Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15957

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
C-09-477558 KG ZA 14-1395
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gevorderd verbod tot overlevering naar Frankrijk afgewezen, aangezien niet aannemelijk is geworden dat die overlevering jegens eiser onrechtmatig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/477558 / KG ZA 14-1395

Vonnis in kort geding van 23 december 2014

in de zaak van

[eiser],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in het PPC [locatie] te [plaatsnaam],

eiser,

advocaat mr. L.J. Woltring te Haarlem,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden, (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de Staat’.

1 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 12 december 2014 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

Op 17 februari 2014 hebben de Franse autoriteiten door middel van het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) de aanhouding en overlevering van [eiser] verzocht, in verband met het vermoeden dat [eiser] zich in Frankrijk heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten, meer in het bijzonder moord/zware mishandeling, oplichting en valsheid in geschrift. Volgens de Franse autoriteiten heeft [eiser] (samengevat), zich uitgevende voor tandarts, een groot aantal patiënten behandeld en gewelddadige handelingen verricht zonder medisch nut, met medische complicaties als gevolg, en heeft hij onnodige behandelingen in rekening gebracht en documenten vervalst.

1.2.

[eiser] is op 7 september 2014 op Schiphol aangehouden, nadat hij als gevolg van een verlopen visum als ongewenste vreemdeling uit Canada was uitgezet.

1.3.

Tijdens zijn verhoor door de hulpofficier van justitie op 7 september 2014 heeft hij – voor zover hier van belang – verklaard dat hij kort voor zijn vertrek naar Nederland een zesde poging tot suïcide heeft gedaan, dat hij in oktober 2006 in Nederland een actieve rol heeft gehad bij de euthanasie van zijn toenmalige echtgenote, dat hij een mogelijke straf in Frankrijk accepteert, maar dat hij in Nederland onderzocht en behandeld wil worden in verband met zijn psychische problemen. Deze verklaring heeft [eiser] herhaald tijdens zijn verhoor door de officier van justitie op 8 september 2014, waarbij hij tevens de wens heeft uitgesproken dat een eventuele strafzaak naar aanleiding van de euthanasie van zijn vrouw in Nederland wordt behandeld.

1.4.

Sinds 9 september 2014 verblijft [eiser] in het penitentiair psychiatrisch centrum [plaatsnaam], locatie [locatie], hierna ‘PPC [locatie]’.

1.5.

In reactie op een verzoek van de advocaat van [eiser] om informatie met betrekking tot een eventueel onderzoek naar aanleiding van de verklaring van [eiser] over hulp bij zelfdoding van zijn vrouw, heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum van het arrondissementsparket Amsterdam, hierna ‘het IRC’, bij faxbericht van 1 oktober 2014 aan de advocaat van [eiser] meegedeeld dat er ter zake geen strafrechtelijke vervolging gaande is en dat een eventueel onderzoek naar aanleiding van die verklaring in het kader van de Overleveringswet (Olw) niet van belang is. Voorts wordt meegedeeld dat in het kader van de mogelijke overlevering naar Frankrijk onderzoek zal worden gedaan naar de detentiegeschiktheid van [eiser] en zijn mogelijkheid om te reizen.

1.6.

Op 6 oktober 2014 heeft het IRC aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie te [plaatsnaam], hierna ‘het NIFP’, verzocht [eiser] te onderzoeken en een onafhankelijk advies over zijn gezondheidstoestand te geven.

1.7.

Op 7 oktober 2014 heeft de officier van justitie aan de advocaat van [eiser] meegedeeld dat het openbaar ministerie niet voornemens is de door [eiser] verlangde garanties dat een niet-reanimerenverklaring wordt geaccepteerd en dat hij niet gedwongen wordt om voedsel, vocht of medicatie tot zich te nemen aan PPC [locatie] te vragen.

1.8.

O.M. den Held, als psychiater verbonden aan het NIFP, heeft op 9 oktober 2014 schriftelijk aan het IRC gerapporteerd. Samengevat luidt zijn oordeel dat het verblijf van [eiser] binnen Franse detentie mogelijk is, mits dit plaatsvindt binnen een klinisch psychiatrische zorgsetting met een hoog zorg- en beveiligingsniveau, waar de behandeling adequaat kan worden voortgezet. Voorts dient de behandeling van [eiser] schriftelijk aan de Franse zorgprofessionals te worden overgedragen en dient overplaatsing van [eiser] naar Frankrijk onder professionele begeleiding te geschieden.

1.9.

De Internationale Rechtshulpkamer van de rechtbank Amsterdam, hierna ‘de rechtbank Amsterdam’, heeft bij uitspraak van 7 november 2014 de overlevering van [eiser] aan de officier van justitie bij het parket van het Hooggerechtshof te Bourges (Frankrijk) toegelaten, dit ten behoeve van het in Frankrijk tegen [eiser] gerichte strafrechtelijk onderzoek. In die uitspraak heeft de rechtbank Amsterdam met betrekking tot het standpunt van [eiser] dat hij in Frankrijk niet gedetineerd kan worden binnen een klinische psychiatrische zorgsetting met een hoog zorg- en beveiligingsniveau overwogen: “De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de officier van justitie er blijk van heeft gegeven dat hij kennis heeft genomen van de psychiatrische problematiek en de zelfmoordwensen van de opgeëiste persoon en dat de officier van justitie hier op een zorgvuldige wijze mee omgaat. De rechtbank vertrouwt er dan ook op dat de feitelijke overdracht aan Frankrijk op een verantwoorde wijze kan plaatsvinden.

Voorts overweegt de rechtbank dat aan de persoonlijke belangen voldoende wordt tegemoet gekomen nu onder 6 van deze uitspraak is geoordeeld dat de opgeëiste persoon zijn uiteindelijk in Frankrijk opgelegde vrijheidsstraf in Nederland op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties zal mogen ondergaan.”.

1.10.

Een aan het PPC [locatie] verbonden gezondheidspsycholoog en psychiater hebben (zoals tussen partijen vast staat op 7 november 2014) een ongedateerde ontslagbrief met betrekking tot [eiser] opgesteld, waarin zij verslag doen van de psychiatrische voorgeschiedenis van [eiser], de onderzoeken die tijdens zijn verblijf in PPC [locatie] zijn verricht en de behandeling die hij heeft ondergaan.

1.11.

In een (vertaald) e-mailbericht van 10 november 2014 heeft de Franse onderzoeksrechter, Paul-Edouard Lallois, voor zover hier van belang het volgende aan het openbaar ministerie meegedeeld:

“Met verwijzing naar onze uitwisseling met betrekking tot de gezondheidstoestand van de Heer [eiser], kan ik u verzekeren dat hij de verzorging zal krijgen die hij nodig heeft in het geval hij gevangen zal worden gezet in Frankrijk.

Inderdaad, wanneer hij zal worden opgesloten in het Huis van Bewaring van BOURGES dan zal het mogelijk zijn om zeer snel te worden onderzocht door een huisarts, een psychiater of een psycholoog.

Wij hebben goed genoteerd dat de Heer [eiser] zelfmoord neigingen heeft.

In het geval dat het nodig is voor zijn gezondheidstoestand kan hij geplaatst worden in een gespecialiseerde omgeving voor psychiatrie, na beraadslaging met het medisch college, op een gespecialiseerde afdeling voor mensen die lijden aan pathologische psychiatrie, zo’n afdeling wordt hier genoemd: een UHSC.

De afdeling waar het Huis van Bewaring van BOURGES onder valt, bevindt zich in ORLEANS en is een geheel nieuw centrum, (…) en u kunt zeker zijn van de kwaliteit van de opvang.

(…)

Mijnheer [eiser], die gedurende 3 jaar het beroep van tandarts heeft uitgevoerd in Frankrijk, zal geen enkele moeilijkheid hebben om zich begrijpelijk te maken bij het medisch personeel en wanneer dit niet het geval is kan hij worden bijgestaan door een tolk.

(…)”.

1.12.

De in 1.10. bedoelde gezondheidspsycholoog heeft in een e-mailbericht van 9 december 2014 aan de advocaat van [eiser] meegedeeld dat de informatie uit de eerdere ontslagbrief is achterhaald, aangezien de nieuwe behandelaren van [eiser] een andere diagnose hebben gesteld.

1.13.

In een e-mailbericht van 11 december 2014 heeft de Franse onderzoeksrechter (samengevat) aan het openbaar ministerie meegedeeld dat het mogelijk is dat [eiser] tijdens zijn transport naar Bourges wordt begeleid door een psychiatrisch verpleegster. Daarbij is tevens verzocht om de relevante medische informatie met betrekking tot [eiser] te verstrekken.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te verbieden om [eiser] aan Frankrijk over te leveren zolang er geen verblijfplaats binnen een klinisch psychiatrische zorgsetting is gevonden waar [eiser] adequate zorg kan worden geboden en/of de Staat te verbieden [eiser] aan Frankrijk over te leveren zolang de Franse zorgprofessionals niet verklaren en aantonen dat zij bereid en in staat zijn de behandeling van [eiser] over te nemen en/of de Staat te verbieden [eiser] aan Frankrijk over te leveren indien de overplaatsing niet overeenkomstig het standpunt van Den Held plaatsvindt, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

2.2.

Daartoe stelt [eiser] het volgende. Volgens de Internationale Rechtshulpkamer en het openbaar ministerie staat niets aan de overlevering van [eiser] aan Frankrijk in de weg. Den Held heeft echter in zijn rapport opgenomen dat het verblijf in detentie van [eiser] in Frankrijk mogelijk is, mits het verblijf plaatsvindt in een klinisch psychiatrische zorgsetting met een hoog zorg- en beveiligingsniveau, zodat [eiser] op adequate wijze kan worden behandeld. Op dit moment wordt [eiser] nauwelijks behandeld voor zijn psychische klachten en is er onvoldoende informatie beschikbaar met betrekking tot de problematiek van [eiser] en de wijze waarop hij behandeld dient te worden, te meer nu [eiser] pas onlangs naar voren heeft gebracht dat hij kampt met genderproblematiek. Vast staat wel dat er maatregelen ter voorkoming van suïcide moeten worden genomen, maar op geen enkele wijze is duidelijk welke maatregelen dat zijn, in hoeverre deze ook in Frankrijk kunnen worden genomen en al evenmin of een geschikte locatie voor het verblijf van [eiser] beschikbaar is. [eiser] betwijfelt of zijn overdracht aan Frankrijk onder professionele begeleiding zal plaatsvinden en is van mening dat de Franse zorgverleners moeten verklaren en aantonen dat zij de behandeling van [eiser] zullen uitvoeren volgens de regelen der kunst. Voorts zou de Staat zich erover moeten uitlaten of [eiser] wordt vervolgd voor de hulp bij zelfdoding van zijn echtgenote in 2006. Ten slotte heeft [eiser] gesteld dat hij de Franse taal onvoldoende machtig is om zijn psychische gesteldheid met een behandelaar te bespreken en dat gebruikmaking van een tolk een schending van zijn privacy met zich meebrengt.

2.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

3.2.

Tussen partijen staat vast dat de rechtbank Amsterdam de overlevering van [eiser] aan Frankrijk bij uitspraak van 7 november 2014 heeft toegestaan. De vraag die ter beoordeling voor ligt is of de Staat (het Openbaar Ministerie) in redelijkheid tot het voornemen heeft kunnen komen om thans tot de feitelijke overlevering van [eiser] aan Frankrijk over te gaan, dan wel of hij jegens [eiser] onrechtmatig handelt.

3.3.

De feitelijke overlevering van een opgeëiste persoon kan op grond van het bepaalde in artikel 35, derde lid, Olw achterwege blijven zolang ernstige humanitaire redenen aan de feitelijke overlevering in de weg staan, in het bijzonder zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon niet verantwoord is om te reizen. Daarbij moet tot uitgangspunt worden genomen dat indien overlevering wordt verzocht ten behoeve van strafvervolging in gevallen waarin zowel de verzoekende als de aangezochte staat is toegetreden tot mensenrechtenverdragen, het aan de rechter die over de toelaatbaarheid van de overlevering moet oordelen, in het algemeen niet toekomt te beslissen over de vraag of door dan wel in het kader van die strafvervolging enig in een verdrag gegarandeerd recht van de opgeëiste persoon wordt geschonden of dreigt te worden geschonden. In dergelijke gevallen moet immers in beginsel worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende staat de desbetreffende verdragsbepalingen zal eerbiedigen.

3.4.

Volgens [eiser] is zijn feitelijke overlevering op dit moment onrechtmatig aangezien onvoldoende duidelijk is in hoeverre hij in Frankrijk kan verblijven in de door psychiater Den Held noodzakelijk geoordeelde zorgsetting en of hij aldaar op de door de psychiater voorgestelde wijze behandeld kan worden voor zijn psychische klachten en met betrekking tot zijn suïcidegedrag. Deze klachten van [eiser] kunnen gelet op het hiervoor genoemde toetsingskader slechts tot uitstel van de feitelijke overlevering leiden indien er gegronde reden is om aan te nemen dat overlevering het leven of de gezondheid van [eiser] ernstig in gevaar zou brengen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een dergelijke gegronde reden ontbreekt. [eiser] heeft tegenover het oordeel van de rechtbank Amsterdam en de in de e-mailberichten van 10 november 2014 en 11 december 2014 door de Franse onderzoeksrechter gedane toezeggingen met betrekking tot het transport van [eiser] naar Frankrijk, de onderzoeken die hij in Franse detentie zal ondergaan, de behandeling die hij vervolgens zal krijgen en de rekenschap die zij zich geven van het suïcidegevaar, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn medische behandeling niet door Frankrijk kan worden overgenomen, noch dat hij in Frankrijk niet op een adequate wijze behandeld zal worden. Dit geldt te meer nu niet gebleken is dat de gezondheidszorg in Frankrijk van een onvoldoende niveau is. Voor zover [eiser] zich erop heeft beroepen dat de overdracht aan de Franse zorgprofessionals niet op een professionele wijze plaatsvindt, wordt overwogen dat de Staat genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat het rapport van psychiater Den Held en de ontslagbrief vertaald in het Frans aan de Franse autoriteiten zijn gezonden, zodat de Franse zorgprofessionals kunnen beschikken over alle in Nederland voorhanden informatie met betrekking tot de gezondheidstoestand van [eiser] en de wijze waarop hij behandeld wordt. Dat de gezondheidspsycholoog in het e-mailbericht van 9 december 2014 afstand neemt van de inhoud van de ontslagbrief, maakt dit niet anders, aangezien de Staat ter zitting heeft toegezegd dat ook de stukken die bij het feitelijke ontslag van [eiser] zullen worden opgesteld en waarin de bevindingen van de huidige behandelaars van [eiser] (al dan niet vergezeld van een diagnose) zijn vermeld, in vertaalde vorm aan de Franse autoriteiten zullen worden toegezonden. Gelet op het voorgaande is dan ook voorshands niet gebleken dat de overdracht van [eiser] aan Frankrijk op een niet-professionele wijze plaatsvindt en valt niet in te zien op grond waarvan de omstandigheid dat ten aanzien van [eiser] nog geen definitieve diagnose is gesteld aan de feitelijke overlevering van [eiser] in de weg zou moeten staan. De eerst recent door [eiser] aan de orde gestelde genderproblematiek leidt niet tot een ander oordeel. In het rapport van psychiater Den Held omvat de voorgestelde behandeling van [eiser] immers niet de behandeling voor die problematiek, terwijl overigens onvoldoende gebleken is dat [eiser] indien nodig in Frankrijk ter zake niet adequaat behandeld zou kunnen worden. Dat [eiser] zich mogelijk in Frankrijk bij gesprekken met behandelaars moet laten bijstaan door een tolk is weliswaar ingrijpend voor [eiser], maar is naar voorlopig oordeel onvoldoende zwaarwegend om zijn overlevering uit te stellen.

3.5.

Dat van de Staat gevergd kan worden dat hij nadere garanties van de Franse autoriteiten verlangt, in die zin dat de Franse zorgverleners moeten verklaren en aantonen dat zij bereid en in staat zijn om de behandeling van [eiser] over te nemen, zoals door [eiser] is gesteld, is naar voorlopig oordeel niet gebleken. Zoals hiervoor reeds is overwogen moet er immers op vertrouwd worden dat Frankrijk de mensenrechten van [eiser] zal respecteren en [eiser] heeft tegenover de door de Franse onderzoeksrechter gedane toezeggingen met betrekking tot zijn behandeling in Frankrijk onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd die een uitzondering op dit vertrouwensbeginsel rechtvaardigen.

3.6.

Voor zover [eiser] zich op het standpunt heeft gesteld dat de Staat zich erover moet uitlaten of [eiser] vervolgd wordt voor de hulp bij zelfdoding van zijn echtgenote, wordt overwogen dat uit het faxbericht van het IRC van 1 oktober 2014 blijkt dat ter zake nog niet tot strafvervolging is overgegaan, terwijl ter zitting van de zijde van de Staat is meegedeeld dat thans onderzoek wordt gedaan naar de hulp bij zelfdoding, maar dat de aanwezigheid van [eiser] daarbij niet noodzakelijk is. Naar voorlopig oordeel valt daarom niet in te zien op grond waarvan een mogelijke strafvervolging van [eiser] voor de hulp bij zelfdoding thans in de weg zou staan aan de overlevering van [eiser] aan Frankrijk.

3.7.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat niet aannemelijk is geworden dat de Staat onrechtmatig jegens [eiser] handelt door (het voornemen om) hem over te leveren aan Frankrijk. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen.

3.8.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van de Staat begroot op € 1.424,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 608,-- aan griffierecht;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2014.

mvt