staat van oordeel dat de in beginsel te vergoeden schade uitsluitend bestaat uit de daadwerkelijke herstelkosten van de deur, ten bedrage van € 863,34, nu overige gestelde schade in het licht van de gemotiveerde betwisting door de Staat niet of onvoldoende nader is onderbouwd.

5.5

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de op de Staat rustende vergoedingsplicht op de voet van art. 6:101 BW moet worden verminderd of geheel moet vervallen, op de grond dat de schade mede een gevolg is van omstandigheden die aan [eiseres] kunnen worden toegerekend. In dit verband heeft de Staat een beroep gedaan op artikel 6:101 lid 2 BW en gesteld dat, nu niet gesproken kan worden van eigen schuld van [eiseres], gekeken moet worden naar de schuld van [belanghebbende] als degene die de woning waar de schade is toegebracht onder zijn macht had. Nu [belanghebbende] verdachte is van een ernstig strafbaar feit, waarvoor hij ook is veroordeeld, kan de schade veroorzaakt door het binnentreden aan hem worden toegerekend. Op grond van artikel 6:101, lid 2 BW dient deze schuld vervolgens te worden toegerekend aan [eiseres]. [eiseres] heeft dit verweer van de Staat niet weersproken.

5.6

In het onderhavige geval is artikel 6:101 lid 2 BW van toepassing nu de vergoedingsplicht schade betreft die is toegebracht aan de deur van de huurwoning die [belanghebbende] voor de benadeelde, [eiseres], in zijn macht had en de schade het gevolg is van een omstandigheid, bestaande uit de verdenking van ernstige strafbare feiten, die geheel aan [belanghebbende] kan worden toegerekend. Het lijdt geen twijfel dat de verantwoordelijkheid voor de schade geheel bij [belanghebbende] ligt. Op grond van artikel 6:101 lid 2 juncto artikel 6:101 lid 1 BW wordt deze omstandigheid, die aan [belanghebbende] kan worden toegerekend, aan [eiseres] toegerekend. Dit leidt ertoe dat de schade geheel voor rekening van [eiseres] blijft aangezien niet is gesteld of gebleken dat de billijkheid eist dat een andere verdeling plaatsvindt of dat de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft. Dit leidt tot de conclusie dat de vordering zal worden afgewezen.

5.7

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu de gemachtigde van de Staat in dienstverband bij hem werkzaam is, zullen de noodzakelijke reis-, verblijf en verletkosten tot op heden aan zijn kant forfaitair worden vastgesteld op een bedrag ad € 100,-. Voor zover nakosten gemaakt worden levert dit vonnis voor die nakosten een titel op. De kantonrechter beschikt over onvoldoende gegevens om de nakosten te begroten. In zoverre is de vordering van de Staat derhalve niet toewijsbaar.

6 Beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van de Staat vastgesteld op € 100,-;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.J. Verbeek en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2014.