Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15831

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
09/818551-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto door met veel te hoge snelheid een oversteekplaats voor fietsers te naderen schuldig gemaakt aan zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag waardoor een aan zijn schuld te wijten dodelijk ongeval heeft plaatsgevonden. Dit handelen heeft niet alleen een abrupt einde gemaakt aan het leven van een 16-jarig meisje maar het heeft bovendien een groot gat geslagen in het leven van haar familie en vrienden die voortaan zonder haar verder moeten. De rechtbank is zich er van bewust dat geen enkele straf recht zal doen aan dit dramatische verlies.

De rechtbank zal echter bij de strafbepaling ook naar de persoon van verdachte moeten kijken. Verdachte, slechts 20 jaar oud, zal moeten leven met het besef dat hij de dood van een kind op zijn geweten heeft.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verdachte niet eerder is veroordeeld en dat hij geen eerdere antecedenten heeft ten aanzien van de Wegenverkeerswet 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/818551-14

Datum uitspraak: 23 december 2014

Tegenspraak

(Promis vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1994 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 11 december 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. Kortekaas en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. M. van Beckhoven, advocaat te Amsterdam, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 15 juni 2014 te Leiden opzettelijk[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet als bestuurder rijdende over de weg (Kanaalweg)

- gereden met een snelheid van (ongeveer) 105 km/u terwijl ter plaatse 50 km/u is toegestaan, althans met een voor de situatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid en/of

- een oversteekplaats genaderd, terwijl hij zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast aan die wegsituatie en/of

- niet zijn voertuig tot stilstand kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of

- onvoldoende aandacht gehad voor het overige verkeer en/of het overstekende verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse,

tengevolge waarvan hij voornoemde [slachtoffer] heeft aangereden,

waardoor voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

hij op of omstreeks 15 juni 2014 te Leiden als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Kanaalweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

- heeft gereden met een snelheid van (ongeveer) 105 km/u terwijl ter plaatse 50 km/u is toegestaan, althans met een voor de situatie ter plaatse (veel) te hoge snelheid en/of

- een oversteekplaats is genaderd, terwijl hij zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast aan die wegsituatie en/of

- niet zijn voertuig tot stilstand heeft kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of

- onvoldoende aandacht heeft gehad voor het overige verkeer en/of het overstekende verkeer en/of de verkeerssituatie ter plaatse,

tengevolge waarvan hij voornoemde [slachtoffer] heeft aangereden,

waardoor die [slachtoffer] werd gedood,

terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet (de Wegenverkeerswet 1994) vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden (door op de Kanaalweg te rijden met een snelheid van ongeveer 105 km/u, in elk geval een veel hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan).

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Op 15 juni 2014, iets na 23.00 uur, heeft binnen de bebouwde kom, op de Kanaalweg te Leiden, waar een maximale snelheid van 50 kilometer per uur was toegestaan, ter hoogte van een oversteekplaats voor fietsers, een aanrijding plaatsgevonden tussen de personenauto waarin verdachte als bestuurder reed en een fietsster (hierna ook: het slachtoffer). Het slachtoffer stak met haar fiets door rood de oversteekplaats over op het moment dat verdachte met groen licht en hoge snelheid aan kwam rijden. Verdachte trapte op de rem maar kon zijn voertuig niet meer op tijd tot stilstand brengen en kwam met de voorzijde van zijn voertuig in botsing met de rechterzijde van de fiets. Het slachtoffer werd als gevolg van de aanrijding door de lucht geslingerd en kwam ongeveer 30,5 meter voorbij de plaats van de aanrijding op het wegdek terecht.1 Het slachtoffer is op 16 juni 2014 in het ziekenhuis ten gevolge van de verwondingen die zij door de aanrijding heeft opgelopen, overleden.2

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair tenlastegelegde kan worden bewezenverklaard. Zij heeft het door haar bewezen geachte als grove schuld gekwalificeerd.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde en zich op het standpunt gesteld dat verdachte hooguit zeer onvoorzichtig, althans aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging3

Snelheid:

Na het ongeval was een remspoor van meer dan 80 meter op het wegdek en in de berm te zien.

Verder hebben meerdere getuigen verklaard dat zij een auto met hoge snelheid de oversteekplaats zagen of hoorden naderen. Getuige [getuige 1] hoorde vanuit de richting van de Kanaalweg het geluid van een slippende auto.4 Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat zij, vlak nadat de zwarte auto haar en haar moeder met hoge snelheid voorbij was gereden, een voertuig heel hard hoorde remmen, gevolgd door het geluid van een harde klap. Ze zag het meisje dat ze eerder op de kruising had zien staan door de lucht vliegen.5 Getuige [getuige 3] hoorde een auto heel hard aankomen en draaide zich daarom om. Ze zag vrijwel direct dat die auto begon te remmen. Ze zag een lichaam in een boog door de lucht vliegen.6

Verdachte heeft zelf zowel tegenover de politie als tegenover de rechter-commissaris ontkend dat hij met veel te hoge snelheid heeft gereden. Hij dacht dat hij niet harder had gereden dan 55 a 60 kilometer per uur. Ter terechtzitting heeft de verdachte aan deze eerdere verklaringen toegevoegd dat hij de uitkomst van het technisch onderzoek niet betwist, maar dat hij voor zijn gevoel niet harder heeft gereden dan 60 a 70 kilometer per uur.7

Blijkens de berekeningen aan de hand van de lengte van het linker remblokkeerspoor in de verkeersongevallenanalyse van 18 juni 2014 zou de oorspronkelijk gereden snelheid van verdachte 115 kilometer per uur hebben bedragen.8 In de uitgebreide ongevallenanalyse van 4 augustus 2014 heeft ten aanzien van die berekeningen – met meerekenen van het gegeven dat het rechter blokkerspoor zich een groot aantal meters voortzette in de berm – een correctie plaatsgevonden op de gemiddelde remvertraging, zodat de minimale snelheid van verdachte is vastgesteld op 103,82 kilometer per uur en de maximale snelheid op 107,28 kilometer per uur.9

De rechtbank acht de resultaten van de uitgebreide ongevallenanalyse betrouwbaar en zal gelet op het vorenstaande uitgaan van een snelheid van 105 kilometer per uur.

Opzet/ schuld

Nu vaststaat dat verdachte op de Kanaalweg in Leiden ruim twee keer zo hard heeft gereden als de aldaar geldende maximaal toegestane snelheid, zal de rechtbank moeten oordelen of deze gedraging, gegeven de aard en de ernst daarvan alsmede de overige omstandigheden van het geval, leidt tot de conclusie dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer of dat verdachte schuld heeft aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Om tot een bewezenverklaring van de primair tenlastegelegde doodslag te komen dient verdachte de bedoeling te hebben gehad om het slachtoffer te doden of in ieder geval willens en wetens de aanmerkelijke kans te hebben aanvaard dat zijn rijgedrag tot een dodelijk verkeersslachtoffer zou leiden. Daarvan is niet gebleken. De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat ook voor het aannemen van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer onvoldoende grond aanwezig is. Er was nauwelijks verkeer op de Kanaalweg en het verkeerslicht voor verdachte stond op groen. Het enkele feit dat verdachte met veel te hoge snelheid de oversteekplaats heeft genaderd is onvoldoende om tot de aanwezigheid van (voorwaardelijk) opzet op een ongeval met dodelijke afloop te concluderen.

Verdachte wordt van het primair tenlastegelegde vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde overweegt de rechtbank als volgt. Om de aanwezigheid van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te beoordelen, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er sprake was van roekeloosheid of dat verdachte zich zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend heeft gedragen.

Volgens vaste jusrisprudentie, met name meerdere recente uitspraken van de Hoge Raad, wordt roekeloosheid, zijnde de zwaarste aan opzet grenzende schuldvorm, slechts in uitzonderlijke gevallen aangenomen. Uit de bewijsmiddelen dient dan te volgen dat door een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen waarvan verdachte zich bewust was, althans had moeten zijn. Hiervan is uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken.

Van onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam handelen is sprake indien het handelen wederrechtelijk was en de gevolgen daarvan voorzienbaar. Nu verdachte het dubbele van de toegestane maximale snelheid heeft gereden is daarmee de wederrechtelijkheid van zijn handelen wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte de gevolgen van zijn wederrechtelijke handelen kon en behoorde te voorzien. Hij kende de weg en wist dat hij een oversteekplaats voor fietser- en bromfietsers naderde. Daarbij had hij ook kunnen voorzien dat hij, als er een fietser ongeacht de kleur van het verkeerslicht op dat moment zou oversteken, niet in staat zou zijn om zijn auto tijdig tot stilstand te brengen en dat door zo te handelen de reële kans ontstond dat er een dodelijk slachtoffer zou vallen. Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook zeer onvoorzichtig en onoplettend gehandeld.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op 15 juni 2014 te Leiden als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Kanaalweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend

- te rijden met een snelheid van (ongeveer) 105 km/u terwijl ter plaatse 50 km/u is toegestaan en

- een oversteekplaats te naderen, terwijl hij zijn snelheid niet of onvoldoende heeft aangepast aan die wegsituatie en

- niet zijn voertuig tot stilstand te kunnen brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en

- onvoldoende aandacht te hebben voor het overstekende verkeer,

tengevolge waarvan hij [slachtoffer] heeft aangereden,

waardoor die [slachtoffer] werd gedood,

terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet (de Wegenverkeerswet 1994) vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden (door op de Kanaalweg te rijden met een snelheid van ongeveer 105 km/u).

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het na te noemen strafbare feit op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 4 jaar met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht in plaats van een gevangenisstraf een taakstraf en een voorwaardelijke rijontzegging op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich als bestuurder van een personenauto door met veel te hoge snelheid een oversteekplaats voor fietsers te naderen schuldig gemaakt aan zeer onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag waardoor een aan zijn schuld te wijten dodelijk ongeval heeft plaatsgevonden. Dit handelen heeft niet alleen een abrupt einde gemaakt aan het leven van een 16-jarig meisje maar het heeft bovendien een groot gat geslagen in het leven van haar familie en vrienden die voortaan zonder haar verder moeten. De rechtbank is zich er van bewust dat geen enkele straf recht zal doen aan dit dramatische verlies.

De rechtbank zal echter bij de strafbepaling ook naar de persoon van verdachte moeten kijken. Verdachte, slechts 20 jaar oud, zal moeten leven met het besef dat hij de dood van een kind op zijn geweten heeft.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel van de justitiële documentatie, niet eerder is veroordeeld en dat hij geen eerdere antecedenten heeft ten aanzien van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het op 28 oktober 2014 opgemaakte reclasseringsrapport betreffende verdachte. Uit dit rapport blijkt dat verdachte veel last heeft van het ongeval en de gevolgen daarvan. Hij heeft zelf hulp gezocht bij een psycholoog en zal starten met traumatherapie Eye Movement Desensitization en Reprocessing (EMDR). De reclassering heeft in haar conclusie toepassing van het adolescentenstrafrecht geadviseerd.

De rechtbank zal hieraan voorbij gaan, nu dit advies verder niet is onderbouwd en de rechtbank in de enkele opmerking dat er geen contra-indicaties zijn voor de toepassing van het jeugdstrafrecht, gelet op de leeftijd van verdachte en zijn volwassen leefstijl, geen aanleiding ziet om dit advies te volgen.

Hoewel verdachte ter terechtzitting niet de volledige verantwoordelijkheid heeft genomen voor de door hem in grove mate overschreden toegestane snelheid, neemt de rechtbank in zijn voordeel mee dat hij zichtbaar spijt heeft van zijn handelen en dat hij duidelijk gebukt gaat onder de gevolgen hiervan.

De rechtbank weegt mee dat bij ernstige overschrijding van de geldende maximum snelheid, waarvan in dit geval zeker sprake is, ingevolge artikel 175 lid 3 van de Wegenverkeerswet 1994 het van toepassing zijnde strafmaximum met de helft wordt verhoogd. Voorts zal de rechtbank bij de strafbepaling uitgaan van de LOVS-oriëntatiepunten, die uitgaan van een aanzienlijke lagere straf dan door de officier van justitie geëist.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank een gevangenisstraf met een overwegend voorwaardelijk deel opleggen. Het onvoorwaardelijk deel zal wordt gelijk gesteld aan de periode doorgebracht in voorlopige hechtenis. De rechtbank weegt mee dat die hechtenis grote indruk op de jonge verdachte heeft meegemaakt en dat voor het grootste deel van die periode beperkingen waren opgelegd. De rechtbank zal voorts een werkstraf voor de maximale duur opleggen.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij zijn rijbewijs nodig heeft om zijn baan als taxichauffeur en zijn opleiding tot rij-instructeur voort te zetten. De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan dat de ernst van het bewezenverklaarde zwaarder weegt dan deze aangevoerde persoonlijke belangen van verdachte. De rechtbank zal derhalve een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen opleggen van na te noemen duur.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;

- 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl het feit is veroorzaakt doordat de schuldige een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 90 (negentig) DAGEN;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 80 (tachtig) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 240 (tweehonderdveertig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 (honderdtwintig) DAGEN;

alsmede tot een:

ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor 2 (twee) JAREN;

bepaalt, dat de tijd, dat het rijbewijs vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak reeds ingevorderd of ingehouden is geweest bij de uitvoering van de hem opgelegde ontzegging geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. Chr.A.J.F.M. Hensen, voorzitter,

mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, rechter,

mr. S.M. Krans, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N.M. Hamelink , griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december 2014.

Mrs. Louwinger-Rijk en Krans zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Uitgebreid Proces-verbaal VOA d.d. 4 augustus 2014, blz. 19 en 20 (aanvullend PV)

2 Proces-verbaal van onnatuurlijke dood blz. 46

3 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en) met het nummer PL1600-2014076890, van de politie Hollands Midden, district Leiden en omstreken, team Leiden-Zuid met bijlagen.

4 Proces-verbaal verhoor getuige, blz. 6 (voorgeleiding PV)

5 Proces-verbaal verhoor getuige, blz. 13 (voorgeleiding PV)

6 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 3] d.d. 17 juni 2014 (aanvullend PV)

7 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 11 december 2014

8 Verkort Proces-verbaal VOA d.d. 18 juni 2014, blz. 5 (blz. 55 van voorgeleiding pv)

9 Uitgebreid Proces-verbaal VOA d.d. 4 augustus 2014, blz. 18 (aanvullend PV)