Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15830

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
22-12-2014
Zaaknummer
09/711385-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

medeplegen hennephandel en criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/711385-12

Datum uitspraak: 18 december 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officieren van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de [penitentiarire inrichting].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 17 juli 2014, 2 oktober 2014, 6 oktober 2014, 24 november 2014, 25 november 2014, 27 november 2014 en 4 december 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. L.E. van der Leeuw en mr. J. Barensen (hierna gezamenlijk te noemen: de officier van justitie) en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. R.A. Kaarls, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 25 november 2014 - ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 20 oktober 2011 tot en met 7 april 2014 te

's-Gravenhage en/of Delft, in elk geval in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk (in en/of

naar en/of van een pand aan de [adres] en /of [adres] en/of de

[adres] en/of de [adres] (te Delft) en/of [adres] en/of de

[adres] en/of de [adres] en/of (een) ander(e)

onbekend gebleven pand(en)) (telkens) heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of

verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of

vervaardigd, een of meer (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep, (telkens) zijnde hennep een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond D Opiumwet

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

en/of

hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 23 december 2012 tot en met 2 januari 2014 te

's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt

(in een pand aan [adres]) (telkens) een hoeveelheid van hennep, zijnde hennep

een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van

die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

en/of

hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 2 november 2013 tot en met 5 maart 2014 te

's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt (in een pand

aan [adres]) (telkens) een hoeveelheid van hennep, zijnde hennep een middel

vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens

die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

artikel 3a, vijfde lid van

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

2.

hij op of omstreeks 03 januari 2014 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad

(in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal)

ongeveer 772 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of

delen daarvan en/of 793 hennepstekken en/of delen daarvan, in elk geval een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde

hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

3.

hij op of omstreeks 6 maart 2014 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, (in een pand aan de [adres] en/of

een Volkswagen Caddy, kenteken [kenteken]) opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 41,55 kilogram, in elk geval een (grote) hoeveelheid van meer dan 30

gram hennep en/of delen van hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de

bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens art 11 lid 5

Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

4.

hij in de periode van 1 januari 2012 tot en met 8 april 2014, te

's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in verenging met een ander of

anderen, althans alleen, al dan niet een gewoonte heeft gemaakt van witwassen

(van) meerdere voorwerpen, te weten een contant geldbedrag van in totaal

20.480,00 euro, althans een of meerdere geldbedrag(en) en/of een Opel Astra

Tourer (kenteken [kenteken]) en/of Chrysler Grand Voyager (kenteken [kenteken])

en/of een Peugeot 206+ (kenteken [kenteken]) en/of een Mercedes B180 (kenteken

[kenteken]) en/of een bromfiets Piaggio (kenteken [kenteken]) en/of een speedboot

(merk Bayliner 222 Classic) en/of een autoambulance Mercedes Benz 515

(kenteken [kenteken]), in elk geval voornoemd(e) geldbedrag(en) en/of goederen

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet,

althans van die voorwerpen, gebruik heeft gemaakt en/of de werkelijke aard

en/of de herkomst en/of de vindplaats heeft verborgen en/of verhuld, althans ,

terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk

- afkomstig was/waren uit enig(e) misdrij(f)(ven);

art 420bis, lid 1 ahf/sub a Wetboek van Strafrecht

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

5.

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 20

oktober 2011 tot en met 8 april 2014 te 's-Gravenhage, in elk geval in

Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een

samenwerkingsverband met een of meer (nog nader te noemen) perso(o)n(en),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het

verkopen, afleveren, vervaardigen, verstrekken, vervoeren, telen, bereiden,

bewerken, verwerken en aanwezig hebben van hennep(plant(en)) en/of het

witwassen van uit misdrijf verkregen voorwerpen dan wel goederen;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 20 oktober 2011 tot en met 08 april 2014 te

's-Gravenhage, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te

weten een samenwerkingsverband van verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of

[medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer andere personen, welke

organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van

misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vierde en/of vijfde lid van

de Opiumwet, namelijk het (in de uitoefening van een bedrijf of beroep)

opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen

en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van

grote hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

art 11a lid 1 Opiumwet

art 140 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, omdat sprake is geweest van ernstige en onherstelbare fouten in het voorbereidend onderzoek, waarbij doelbewust, althans met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces. Zowel bij de start van als gedurende het onderzoek is ervoor gekozen informatie (bewust) onjuist dan wel onvolledig weer te geven en te sterk aan te zetten en is informatie gebruikt die niet kan worden gecontroleerd.

Meer in het bijzonder heeft de raadsman gewezen op de volgende punten.

  • -

    In het relaas van de politie staat vermeld dat verdachte naar aanleiding van een onderzoek in 2004 zou zijn afgestraft en pas op 17 april 2014 is een proces-verbaal opgemaakt dat deze informatie onjuist is.

  • -

    In de processen-verbaal van verdenking staat vermeld dat verdachte in het “incident [adres]” in 2009 “tot verbazing van het openbaar ministerie” is vrijgesproken.

  • -

    Het proces-verbaal van de CIE waarin staat vermeld: “[medeverdachte 2] en [verdachte] werken al jaren samen in de wiethandel”, dient als niet betrouwbaar te worden aangemerkt, omdat het onwaarschijnlijk is dat meerdere informanten over een periode van bijna zes jaren eenduidig niet meer en niet minder dan dat hebben verklaard.

  • -

    In het dossier is niet geverbaliseerd dat de observatie van het pand aan de [adres] te Den Haag op 6 maart 2014 de derde dag van observeren is geweest. De verdediging heeft dit pas op de terechtzitting van 2 oktober 2014 van de officier van justitie vernomen. Door de uiterst marginale verbalisering kan bovendien niet worden getoetst of sprake is geweest van stelselmatige observatie.

Verder heeft de raadsman in het kader van zijn beroep op niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie gewezen op het feit dat de telefoontaps naar zijn mening onrechtmatig zijn ingezet. Voor de inzet van telefoontaps dient sprake te zijn van een verdenking van een misdrijf dat naar zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Bij het bepalen van de aard van het misdrijf dienen de feiten en omstandigheden waaronder dit is begaan, mee te wegen. Aangezien al een aantal jaren een maatschappelijk debat gaande is over de legalisering van (de teelt van) softdrugs, kan naar de mening van de raadsman bij hennephandel niet meer worden gesproken van een verdenking van een misdrijf dat een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.

De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat het vorenstaande dient te leiden tot bewijsuitsluiting van alle resultaten van het opsporingsonderzoek Ergoline.



3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting het standpunt ingenomen dat de verdediging terecht heeft opgemerkt dat het dossier niet op alle punten volledig is geweest en dat zich in het dossier deels onjuiste informatie heeft bevonden. Dit zou echter niet tot de conclusie moeten leiden dat sprake is geweest van een doelbewuste schending van de belangen van verdachte. De officier van justitie heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

  • -

    De onjuiste opmerking in het proces verbaal dat verdachte in 2004 zou zijn berecht en afgestraft in een onderzoek dat zich richtte op de Opiumwet, waarnaar de raadsman heeft verwezen, is reeds in een vroeg stadium van het onderzoek uit het proces-verbaal van verdenking gehaald. Het betreffende proces-verbaal van verdenking is nimmer voorgelegd aan de rechter-commissaris en heeft ook anderszins niet meegespeeld bij (de beslissing tot) de inzet van de opsporingsmiddelen.
    De officier van justitie heeft, anders dan de politie, te allen tijde de beschikking over het uittreksel justitiële documentatie van verdachte gehad, zodat kan worden aangenomen dat hij/zij zichzelf destijds bij de beoordeling van de desbetreffende aanvraag op de hoogte heeft gesteld van eventuele antecedenten.

  • -

    Het is niet van belang of een officier van justitie al dan niet verbaasd is geweest over een vrijspraak: het gaat om de feiten die ten grondslag zijn gelegd aan de diverse aanvragen. Volgens de officier van justitie was de voorhanden zijnde informatie meer dan genoeg aanleiding voor de start van het onderzoek.

  • -

    De observaties van het pand aan de [adres] te Den Haag op 4, 5 en 6 maart 2014 hebben in opdracht van de officier van justitie plaatsgevonden op grond van de verdenking die uit OVC-gesprekken naar voren was gekomen dat er regelmatig partijen hennep naar genoemd pand werden vervoerd en dat dat meestal vroeg in de ochtend gebeurde. Er is geen sprake geweest van stelselmatige observatie, omdat slechts gedurende drie ochtenden kort is geobserveerd en de observatie voorts plaatsvond op het pand en niet op een of meerdere personen.

Tot slot heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de inzet van de telefoontaps rechtmatig is geweest, omdat naar de mening van het openbaar ministerie bij grootschalige hennepteelt wel degelijk (ook thans nog) sprake is van een feit dat een ernstige inbreuk maakt op de rechtsorde.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie (sinds het “Zwolsman-arrest”, Hoge Raad 19 december 1995, NJ 1996, 249) een zo vergaande sanctie als de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie slechts kan volgen, indien sprake is geweest van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

De rechtbank acht het slordig en ongelukkig dat zich in het dossier processen-verbaal met onjuiste informatie met betrekking tot de antecedenten van verdachte hebben bevonden. Zoals de officier van justitie ter terechtzitting heeft toegelicht, hebben deze echter niet ten grondslag gelegen aan enige door het openbaar ministerie dan wel door de rechter-commissaris genomen beslissing.

De rechtbank acht het tevens hoogst ongelukkig dat niet direct een proces-verbaal met alle informatie met betrekking tot de observaties van het pand aan de [adres] te Den Haag is opgemaakt en aan het dossier is toegevoegd. Op basis van hetgeen de officier van justitie hierover heeft aangevoerd, stelt de rechtbank evenwel vast dat geen sprake is geweest van stelselmatige observatie. Gelet op de toelichting die de officier van justitie ter terechtzitting heeft gegeven bij de observaties, ziet de rechtbank ook voor het overige geen aanleiding te veronderstellen dat de observaties onrechtmatig zijn geweest.

Voor wat betreft het door de raadsman aangehaalde meer in algemene bewoordingen gestelde proces-verbaal van de CIE is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat de informanten niet allen (deze) identieke informatie zullen hebben verstrekt. De in het proces-verbaal opgetekende informatie is echter ook weinig gedetailleerd (zo ontbreken achternamen en plaatsen) en bevat kennelijk de algemene deler van de informatie zoals die door de jaren heen is binnengekomen van de informanten. Dit maakt naar het oordeel van rechtbank echter niet dat het proces-verbaal reeds daarom als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verdenking van hennepteelt,

zeker in combinatie met langdurige en grootschalige (tussen)handel in hennep, wel degelijk (nog altijd) een verdenking oplevert van een misdrijf dat naar zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. De inzet van het bijzondere opsporingsmiddel van de telefoontap heeft derhalve voldaan aan de eisen die artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering daaraan stelt en is naar het oordeel van de rechtbank rechtmatig geweest.

Nu de rechtbank echter niet op andere wijze is gebleken van onregelmatigheden gedurende het opsporingsonderzoek, concludeert de rechtbank op grond van het voorgaande dat geen sprake is geweest van doelbewuste belemmering of misleiding van de verdediging. De geconstateerde onzorgvuldigheden leiden evenmin tot het oordeel dat sprake is geweest van een grove veronachtzaming van de belangen van verdachte waardoor aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Op grond van het voorgaande verwerpt de rechtbank dan ook het verweer van de raadsman en stelt zij vast dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Tevens concludeert de rechtbank dat de resultaten van het opsporingsonderzoek in zoverre kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Op de specifieke onderdelen van het opsporingsonderzoek waartegen de raadsman in het kader van het mogelijk bewijs nog verweer heeft gevoerd, zal de rechtbank ingaan daar waar dat desbetreffende verweer ter sprake komt.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Start onderzoek en algemeen beeld/verdenking1

Met betrekking tot de start van het onderzoek en het beeld dat uit de ingezette opsporingsmiddelen naar voren is gekomen, hebben de volgende feiten ter zitting niet ter discussie gestaan en worden door de rechtbank vastgesteld.

Op 18 september 2012 is onder de naam “Ergoline” een onderzoek gestart naar aanleiding van vermoedens van grootschalige handel in hennep en witwassen door de drie hoofdverdachten [verdachte] (hierna ook: [verdachte]), [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) en diverse medeverdachten, onder wie [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]), [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4]) en [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5]).

De aanleiding van het onderzoek Ergoline is als volgt geweest.

Op 15 mei 2012 is door de CIE van de politie Haaglanden een proces-verbaal opgemaakt met als inhoud: “[medeverdachte 2] en [verdachte] werken al jaren samen in de wiethandel”. Deze informatie zou bij de CIE in de periode augustus 2006 tot en met april 2012 via meerdere informanten zijn binnengekomen en de verstrekte informatie kon als betrouwbaar worden aangemerkt. Uit het door de CIE nader verrichte onderzoek bleek dat met “[medeverdachte 2]” werd bedoeld: [medeverdachte 2] en dat met “[verdachte]” werd bedoeld: [verdachte].

Op 18 september 2012 werd door de CIE van de politie Haaglanden een proces-verbaal opgemaakt met de volgende inhoud: “[medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 1] werken samen in de wiethandel. Het is niet bekend waar deze samenwerking uit bestaat. [medeverdachte 1] heeft hele grote wiethokken van duizenden planten. (…)”. Een oordeel over de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie kon niet worden gegeven. Uit het door de CIE nader verrichte onderzoek bleek dat met “[medeverdachte 2]” werd bedoeld: [medeverdachte 2], dat met “[verdachte]” werd bedoeld: [verdachte] en dat met “[medeverdachte 1]” werd bedoeld: [medeverdachte 1].

Bij de politie was destijds onder meer de navolgende informatie bekend over verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].

Hoewel in eerste instantie door de politie werd gerelateerd dat [medeverdachte 2] en verdachte ten gevolge van een in 2004 verricht onderzoek onder de naam “Golfbreker”, dat zich onder andere richtte op overtreding van de Opiumwet, werden berecht en afgestraft, werd later in een aanvullend proces-verbaal gerelateerd dat deze informatie niet correct was.

In 2007 had eveneens een onderzoek plaatsgevonden dat was gericht op de handel in verdovende middelen. Ook in dit onderzoek kwamen onder andere [medeverdachte 2] en verdachte naar voren als verdachten. Tijdens het onderzoek heeft verdachte zich gemeld aan het politiebureau Scheveningen en verklaard dat hij verantwoordelijk was voor een kort daarvoor door de politie opgerolde hennepkwekerij in een pand gelegen aan de [adres] te Den Haag.

Op 2 maart 2009 werden vier personen aangehouden naar aanleiding van het aantreffen van 120 kilogram verpakte hennep. Door een getuige was gezien dat de dozen kort daarvoor uit een woning in de [adres] te Den Haag door een aantal personen in een bestelbusje waren geladen. Bij een doorzoeking van die woning werden onder andere een sealapparaat, verpakkingsmateriaal en hennep aangetroffen. Twee van de vier in die zaak aangehouden personen waren verdachte en [medeverdachte 2].

Tot slot vond op 20 oktober 2011 een schietpartij plaats op de [adres] te Den Haag. [medeverdachte 2] en verdachte waren hierbij betrokken. Ten gevolge van deze schietpartij raakte [medeverdachte 2] gewond. Naar aanleiding van dit incident deden [medeverdachte 2] en verdachte aangifte. Beiden hebben verklaard dat de aanleiding van het incident was gelegen in een mislukte wiettransactie.

Op basis van de hiervoor weergegeven informatie is bij de politie de verdenking ontstaan dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en verdachte zich schuldig maakten aan strafbare feiten, zoals genoemd in de Opiumwet. Deze verdenking is vervolgens opgenomen in processen-verbaal van verdenking.

De vraag die de rechtbank heeft te beantwoorden is of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan – kort gezegd – het medeplegen van de handel in en het telen van hennep gedurende de periode van 20 oktober 2011 tot en met 7 april 2014 (feit 1, eerste tot en met derde cumulatief/alternatief), het voorhanden hebben van hennepplanten en stekken in het pand aan de [adres] in Den Haag (feit 2), het voorhanden hebben van 41,55 kilogram hennep in het pand aan de [adres] te Den Haag en/of in een Volkswagen Caddy (feit 3), het (gewoonte)witwassen van een contant geldbedrag van € 20.480,-, een Opel Astra, een Chrysler, een Peugeot, een Mercedes, een bromfiets Piaggio, een speedboot Bayliner en een autoambulance (feit 4) en deelname aan een criminele organisatie (feit 5).

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem onder 1, eerste, tweede en derde cumulatief/alternatief, 2, 3, 4 en 5, eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten.

Hennephandel

Met betrekking tot feit 1 heeft de officier van justitie ter terechtzitting van 25 november 2014 uiteengezet dat beoogd is de handel in hennep in het algemeen ten laste te leggen. Omdat verdachte en zijn medeverdachten er van worden verdacht met name tussenhandel te hebben gevoerd, is het in het Ergoline-onderzoek niet met name gegaan over de locaties waar werd gekweekt. Zo luidt de verdenking dat de hennepkwekerij op [adres] de enige eigen hennepkwekerij van verdachte en zijn medeverdachten is geweest. De overige partijen hennep die door de handen van verdachte en zijn medeverdachten gingen, betrof door derden geteelde hennep, die door verdachte en zijn medeverdachten werd opgekocht, gedroogd, verzwaard en vervolgens doorverkocht. Vanuit welke locaties er exact werd gehandeld, is volgens de officier van justitie niet van wezenlijk belang: het gaat om het bewijzen van de handel in hennep in het algemeen. De locaties die zijn opgenomen in de tenlastelegging zijn dan ook zeker geen limitatieve opsomming van de locaties waarvandaan de hennep kwam waarmee verdachte en zijn medeverdachten deze handel bedreven. Deze locaties zijn enkel bedoeld als illustratief voor het feit dat niet alleen gesproken werd over hennep, maar dat er ook daadwerkelijk in hennep gehandeld werd.

Vervolgens heeft de officier van justitie voor de bewijsvoering van dit feit verwezen naar de analyses van de OVC in de garage en – kort gezegd – naar de bewijsmiddelen met betrekking tot de volgende in het zaaksdossier “Handel” aangehaalde incidenten:

  • -

    de garageboxen gelegen aan de [adres] en [adres] te Den Haag;

  • -

    de handel met Cees van den Berg ter zake van de panden gelegen aan de [adres] te Den Haag en de [adres] te Delft;

  • -

    de aangetroffen hennepkwekerij in het pand gelegen aan de [adres] te Den Haag;

  • -

    het schietincident op de [adres] te Den Haag op 20 oktober 2011;

  • -

    de aangetroffen ontruimde hennepkwekerij in het pand gelegen aan de [adres] te Den Haag;

  • -

    de aangetroffen hennepdrogerij in het pand gelegen aan de [adres] te Den Haag;

  • -

    de aangetroffen hennepdrogerij in het pand gelegen aan de [adres] te Den Haag;

  • -

    de aangetroffen hennepkwekerij in het pand gelegen aan de [adres] te Den Haag en

  • -

    de aangetroffen hennepdrogerij in het pand gelegen aan de [adres] te Den Haag.

Voor wat betreft de periode heeft de officier van justitie als startdatum de dag na het schietincident op de [adres] te Den Haag, te weten 20 oktober 2011, bepaald. Dat verdachte en zijn medeverdachten zich inderdaad al langere tijd bezig hielden met de handel in hennep, kan naar de overtuiging van de officier van justitie worden afgeleid uit diverse OVC’s waarin wordt gezegd dat ze lange ervaring hiermee hebben.

Dat sprake is geweest van medeplegen tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kan naar het standpunt van de officier van justitie worden afgeleid uit de overweldigende hoeveelheid gesprekken tussen hen over het telen, bewerken en verhandelen van hennep, waarbij onder meer wordt gesproken over het delen van de opbrengst door drie. Tevens is sprake van medeplegen met diverse andere verdachten, onder wie [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 6].

[adres] te Den Haag en [adres] te Den Haag

Op grond van hetgeen ten aanzien van feit 1 met betrekking tot de panden gelegen aan de [adres] en [adres] te Den Haag is aangevoerd, kunnen naar het standpunt van de officier van justitie ook de feiten 2 en 3 worden bewezen. Weliswaar waren bij feit 3 alleen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] lijfelijk aanwezig, maar gezien de nauwe en bewuste samenwerking bij de handel in verdovende middelen, acht het openbaar ministerie dit feit ook ten aanzien van verdachte bewezen.

Criminele organisatie

Met betrekking tot feit 5 heeft de officier van justitie aangevoerd dat het openbaar ministerie reeds op basis van hetgeen is gesteld ten aanzien van de bewezenverklaring en de in dat verband aangehaalde bewijsmiddelen ter zake van de feiten 1, 2 en 3 tot de conclusie komt dat sprake was van een samenwerkingsverband dat de handel in hennep en het kweken en bewerken van hennep tot oogmerk had. Dat samenwerkingsverband had een grote mate van duurzaamheid en structuur, waarbij sprake was van een centrale leiding bij de handel, bewerking en kweek van de hennep en gebruik werd gemaakt van vaste medewerkers voor onder andere het drogen, bewerken, verpakken en vervoer daarvan. Op grond van de zich in het dossier bevindende bevindingen, OVC’s en tapgesprekken kan naar het standpunt van de officier van justitie worden geconcludeerd dat verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] overduidelijk een leidende rol hebben gehad in die criminele organisatie. Zij runden gedrieën de handel in hennep vanuit de garage. Er werden afspraken gemaakt met leveranciers en afnemers en “personeelsleden” geïnstrueerd.

Witwassen

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 4 ten laste gelegde feit. Voor alle goederen heeft te gelden dat zij in de onderzoeksperiode aan verdachte zijn gaan toebehoren en dat aannemelijk is dat zij contant zijn betaald, aangezien de aankopen niet herleidbaar zijn. Naar het standpunt van de officier van justitie is gebleken dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode inkomsten had uit hennephandel en onvoldoende legale inkomsten om de (contant) gedane uitgaven te verantwoorden.

De officier van justitie heeft vooropgesteld dat wanneer iemand wordt verdacht van witwassen, het aan diegene is om een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk terzijde te schuiven verklaring af te leggen. Doet diegene dat niet, dan kan volgens de Hoge Raad een veroordeling voor witwassen volgen. In deze zaak is sprake van een vermoeden van witwassen, ontstaan door kort gezegd: CIE-informatie, informatie van de Belastingdienst over de jaren 2010 tot 2012, informatie over hennep, informatie over de bankrekening van verdachte en diverse OVC-gesprekken. Daarbij zijn in het onderzoek nog allerlei omstandigheden gesignaleerd die onder de zogenoemde witwas-typica vallen. Aangezien verdachte geen of onvoldoende ontlastende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die duiden op een legale herkomst van het geld en de goederen, kan naar de mening van de officier van justitie een veroordeling voor witwassen volgen. Verdachte heeft weliswaar giraal salaris ontvangen van SAS, maar in het onderzoek is vastgesteld dat dit salaris in ieder geval niet ten grondslag heeft gelegen aan de aankoop van de in de tenlastelegging genoemde goederen; die zijn immers met contant geld betaald.

Voor zover is gesteld dat vermogensbestanddelen met geld van SAS dan wel met (andere) legale contante inkomsten zouden zijn gefinancierd, heeft de officier van justitie aangevoerd dat, uitgaande van een bewezenverklaring van de handel in hennep, vaststaat dat verdachte daaruit gedurende de ten laste gelegde periode contante inkomsten heeft gehad. Die contante illegale inkomsten leiden er op zijn minst toe dat een zodanige vermenging van (in ieder geval) het contante geld plaatsvindt, dat het gehele vermogen wordt besmet en geacht moet worden van misdrijf afkomstig te zijn.

Met betrekking tot de specifiek in de tenlastelegging genoemde goederen heeft de officier van justitie nog het volgende aangevoerd.

 Contant geldbedrag van € 20.480,-

Verdachten hebben SAS, een op zich legaal bedrijf, ingezet om illegale activiteiten te maskeren. Uit het onderzoek is namelijk gebleken dat bij SAS weinig gebeurde op het gebied van klussen aan auto’s. De rekening van SAS, waar vandaan de girale overboekingen van salaris aan verdachte plaatsvonden, werd vanaf juli 2012 alleen nog maar gevoed met contant geld met een onduidelijke herkomst. Het vermoeden van het openbaar ministerie is dan ook dat de storting van het girale salaris vooral een vorm van “windowdressing” is.

 Opel Astra

Blijkens de door de verdediging overgelegde bon heeft verdachte deze auto op 7 januari 2012 gekocht in Duitsland voor € 10.500,-. Er bestaat onduidelijkheid over de herkomst van het geld voor de aankoop van de auto en verdachte heeft daarover geen afdoende verklaring afgelegd.

 Chrysler Grand Voyager + Peugeot 206

Verdachte heeft verklaard met de verkoop van de Opel Astra meer dan € 10.000,- wel € 20.000,- te hebben verdiend. Aangezien hij dat geld contant heeft gekregen, is dit niet na te gaan. De verdediging heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd. De verdediging heeft gesteld dat de Chrysler is gekocht met de opbrengst van de Opel Astra, de Peugeot met de opbrengst van de Chrysler en de Mercedes met de opbrengst van de Peugeot. Aangezien de Opel Astra is gekocht met geld dat uit misdrijf afkomstig is, zijn de vervolgopbrengsten ook uit misdrijf afkomstig geweest.

 Mercedes B180

Er bestaat onduidelijkheid over de herkomst van het geld voor de aankoop en reparatie van de auto. Het aankoopbedrag zou hebben bestaan uit spaargeld, maar verdachte beschikte niet over legaal spaargeld.

 Bromfiets Piaggio

Er bestaat onduidelijkheid over de herkomst van het geld dat is bijgelegd voor de aankoop van de bromfiets en verdachte heeft daarover geen afdoende verklaring afgelegd.

 Speedboot Bayliner

De boot staat op naam van verdachte, maar is in gezamenlijkheid door [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en verdachte aangeschaft.

De verklaring van de verkoper dat hij de aankoopsom van € 6.000,- pas zou ontvangen als de boot was doorverkocht, is onaannemelijk, omdat nergens uit blijkt dat de boot was bedoeld om door te verkopen.

 Autoambulance Mercedes

De oplegger zou zijn gekocht van spaargeld, maar uit het dossier is niet gebleken dat verdachte of één of meerdere van zijn medeverdachten over legaal spaargeld beschikte.

De officier van justitie heeft betoogd dat de verdediging het standpunt, dat verdachte contant loon heeft ontvangen van SAS en contant geld heeft verdiend met de bar die zich in het pand van SAS bevond, onvoldoende heeft onderbouwd. Voorts heeft de officier van justitie betoogd dat verdachte geld dat hij met eigen handel heeft verdiend, zo dit al het geval is geweest, bij de Belastingdienst had behoren op te geven.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van alle hem ten laste gelegde feiten.

Handel

Met betrekking tot feit 1, eerste cumulatief/alternatief heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat een bewezenverklaring van hennephandel in en/of naar en/of van(uit) andere locaties dan de panden genoemd in de tenlastelegging grondslagverlating zou betekenen. Het is immers aan het openbaar ministerie om concreet ten laste te leggen waar vermeende strafbare feiten hebben plaatsgevonden. Vervolgens heeft de raadsman aangevoerd dat de politie een beeld heeft geschetst, waaruit kan worden opgemaakt dat verdachte zich heeft beziggehouden met de handel in hennep, maar dat dit beeld onvoldoende is voor een bewezenverklaring van een voltooide (ver)koop en/of (af)levering van hennep vanuit de concreet in de tenlastelegging genoemde panden. De raadsman heeft vervolgens per pand aangevoerd waarom verdachte naar zijn mening dient te worden vrijgesproken.

[adres] te Den Haag

Met betrekking tot feit 1, tweede cumulatief/alternatief en het daarmee samenhangende feit 2 heeft de raadsman primair aangevoerd dat de doorzoekingen op 3 januari 2014 en 7 april 2014 onrechtmatig zijn geweest, omdat sprake is geweest van doorzoekingen van een woning, waarvoor een machtiging van de rechter-commissaris is vereist, welke machtigingen zich ten aanzien van beide data niet in het dossier bevinden. Nu de machtigingen tot doorzoeking ontbreken, is sprake van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, die dienen te leiden tot bewijsuitsluiting van de onderzoeksresultaten van de doorzoekingen in het pand, zodat integrale vrijspraak dient te volgen.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het onaannemelijk is dat gedurende de gehele ten laste gelegde periode hennep is verbouwd in het pand aan de [adres] te Den Haag. Het pand betreft een bovenwoning met een plat dak en het is naar de stelling van de raadsman een feit van algemene bekendheid dat het in dergelijke panden in de lente- en zomermaanden te warm is om hennep te verbouwen. Nu de rechtbank het verzoek tot het horen van een deskundige dienaangaande heeft afgewezen, dient van dit feit van algemene bekendheid te worden uitgegaan.

[adres] te Den Haag

Met betrekking tot feit 1, derde cumulatief/alternatief en het daarmee samenhangende feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat de cameraobservatie in januari 2014 onrechtmatig is geweest, omdat deze is gebaseerd op informatie die bijna een jaar oud was, te weten OVC- en bakengegevens uit februari 2013. Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat de doorzoeking op 6 maart 2014 onrechtmatig is geweest, omdat zich in het dossier geen machtiging tot doorzoeking van de rechter-commissaris bevindt. Hiermee is sprake geweest van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, die dienen te leiden tot bewijsuitsluiting van de onderzoeksresultaten van de cameraobservatie van en de doorzoeking in het pand, zodat integrale vrijspraak dient te volgen.

Witwassen

Met betrekking tot feit 4 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet alleen ter terechtzitting, maar ook bij de politie een verklaring heeft afgelegd naar aanleiding van vragen over het vermeende witwassen. Voor zover verdachte zich heeft beroepen op zijn zwijgrecht mag dit niet als bewijsmiddel worden gebruikt en evenmin heeft een omgekeerde bewijslast te gelden.

 Contant geldbedrag

De stortingen van de contante geldbedragen zijn onder meer te verklaren doordat verdachte per maand ongeveer € 1.500,- aan contant geld verdiende bij SAS. Dat de aankoop- en verkoopbedragen niet herleidbaar zijn naar bankrekeningen van verdachte dan wel SAS, is niet vreemd, omdat contante betalingen gebruikelijk zijn in de autowereld.

Tevens zijn de contante stortingen te verklaren door inkomsten uit de verkoop van het huis van verdachte in 2007, winsten die verdachte behaalde met weddenschappen aangaande voetbal en inkomsten uit de bar en de gokkasten die in het pand van SAS aanwezig waren.

 Opel, Chrysler, Peugeot en Mercedes

De redenering van het openbaar ministerie staat of valt met de aankoop van de Opel Astra. De auto’s zijn door verdachte met schade voor minder dan de door de politie geconstateerde dagwaarde gekocht en vervolgens door hem gerepareerd en (deels) verkocht met winst. Verdachte heeft de Opel Astra voor € 10.500,- gekocht en vervolgens na reparatie met veel winst doorverkocht. Verdachte heeft deze auto in 2011 gekocht en betaald. Dat pas in januari 2012 een bon is opgemaakt, doet daaraan niet af. Niemand schrijft immers een auto over voordat er is betaald. Omdat de Opel Astra buiten de ten laste gelegde periode is gekocht, kan niet worden gezegd dat (het aankoopbedrag van) de Opel Astra van misdrijf afkomstig is en evenmin geldt dan dat de vervolgopbrengsten van misdrijf afkomstig zijn.

 Bromfiets Piaggio

De bromfiets is ingeruild tegen een oude scooter en daar is € 500,- bijbetaald. Het is niet onaannemelijk dat verdachte het aankoopbedrag van € 500,- heeft voldaan met contante legale inkomsten uit SAS.

 Speedboot Bayliner

De boot is gekocht voor minder dan € 6.000,-, maar is nooit betaald. De boot zou pas worden betaald als deze was doorverkocht. Uit OVC-gesprekken blijkt (anders dan het openbaar ministerie stelt) wel degelijk dat de boot te koop is aangeboden.

Criminele organisatie

Met betrekking tot feit 5 heeft de raadsman voor wat betreft het deelnemen aan een criminele organisatie gericht op witwassen aangevoerd dat in het dossier niet staat vermeld op welke wijze de verdachten dit zouden hebben gedaan, laat staan dat dit is onderbouwd met bewijsmiddelen. Voor wat betreft het deelnemen aan een criminele organisatie gericht op overtreding van de Opiumwet heeft de raadsman aangevoerd dat een hiërarchie essentieel is om een samenwerkingsverband te vormen en dat hiervan (volgens de politie) geen sprake is geweest. Ten slotte dient er volgens de raadsman rekening mee te worden gehouden dat de OVC-gesprekken in de garage zijn gevoerd in een café-setting, waarin grootspraak door verdachte, zijn medeverdachten en derden, al dan niet onder invloed van alcohol, allerminst ongebruikelijk is.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Handel

Gelet op de inhoud van het dossier en de wijze waarop feit 1, eerste cumulatief/alternatief is ten laste gelegd, te weten het op grond van de Opiumwet verboden activiteiten met betrekking tot hennep plegen in specifiek genoemde panden, is de rechtbank, met de raadsman, van oordeel dat de tenlastelegging slechts zo kan worden opgevat dat voor een bewezenverklaring van elk expliciet in de tenlastelegging genoemd pand een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de overige betrokkenen met betrekking tot dat pand en de verweten gedragingen dient te worden vastgesteld.

Zoals hierboven reeds is overwogen, vond op 20 oktober 2011 een schietpartij plaats op [adres] te Den Haag. Vaststaat dat [medeverdachte 2] en verdachte hierbij waren betrokken. Ten gevolge van deze schietpartij raakte [medeverdachte 2] gewond. Naar aanleiding van dit incident deden [medeverdachte 2] en verdachte aangifte. Beiden hebben verklaard dat de aanleiding van het incident was gelegen in een mislukte wiettransactie.2

Zoals eveneens reeds is overwogen, is het merendeel van de OVC-gesprekken opgenomen in de garage van SAS, gevestigd aan de [adres] te Den Haag. Dit bedrijf staat op naam van verdachte en [medeverdachte 2].3 Uit de bewijsmiddelen blijkt echter dat ook [medeverdachte 1] bij het autobedrijf betrokken was. Hij kwam daar niet alleen veelvuldig4, maar was ook degene die de salarissen uitkeerde5, de huur wel eens betaalde6 en overleg met de boekhouder voerde7.

In veel van de OVC-gesprekken wordt door [medeverdachte 2], verdachte en [medeverdachte 1] in wisselende samenstellingen met elkaar en met anderen regelmatig over het telen, knippen, drogen, verhandelen en vervoeren van verschillende partijen hennep gesproken. Hieronder wordt een selectie van deze gesprekken weergegeven waaruit, naar het oordeel van de rechtbank, volgt dat zij verschillende partijen hennep opkochten, knippers regelden en betaalden:

31 oktober 2013:

NNman1: “Natte Amnesia (…) Ken je daar wat mee?”

[verdachte]: “Ja” (…) “Wat moet ik betalen dan?” (…) Duizendvijftig, in plaats van dat je dat nou even zegt.”8

4 november 2013:

[medeverdachte 1]: “Wanneer hebben jullie weer dan?

NNman: Wanneer we weer hebben? Pas in het nieuwe jaar denk ik. (…) Je hebt nodig zeker?”

[medeverdachte 1]: “Ja”

NNman: “Ik zal wel kijken of ik mensen weet die uh jongens. Net kwam er iemand naar me toe die wou amnesia hebben droog. Die wou die kopen(…) Als ik iemand weet die nog handel heeft kennen we misschien…”9

13 november 2013:

[medeverdachte 2]: “Ja, ze moeten gewoon plukken, plukken, plukken”

[verdachte]: ”Ja” (…)

[medeverdachte 1]: “Ja maar ik denk dat de mensen (…)”

[verdachte]: “Niemand wil kleine stukjes maken iedereen wil de hoofdtoppen knippen, daar gaan ze ruzie om maken”

[medeverdachte 2]: “Nee, kijk, hun willen uren maken dus we gaan die kleine dingetjes ook knippen”10

20 november 2013:

[verdachte]: “Ik krijg dalijk dan krijgen we weer in de middag zestig (60) nat en als die goed is want het is van twee keer zestig (60) want die man ken het aan niemand kwijt ja het is een leek is dat maar hij maakt wel CO2handel dus ik zei geef mij de helft maar. (…)11

11 december 2013:

[verdachte]: “Kan er alleen maar AM of doe je ook PP?”

NNman: “Ik heb Pp gewoon allemaal klaar liggen.” (…)

[verdachte]: “Ik had nog 11 hele mooie gekocht (…) En we dachten ja..helemaal niet hebben die natte. Maar ja het was zo mooi. Zo weinig geplukt voor zo weinig geld en dan leg ik ze wel neer ook. Volgende week ook nog een plukkie en dan zijn we klaar. (…)

Wij zeggen wel klaar, maar als wij weer wat kunnen kopen, doe je het toch wel weer.”12

25 november 2013:

[medeverdachte 1] zegt ik had een wagen met 4 mensen erin, wagen met 3 mensen erin. [naam persoon] dus 960 en 720 en 750 en 1250. [medeverdachte 5] 750, [medeverdachte 3], Auto met [naam persoon] erin, 5002 [naam persoon]. Echt veel voor knippers dit keer (…) [verdachte] “De laatste keer hadden we 8 uurtjes erover gedaan (…) We waren verleden keer echt veel sneller.”13

Uit diverse gesprekken blijkt dat [medeverdachte 2], verdachte en [medeverdachte 1] al langere tijd ervaring hebben met die verwerking van hennep, dat zij met z’n drieën bij de verwerking van en de handel in hennep zijn betrokken en dat zij daarbij regelmatig gebruik maken van de hulp en/of diensten van anderen, onder wie [medeverdachte 3], [medeverdachte 6] [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4], waarvoor zij die personen ook betalen:

18 november 2013:

[verdachte]: Nee, pas als hij bijna klaar is, anders krijg je het nooit droog.

[medeverdachte 1]: “[verdachte], luister jongen, ik heb 15 jaar schone handel gedroogd (…) en ik weet dondersgoed hoe je het doet, maar als het kraakt dan gaat ie brokkelen” (…)

[verdachte]: “Tijden veranderen” (…)

[medeverdachte 1]: “Maar ja, ik ben tot nu toe 15 jaar alles kwijt geraakt dusse” (…)

[verdachte]: “[medeverdachte 1], we doen het al zoveel jaren, als je mij 3 keer iets zegt dan ken ik dat gewoon, heb ik jou hulp nooit meer nodig hoor.”14

22 november 2013:

[verdachte]: “Die bolle vraagt (…) hoeveel alles schoon kost” (…) “Ja maar ik ga het niet voor tweehonderd (200) euro eh ga ik het niet meer doen, dan stop ik er wel mee, dat ga ik niet doen, ik ken moeilijk met zn drieen tweehonderd (200) euro gaan lopen delen, en dan moeten die jongens betaald worden (…) dan moet ik tegen die jongens zeggen ik kap ermee met hun en dan moet ik het zelf gaan doen, dat ga ik echt niet doen”(…) vijf (5) keer zevenendertig vijftig (37,50) dan doe je er tien (10) % op, als ze het niet zien, want dat krijg je ook na een tijdje, dan moet ik vier ruggen rekenen, die jongens doen het niet voor een geeltje hebben ze gezegd, per stuk, daar doen ze het niet voor.”

[medeverdachte 1]: “Nee maar oke dan hebben ze niks meer.”

[verdachte]: “Nee, maar ja, [medeverdachte 3] zegt ook, ik ga niet eh, bijvoorbeeld dat ik er maar eh veertig (40) in een maand ken doen, dan heb ik een rug. Hij zegt want van een rug, dan verdien ik bij een baas nog meer. Dat zei [medeverdachte 3] tegen mij”(…)

[medeverdachte 1]: “Weet je wat het is, ik vind dat altijd zo moeilijk om van te voren te oordelen wat je gaat verkopen. Kijk, als je ziet, je kan aan Noel kwijt je kan aan Bolle kwijt.” (…) Don, hoe we het wenden of keren, we gaan gewoon verder dus (…) en of dat nou met of zonder [medeverdachte 3] is, dan gaan we een andere oplossing vinden.” (…)

[verdachte]: “Ja maar ik ga het niet zelf lopen doen. Ik wil het zelf doen, maar ik ga het niet voor [medeverdachte 2] lopen doen als hij er niet werkt.”

[medeverdachte 1]: “Het is heel simpel, als we het zelf moeten doen, dan moeten we alle drie er een doen. Klaar.”

[verdachte]: “Of allemaal ons eigen ding.”

[medeverdachte 1]: “Dat maakt verder niks uit, je bent met zn drieen ergens aan begonnen, je moet met zn drieen verder gaan(…) Als ik hget zelf moet gaan rijden, moet ik het zelf gaan rijden, klaar. (…) Moet ik het zelf weer thuis inpakken, ga ik het zelf weer thuis inpakken. Klaar, ja toch, ik gooi alles weer om.”(…)

[verdachte]: in principe, die tweehonderdvijftig (250) euro onkosten is teveel. Kijk, als je ziet wat [naam persoon] en [naam persoon], weet je die doen het samen, die hebben geen onkosten (…) dus hun hebben, dit hebben ze niet (…) Dit die onkosten. (…) Per kilo gaat er een halve liter op, dat is ook twaalf vijftig (12,50). Ook een tientje. Nou dan krijg je [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6], ja, dan kom je ook op honderd (100), dan kom je op tweehonderdtwintig (220) euro uit.”15

21 november 2013: een gesprek tussen [verdachte], NN-man en NN-man, waarbij [verdachte] zegt: “Wij moeten het ook met zijn drieen delen.”16

23 november 2013: een gesprek tussen [medeverdachte 2], [verdachte] en [medeverdachte 1], waarbij [verdachte] zegt:

“[medeverdachte 1], we hebben jou er nou bij betrokken, wij deden het al zes jaar er voor.”17

26 november 2013:

[verdachte]: “Ik heb het met [medeverdachte 3] al zo 5 jaar gedaan, niks aan de anders dan topspullen.”

[medeverdachte 1]: “Ik zei 2 jaar geleden al, je moet het terug laten slaan, toen kregen we al een discussie:”18

9 januari 2014: [medeverdachte 5]: “Kijk wat we vroeger deden met staalknaken en nou heb je alles. (…) Maar het ken niet verkeerd gaan toch..verstandig [medeverdachte 2]. Met [medeverdachte 1], die ouwe opa.”(…)

[medeverdachte 2]: “Ik bedoel met handel niets. Ik doe niets.” [medeverdachte 5]: “Je hebt een uitkering of zo?” [medeverdachte 2]: “Nee, zo bedoel ik het niet. Je begrijpt me verkeerd. (…) Ik doe zelf niets. (…) met handel. Als ze mij achterna zitten, weetje. De politie zit mij achterna zit, ja?. Kijk wat ik doe. Ik doe zelf niks. Ik kom niet bij spullen, weetje. Hoor ik kom niet bij spullen. (…) Jij begrijpt me verkeerd. Ik handel. (…) Ik doe heel veel handel, heel veel doe ik ja. Maar ik doe zelf niks. (…) Kijk ik koop het op. (…) maar ik doe zelf niks. Snap je wat ik bedoel. Voorbeeld, ik laat het iemand doen. (…) Ik kom helemaal niet bij geld ik kom helemaal niet bij spullen. (…) Voorbeeld. Ik zeg tegen jou..kijk, jij vraagt 50 kilo nat. (…) Ik laat iemand anders naar jou toe komen om te kijken. Ja, met mijn geld. Ik laat iemand anders het ophalen. Ik laat iemand anders het maken (…) ja bewerken. Dus ik zelf kom ik nergens. Zo bedoel ik het.”(…) [medeverdachte 5]: (…)”Jij zit er wel in, maar ze hebben niks. Jij bent de dekmantel voor iedereen.” [medeverdachte 2]:”Nee. [verdachte] ofzo doet ook niks. (…) Kijk, we hebben laat maar zeggen uhhh telefoon en alles…. stuur een smsje naar [verdachte]. Als ik een smsje gestuurd heb dan weten ze allemaal wat ze moeten doen, maar wij komen niet bij dingen. (…) Kijk je moet wel laat maar zeggen, je bent meer geld kwijt aan mensen.”19

7 maart 2014:

NN man: “dus die auto moet hier naar binnen (…)?” (…)

[verdachte]: ”Na dinsdag hij moet eerst hier staan haha… laten we eerst ff alles laten zien. Ik wil gewoon dat ze zien dat we wat doen weet je. Ze moeten dalijk niet denken dat we witwassen dat ze dalijk denken he jullie doen helemaal niks, geen auto’s staan, waar betaal je het allemaal van dan, alle auto’s moeten hierheen!”

NNman: “Daarom zeg ik werkkleren aan doen gelijk.”

[verdachte]: “Ja doe ik ook. Ik pak ook een overalletje. Ik pak ook een oude spijkerbroek, doe ik wat smeer aan mijn handen, doe ik mijnn handen even en mijn t- shirtje (..)

[verdachte]: “Ja maar mag ik ook zeggen dat ik zelf spuit he! Zeg jij het dalijk even tegen hem (…) Tegen die bij de spuiterij … zeg dan dat als hun iets vragen dat wij zelf spuiten bij hun

Nnman; “Ken je het beter bij die groene dingetjes houden he, die fratsen allemaal”(…)

[verdachte]: “Misschien ga ik straks wel in mijn eentje verder. Net zoveel werk… want ik doe…ik werk voor [medeverdachte 1] (…) word ik helemaal gek van … die geeft meer om dit dan om dat andere en [medeverdachte 2] doet helemaal niks.In mijn eentje hoef ik maar heel weinig te doen en dan heb ik ook mijn centjes. Het is eigenlijk wat je moet met zijn drieen delen (…) is te veel. Maar dat is allemaal niet erg, het is allemaal niet erg als ie ook nog wat doet, als ie niet ook nog dat soort gekke (…) dingen gaat doen. Dan vind ik het helemaal niet erg als hij ook zijn dingetje doet maar hij doet het gewoon niet meer! (…)

[verdachte]: Ik zeg laatst tegen [medeverdachte 1] (…) ik doe het helemaal alleen, geen drie om me heen dat de anderen het fout doen. Ik koop 1 plukkie in de maand, nat, 5,6 rooitjes, niks aan de hand. Ik zit al twee jaar zo te dubben en met [medeverdachte 1] er nog nooit over gehad, maar ik vind het ook lullig voor [medeverdachte 2] weet je, maar hij blijft maar bezig.”20

In dit verband wordt ook verwezen naar OVC-gesprekken die gaan over het drogen, mixen en inpakken van de hennep.21 Uit deze gesprekken volgt dat dat vaak werd gedaan door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] en dat zij daarvoor instructies kregen van [medeverdachte 1] en verdachte. Ook blijkt uit diverse OVC-gesprekken dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] hiervoor werden betaald door [medeverdachte 1], verdachte en [medeverdachte 2].22

Voorts blijkt uit diverse gesprekken dat [medeverdachte 4] regelmatig door [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en verdachte werd ingeschakeld voor het vervoer van hennep23 en dat hij daarvoor ook door hen werd betaald.24

Op basis van de vermoedens zoals die uit de OVC-gesprekken naar voren zijn gekomen, heeft de politie nader onderzoek gedaan naar een groot aantal specifieke panden die in die gesprekken werden genoemd of daaruit konden worden afgeleid. In de panden gelegen aan de [adres] te Delft en de [adres], de [adres] en de [adres] te Den Haag werden vervolgens al dan niet ontruimde hennepkwekerijen dan wel -drogerijen aangetroffen. In het pand gelegen aan de [adres] en de [adres] te Den Haag werden hennepdrogerijen aangetroffen en in garageboxen gelegen aan de [adres] en [adres] werden aan de hennepteelt gerelateerde goederen aangetroffen.

De rechtbank stelt vast dat alle in feit 1, eerste cumulatief/alternatief van de tenlastelegging genoemde panden in verband zijn gebracht met activiteiten die verband houden met het telen, bewerken en/of drogen van hennep. De politie is deze panden op het spoor gekomen naar aanleiding van OVC-gesprekken in de garage, zodat in ieder geval enige wetenschap van (ieder van) de verdachten van deze activiteiten kan worden vastgesteld. Echter, wat daar ook van zij, de kern van de verdenking richt zich op het medeplegen van het “telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen” van hennep in deze panden. Naar het oordeel van de rechtbank bevindt zich in het dossier ten aanzien van deze panden onvoldoende bewijs waaruit onomstotelijk kan blijken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten met betrekking tot die specifiek verweten handelingen. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het hem onder 1, eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit.

Dit geldt evenwel niet voor de in feit 1, tweede en derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde panden aan de [adres] en de [adres] te Den Haag. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

[adres] te Den Haag

Uit onderzoek naar het pand gelegen aan [adres] te Den Haag (hierna: [adres]), waar SAS is gevestigd,25 is het volgende naar voren gekomen.

Volgens bouwtekeningen, gedeponeerd bij de gemeente Den Haag, zijn de panden gelegen aan [adres] en de [adres] Den Haag (hierna: de [adres]) feitelijk één pand. Het pand bestaat volgens de meest recente bouwtekening uit 2 ruimtes. De ingang van het pand is blijkens de bouwtekeningen gelegen aan genoemde Treilerweg 80.26

Op 23 december 2012 is een warmtemeting uitgevoerd op de locatie [adres] te Den Haag. Boven de locatie [adres] te Den Haag en aan de achterzijde van de [adres] te Den Haag was op de eerste verdieping, ter hoogte van een balkonkast, een verhoogd en afwijkend warmtebeeld zichtbaar. Juist de balkonkast straalde zeer veel warmte uit.27

Naar aanleiding van deze warmtemeting heeft een verbalisant op 4 januari 2013 ter plaatse onderzoek gedaan naar de nummering van de desbetreffende panden. De verbalisant zag dat de [adres] te Den Haag geheel boven de bedrijfsruimte van SAS was gelegen. Hij zag dat alle ramen van dit pand op de eerste verdieping aan de binnenzijde waren geblindeerd door middel van vitrage en dat het daardoor niet mogelijk was bij het pand naar binnen te kijken. De verbalisant zag verder dat het perceel op de begane grond aan de linkerzijde voorzien was van twee overheaddeuren en aan de rechterzijde van twee houten kozijnen met in elk kozijn een deur. De rechterdeur was voorzien van het opschrift “[huisnummer]” en “[naam persoon]”. De linkerdeur was voorzien van nummer [huisnummer]. De overheaddeur links naast de tweede houten deur was voorzien van een bord met het opschrift “[bedrijf]” en de meest linkerdeur van nummer [huisnummer].28

Op 7 september 2012 is door een verbalisant waargenomen dat op de gevel van het pand [adres] een bord was bevestigd met de opdruk: “Medio 2013 vestigt [naam persoon] zich hier”. Op dat moment was SAS echter gevestigd op de locatie [adres].29

Op 5 februari 2013 wordt door het onderzoeksteam een OVC-gesprek (uit de auto van [medeverdachte 1]) tussen [medeverdachte 1] en verdachte uitgeluisterd waarbij [medeverdachte 1] zegt: “Op deze manier, hoe we het hebben gedaan, dat is gewoon top. Ik had het met [medeverdachte 2] er gisteren over. Ik liep naar de wc toe en hij kwam hebben we top gedaan dit, echt niet normaal, zo’n mooie truc dit. Dat heb niemand door. Iedereen denkt dat het bij Erik hoort haha.”.30

Tussen 3 en 8 maart 2013 zijn vervolgens cameraopnames gemaakt van de twee ingangen van SAS, welke zijn gelegen aan de [adres] en de [adres] te Den Haag. Op de camerabeelden, gericht op de locatie [adres] te Den Haag, is waargenomen dat [medeverdachte 1] en verdachte tussen 3 en 8 maart 2013 het pand diverse malen in- en uitgaan. Het pand heeft geen deurklink aan de buitenzijde; het lijkt erop dat de deur alleen is te openen met een sleutel.31

Op de camerabeelden, gericht op de locatie [adres] te Den Haag, is waargenomen dat [medeverdachte 1], verdachte en [medeverdachte 2] tussen 5 en 8 maart 2013 diverse keren in en rondom het pand zijn. Zij openden en sloten het pand telkens af met een sleutel.32

Op 2 oktober 2013 is wederom een warmtemeting uitgevoerd op de locatie [adres] te Den Haag. Op de beelden van deze warmtemeting is een donkere verkleuring waar te nemen, hetgeen wil zeggen dat de temperatuur van het object hoger was dan van de andere objecten op de foto.33

Op 3 januari 2014 is binnengetreden in het pand gelegen aan de [adres] te Den Haag. Hierbij is een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen op de eerste verdieping van het pand, welke bestond uit 4 kweekruimtes met respectievelijk 120, 161, 235 en 256 planten. In totaal werden derhalve 772 hennepplanten aangetroffen.

Verspreid in het gehele pand werden aan een hennepkwekerij te relateren goederen aangetroffen, zoals lege en gevulde jerrycans met groei/bloeistimulatoren, armaturen met assimilatielampen, 840 gebruikte stekkenbakken en (resten van) substraatrondjes.34

Uit onderzoek is gebleken dat het pand aan de [adres] te Den Haag werd verhuurd. Blijkens een huurovereenkomst zouden de huurders zijn: [naam persoon] en [naam persoon]. Bij het huurcontract zijn kopieën gevoegd van twee identiteitskaarten met daarop voornoemde namen vermeld. 35 Uit onderzoek door de politie is gebleken dat deze personen in combinatie met de informatie zoals zichtbaar op genoemde legitimatiebewijzen niet bestaan36

In het dossier bevinden zich voorts twee OVC-gesprekken (uit de garage) van 20 december 2013 tussen [medeverdachte 2], [medeverdachte 1], verdachte en “[naam persoon]” ([naam persoon], hierna: [naam persoon])37 waarin [medeverdachte 1] de namen [naam persoon] en [naam persoon] noemt en meldt dat “de legitimatie is weggegooid”. Tevens blijkt uit deze gesprekken dat [naam persoon] een brief heeft ontvangen met betrekking tot het vervangen van de watermeter. De watermeter kan echter niet vervangen worden, omdat de kwekerij nog in werking is. Er wordt besproken wie wat moet zeggen tegen het waterleidingsbedrijf om de afspraak te verzetten. Onder meer zegt [medeverdachte 1]: “Hij staat op [naam persoon]” en “Je moet niet zeggen dat je (…). Je spreekt met [naam persoon]”, waarna [naam persoon] uiteindelijk zegt: “Als ik daar ben is ook best raar meneer [naam persoon] weet je…”.38

Mede gelet op het uitblijven van een andersluidende verklaring van verdachte en zijn medeverdachten, volgt de rechtbank de uitleg van de politie ter zake van dit gesprek, te weten dat de legitimatiebewijzen zowel ten behoeve van het sluiten van het huurcontract zijn overgelegd, als ook zijn gebruikt bij de aanvraag van de waterlevering in genoemd pand.

Voorts hadden verbalisanten na binnenkomst van het pand aan de [adres] te Den Haag op 3 januari 2014 in de hal een kastje van een alarmsysteem op de grond zien liggen. Zij zagen een lampje knipperen op dit kastje. Zij zagen dat het kastje met een draad verbonden was aan een kist op een houten plank die op de grond stond in de ruimte van de elektriciteitsmeter van de woning. Op de plank waren een kleine en grote kist bevestigd. Uit de kleine kist kwam een zwart snoertje dat was bevestigd aan een zwarte antenne.39

De politie heeft nader onderzoek ingesteld naar het in de [adres] te Den Haag aangetroffen alarmsysteem op het plankje.

Uit onderzoek is gebleken dat op 18 februari 2013 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] en “[naam persoon]”, waarbij [naam persoon] zegt dat hij er om een uurtje of vijf is. Om 17.02 uur geeft [naam persoon] aan dat hij voor de deur staat, maar dat er niemand opendoet. [medeverdachte 1] antwoordt dat hij er over een half uurtje is. Op 18 februari 2013 om 17.34 uur is het alarmsysteem geactiveerd.

Op 8 maart 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] en [naam persoon]. In dit gesprek wordt gesproken over de alarmcode.

Op 18 oktober 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] en [naam persoon]. In dit gesprek geeft [medeverdachte 1] aan dat hij en [medeverdachte 2] problemen te hebben met “het alarmpje welke op de plank zat”.

Per 19 oktober 2013 blijkt dat in het alarmsysteem een ander telefoonnummer is geplaatst.

Blijkens OVC heeft op 28 oktober 2013 in de garage een gesprek plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] en “[naam persoon]”. [medeverdachte 1] spreekt over een telefoon en zegt dat [naam persoon] “die” eigenlijk altijd bij zich moet hebben. [naam persoon] zegt: “als er wat is kan ik [medeverdachte 2] of [verdachte] bellen? (…)”. [medeverdachte 1] antwoordt: “ik heb die van mij ook [bedrijf] en dan zeg je gewoon uhh.”. [naam persoon]: “ja alarm meer niet. Of ik bel hun of stuur een berichtje alarm. Dat kan ook.”. Op 31 oktober 2013 heeft in de garage een gesprek plaatsgevonden tussen [naam persoon] en [medeverdachte 2], waarbij [naam persoon] aangeeft dat zij een alarmtelefoon heeft en dat zij het nummer van [medeverdachte 2] wil hebben om in te voeren.40

Op de dag van het binnentreden in de [adres] te Den Haag, te weten 3 januari 2014 omstreeks 09:45 uur, is waargenomen dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] om 09:43 uur uit een Volkswagen Caddy, welke op naam van [medeverdachte 1] is gesteld, de garage binnengaan. Om 09:44 uur vertrekken zij weer met deze auto. Om 09:47 uur parkeert [medeverdachte 1] de auto op de [adres] te Den Haag. Om 09:48 uur komt [medeverdachte 2] het portiek dat toegang geeft tot de percelen [perceelnummers] van de [adres] in versnelde pas uitlopen en stapt weer in de auto.41

De rechtbank stelt vast dat op het adres [adres] te Den Haag [naam persoon] woonachtig is.42

Op grond van de hiervoor aangehaalde OVC-gesprekken en het feit dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] enkele minuten na het binnentreden door de politie in het pand [adres] te Den Haag, nadat zij eerst bij het pand aanwezig zijn geweest, direct langs [naam persoon] zijn gereden, concludeert de rechtbank dat het alarmsysteem in de [adres] te Den Haag begin 2013 in opdracht van [medeverdachte 1] is geïnstalleerd en dat [naam persoon] eind oktober 2013 een telefoon met een aan het alarmsysteem gekoppelde simkaart in bewaring heeft gekregen, opdat zij verdachte en zijn medeverdachten kon waarschuwen indien het alarm afging.

Voorts blijkt uit OVC-gesprekken uit de garage in de periode vanaf 11 november 2013 tot en met 20 november 2013 dat door [medeverdachte 1], verdachte en [medeverdachte 2] is gesproken over werkzaamheden rondom de hennepkwekerij boven de garageruimte. Bij deze gesprekken waren ook [medeverdachte 6], [naam persoon], [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en [naam persoon] aanwezig. Uit de gesprekken kan worden opgemaakt dat voornamelijk verdachte en [medeverdachte 1] besluiten wat er wordt gedaan en door wie. Zij geven in deze gesprekken opdrachten en zorgen dat benodigd materiaal aanwezig is. Uit het onderzoek is voorts gebleken dat deze hennepkwekerij op 15 november 2013 moet zijn geoogst en is aangevuld met nieuwe stekken en koolstoffilters. Daarnaast is de doorgang vanuit de garageruimte naar de hennepkwekerij in de bovengelegen ruimte weer dichtgemaakt, zodat deze niet meer zichtbaar zou zijn in de garageruimte.43

Op 8 april 2014 is nader onderzoek ingesteld naar de tussenmuur tussen de garage en perceel [adres] te Den Haag. Hierbij is vastgesteld dat een deel van de structuur van de muur in de garage afweek ten opzichte van de gehele muur. Achter de houten plaat bij de meterkast in de [adres] te Den Haag bleek een gat in de muur te hebben gezeten, dat was opgevuld met witte gipsblokken en groen purschuim.44 De rechtbank stelt vast dat zich hier derhalve de doorgang heeft bevonden vanuit de garageruimte naar de hennepkwekerij in de [adres] te Den Haag.

Op grond van al het vorenstaande, mede in onderling verband en samenhang bezien, staat naar het oordeel van de rechtbank buiten enige twijfel vast dat de hennepkwekerij in het pand, gelegen aan de [adres] te Den Haag in de periode van 23 december 2012 tot en met 3 januari 2014 toebehoorde aan verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Voor wat betreft de ten laste gelegde periode stelt de rechtbank vast dat zich in het dossier, anders dan de raadsman heeft gesteld, gelet op hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen, ook voldoende bewijs bevindt voor het in werking zijn van de kwekerij tussen de warmtemeting op 23 december 2012 en de instap op 3 januari 2014. De raadsman heeft volstaan met de enkele stelling dat in een dergelijk pand met een plat dak in de zomermaanden geen hennep zou kunnen worden gekweekt. De rechtbank constateert dat deze stelling op geen enkele wijze wordt onderbouwd door informatie uit het dossier of door enige verklaring hieromtrent van verdachte of (een van) zijn medeverdachten. Anders dan de raadsman heeft gesteld, is dit naar het oordeel van de rechtbank geen feit van algemene bekendheid. Het had dan ook op de weg van de verdediging gelegen om een begin van aannemelijkheid van deze stelling te geven, anders dan door het verzoek om het aanstellen van een deskundige ter bevestiging van deze stelling.

Voorts overweegt de rechtbank dat, voor zover het pand aan de [adres] te Den Haag al een woning zou betreffen, op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet is gebleken dat dit de woning van verdachte was. Reeds om die reden kan het beroep van de raadsman op bewijsuitsluiting niet slagen en behoeft dat verweer geen verdere bespreking.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gedurende de gehele ten laste gelegde periode tezamen en in vereniging met anderen hennep heeft geteeld in het pand, gelegen aan de [adres] te Den Haag.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande de onder 1, tweede cumulatief/alternatief en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zoals hierna, onder 4.5, nader weer te geven.

[adres] te Den Haag

Op grond van telefoontaps, OVC-gesprekken afkomstig uit de garage en de Dodge Ram Van van [medeverdachte 1] en bakengegevens van onder meer de Volkswagen Caddy van [medeverdachte 1] ontstond lopende het onderzoek Ergoline het vermoeden dat de hoofdverdachten in het onderzoek in de omgeving van [adres] of [adres] te Den Haag eveneens hennep verwerkten, bewerkten of opsloegen.

Zo ontving op 2 november 2013 om 07:09 uur de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] een sms van de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer]) met als inhoud: “Hoeveel moet straks hebben”.

Vanaf het telefoonnummer [telefoonnummer] wordt om 07:10 uur een bericht teruggestuurd met de inhoud: “15 stuks ik ben over 15 min bij jou”.

Vervolgens ontvangt de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer] om 07:17 uur een sms met de tekst: “Zorg dat je banken goed open staan voor het kraken van die kk tassen” en om 07:53 uur: “15 kom je zo halen. Of gaat alles gelijk mee’.

De gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer] stuurt vervolgens om 07:59 uur een sms terug met de inhoud: “Ik wacht tot hij er is om 9 uur michien moet hij er wel meer hebben en dat kom ik dan halen bij jou en laterhaal ik de rest op.”.45

Op de OVC in de garage is te horen dat [medeverdachte 1] op 2 november 2013 rond 9:00 uur tegen [naam persoon] (hierna: [naam persoon]) zegt: “zo hartstikke mooi zeg…vijftien he?” waarop [naam persoon] zegt nee, twintig. Hierop antwoordt [medeverdachte 1] “Twintig okay, ga ik effe doorgeven”. Vervolgens zegt [medeverdachte 1] dat hij dat vanmorgen al tegen ze zei dat ze even moesten wachten met weghalen omdat het er misschien meer zouden worden.46

Op de OVC in de garage is tot slot te horen dat [medeverdachte 1] tegen [naam persoon] zegt dat hij zal zeggen dat hij over een kwartiertje bij hem is.

Vervolgens wordt om 09:08 uur door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] een sms naar het telefoonnummer [telefoonnummer] met als inhoud: “Het moeten er 20 worden”. Hierop wordt door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] geantwoord: “Staat klaar mooie ook. Over hoe lang ben je er”. Hierop wordt door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] gereageerd om 09:10 uur met als inhoud: “15 min”. 47

Gelet op de inhoud van de hiervoor aangehaalde sms-berichten in combinatie de inhoud van hiervoor aangehaalde OVC-gesprekken en de daarbij behorende stemherkenningen, stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] op genoemde datum en tijdstippen de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer] is.

Vervolgens is blijkens de OVC in de garage te horen dat [medeverdachte 1] tegen [naam persoon] zegt “dat hij ze zal halen” en dat [naam persoon] zegt “moet ik er vast naar toe rijden”. [medeverdachte 1] antwoordt hierop “ja rij er maar naar toe, het is hier niet zo heel ver weg”.48

Vervolgens stuurt de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer] (naar de overtuiging van de rechtbank: [medeverdachte 1]) om 09:24 uur nog een sms naar de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] met als inhoud: “1 min.”.

Op 2 november 2013 rond 09:26 uur straalt een baken, geplaatst op de Volkswagen Caddy met het kenteken [kenteken], aan in de [adres].49 Deze auto staat sinds 8 april 2013 op naam van [medeverdachte 1]. Desgevraagd heeft verdachte op 8 maart 2014 verklaard dat hij de Volkswagen Caddy met het kenteken [kenteken] tot zijn beschikking heeft en dat hij de auto “een jaar geleden” heeft gekocht.50

Gezien de inhoud van de sms-berichten, de gesprekken in de garage en bij gebrek aan een andersluidende verklaring van verdachte en zijn medeverdachten kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat het hier de verkoop van/het ophalen van twintig kilo hennep betrof.


Bakengegevens van de Volkswagen Caddy van [medeverdachte 1] hebben uitgewezen dat de auto in de periode van 2 november 2013 tot en met 30 januari 2014 15 keer in de [adres] te Den Haag is geweest.51

Blijkens de OVC in de garage is te horen dat [medeverdachte 3] op 12 november 2013 om 14:43 uur met (onder andere) [medeverdachte 1] en verdachte een gesprek heeft, met onder meer de volgende inhoud:52

(…)

[medeverdachte 1]: Tot morgen ochtend ja. Ik kom het morgen ochtend ophalen.

[medeverdachte 3]: Gaat dat wel in de bus het zijn 7 dozen he.

[medeverdachte 1]: er gaan er 5 in. (…)

[verdachte]: Je ken er wel meer in doen. Gewoon 7. Er gaan er 7 in. (…)

[medeverdachte 1]: Ik vind het ook veiliger. (…)

[verdachte]: Of haal de wiet er uit en gooi het er in. (…) Maar alles is zwart dicht, dicht. Je ken er niet doorheen kijken.

[medeverdachte 1]: Maar als je wordt aangehouden, kijken ze zo en zien ze…

(…)

[medeverdachte 3]: Maar luister. Hoe groot is de kans dat je gepakt wordt als je aan het rijden bent of dat er iets bij mij thuis leg. Dat is bij mij veel groter. Als iemand de hoek om komt dan zien ze [medeverdachte 1] met een Gamma doos bij mij voor de deur.

[verdachte]: Dat is ook zo.

[medeverdachte 3]: De kans is groot dat ik gepakt wordt en jij gepakt wordt onderweg.

[medeverdachte 1]: Maar wij denken zo he. Mensen in het gewone leven denken niet zo. Die denken hij staat met een doos. (…)

[medeverdachte 1]: Maar [medeverdachte 3], dat zijn dingen die ik ook al heel vaak aangegeven heb. Ik vind persoonlijk als ik naar jou rij. Of hij er is of ik, moeten ze die straat blokkeren. Dat heb ik al zo vaak aangegeven. BLOKKEREN die zooi.

[verdachte]: Het gaat om de buren. Ik ben verraden door zijn buurman met mijn hok aan de overkant. Die heb mij verraden.

[medeverdachte 1]: Dus jij vond het niet belangrijk dat een politieauto door de straat heen kan rijden. (…)

[medeverdachte 3]: Er rijdt nooit een politiewagen bij mij door de straat.

(…)

[medeverdachte 3]: Luister ik ken mensen die bij mij in de straat wonen en ik weet wie er allemaal verraden. Je moet gewoon geluk hebben. [naam persoon] zag ik met die tonnen uitladen uit die bus. Hij stond uit zijn raam te kijken. Hij zegt niks.

(…)

[medeverdachte 3]: Jij zegt zelf dat je pas gaat rijden als er een wissel dienst is. Dat is om half 7. Hoe groot is de kans. Dat is gewoon een lot uit de loterij.

Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 3] blijkens de Gemeentelijke Basis Administratie in genoemde periode woonachtig was op het adres [adres] te Den Haag. Tevens bleek uit onderzoek dat op de [adres] een man genaamd [naam persoon] woonachtig was en dat die desbetreffende woning recht tegenover de woning gelegen aan de [adres] te Den Haag is gelegen.53

Vervolgens heeft in de periode van 17 tot en met 20 januari 2014 een camera van de politie opgesteld gestaan in de richting van het pand [adres] te Den Haag.54 Op de camerabeelden is te zien dat op 17 januari 2014 om 19:01 uur55 een Opel Combo met het kenteken [kenteken], in gebruik bij [medeverdachte 4], voor de [adres] stopt en vrijwel direct doorrijdt. De voordeur van de woning wordt geopend en weer gesloten, als de Opel Combo doorrijdt. Wanneer het na enkele minuten rustiger in de straat wordt, komt om 19:03 uur dezelfde Opel Combo weer de straat inrijden en stopt vervolgens voor de voordeur van [adres]. Vrijwel meteen gaat de voordeur open en stapt [medeverdachte 3] naar buiten. [medeverdachte 3] opent de rechter schuifdeur van de Opel Combo. De bestuurder van de Opel Combo blijft in de auto zitten. [medeverdachte 3] kijkt de hele tijd om zich heen en pakt drie geruite bigshoppers uit de auto en brengt deze naar binnen. Bij het pakken van de derde zak trekt hij meteen de schuifdeur van de Opel Combo dicht. Op het moment van het dichtvallen van de schuifdeur trekt de Opel Combo op en rijdt weg. Op de camerabeelden is voorts te zien dat verdachte op 18 januari 2014 om 12:41 uur de [adres] verlaat. Ten slotte is op de camerabeelden te zien dat op 20 januari 2014 om 06:40 uur [medeverdachte 1] in zijn Volkswagen Caddy komt aanrijden. [medeverdachte 1] stapt uit zijn auto en loopt om de auto heen naar de zijkant van de auto. De zijkant staat direct naast de voordeur van de [adres]. Uit de woning komt [medeverdachte 3]. [medeverdachte 3] pakt vijf grote geruite bigshoppers en een verhuisdoos en geeft deze door aan [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] zet de vijf bigshoppers en de verhuisdoos in de auto. [medeverdachte 3] gaat de woning weer in. [medeverdachte 1] stapt weer in de auto en rijdt weg.56

Vervolgens is op 6 maart 2014 in de ochtend een observatie op de [adres] te Den Haag verricht. Hierbij is waargenomen dat de Volkswagen Caddy van [medeverdachte 1] voor de [adres] stopt en dat [medeverdachte 1] de schuifdeur van de auto aan de bijrijderszijde opent. Ondertussen wordt de voordeur van de [adres] geopend en loopt [medeverdachte 3] uit deze woning. [medeverdachte 1] pakt vervolgens diverse grote bigshoppers (donker van kleur) uit de Volkswagen Caddy en geeft deze aan [medeverdachte 3], die de bigshoppers vervolgens de woning in draagt. Nadat de goederen uit de Volkswagen Caddy zijn geladen en in de woning zijn gebracht, geeft [medeverdachte 3] vanuit de woning meerdere dozen (gedeeltelijk wit van kleur), een bigshopper en een lichtkleurige tas met hengsels aan [medeverdachte 1], die deze vervolgens in de auto plaatst. Daarna is te zien dat [medeverdachte 3] de woning weer in gaat en [medeverdachte 1] met de auto wegrijdt.57

[medeverdachte 1] is kort hierna aangehouden in zijn Volkswagen Caddy. In de laadruimte van de auto zijn verhuisdozen en bigshoppers aangetroffen.58 Bij nader onderzoek in de auto zijn in de laadruimte in totaal vier witte dozen aangetroffen. Tussen de dozen en de achterbank stonden verder een bigshopper, een Hoogvliet boodschappentas en een zwarte sporttas. De verbalisanten zagen bij opening dat in al deze verpakkingen doorzichtige plastic zakken zaten waarin henneptoppen zaten. De hennep was vacuüm verpakt en de zakken waren dicht geseald.59 In totaal werd in de auto 24 kilogram henneptoppen aangetroffen.60

Bij de hierop volgende binnentreding in de woning gelegen aan de [adres] te Den Haag zijn [medeverdachte 3], zijn vader [medeverdachte 5] en diens vriendin, [naam persoon] (hierna: [naam persoon]) aangetroffen en aangehouden.

Bij de doorzoeking van de woning werden in een slaapkamer op de tweede verdieping vier geruite bigshoppers met zakken hennep en een strijkzak met hennep in een voetbaltas aangetroffen. Op de zolderetage op de tweede verdieping werden tevens op diverse plekken (zakken met) henneptoppen en hennepresten aangetroffen.61 In totaal werd in de woning 17,55 kilogram hennep aangetroffen.62

Op de trap naar de zolderetage werden verder tassen aangetroffen waarin zich vier scharen bevonden waaraan hennepresten kleefden. Tevens bevonden zich in de tassen een sok en twee paar schoenen waaraan hennepresten kleefden. Op de zolderetage werd waargenomen dat op het zeil restanten van hennepplanten aanwezig waren. Verder werden de volgende goederen aangetroffen op de zolder: een weegschaal waarop henneptoppen lagen, een strijkplank, strijkzakken, een vacuümmachine en een knipmachine waarop restanten van hennep aanwezig waren.63

Nadat de politie [medeverdachte 5] foto’s van de op de zolderetage aangetroffen weegschaal, het apparaat en de geruite bigshoppers had laten zien, heeft hij verklaard dat hij die spullen en de wiet op zolder wel eens had zien staan en dat het apparaat wordt gebruikt om te sealen.64

[naam persoon] heeft verklaard dat zij in ieder geval sinds januari 2014 wel eens wiet heeft geroken in de woning en dat zij vaker grote geruite blauwe tassen in de woning heeft zien staan. Op de zolder had zij een apparaatje zien staan en soms wat wiet op de grond zien liggen.65

Verdachte heeft zich met betrekking tot dit feit op zijn zwijgrecht beroepen.

De rechtbank kan op grond van het vorenstaande niet anders dan concluderen dat de zolderetage van het pand gelegen aan de [adres] te Den Haag al langere tijd werd gebruikt voor de verwerking van hennep en dat op 6 maart 2014 een overdracht heeft plaatsgevonden van hoeveelheden hennep tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3].

Het enkele feit dat verdachte op 6 maart 2014 niet zelf aanwezig is geweest in hetzij het pand gelegen aan de [adres] te Den Haag dan wel in de Volkswagen Caddy van [medeverdachte 1], staat naar het oordeel van de rechtbank niet aan een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit in de weg, omdat ten aanzien van de handelingen met betrekking tot de aangetroffen hoeveelheid hennep naar en vanuit de [adres] te Den Haag sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3], zodat verdachte ook verantwoordelijk kan worden gehouden voor de handelingen verricht door zijn medeverdachten op die dag. De rechtbank betrekt in dit oordeel nadrukkelijk de in de reeds hiervoor in de voetnoten 8 tot en met 24 genoemde OVC-gesprekken, waaruit – verkort weergegeven – blijkt van een tussen deze verdachten bestaand samenwerkingsverband.66

Wat betreft de door de raadsman gevoerde verweren overweegt de rechtbank als volgt. Anders dan de raadsman kennelijk van mening is, is de cameraobservatie op het pand in januari 2014 niet slechts ingezet op basis van de OVC- en bakengegevens uit februari 2013. De rechtbank stelt vast dat de cameraobservatie mede is gebaseerd op telefoontaps en OVC-gesprekken uit de garage van november 2013 en daarmee corresponderende bakengegevens van de Volkswagen Caddy van [medeverdachte 1] van 2 november 2013 tot en met 30 januari 2014, zodat de cameraobservatie naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig is geweest en de resultaten daarvan voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Voorts stelt de rechtbank met de raadsman vast dat de machtiging tot doorzoeking in het dossier ontbreekt. Met de raadsman en de officier van justitie heeft de rechtbank ter terechtzitting echter aan de hand van het proces-verbaal van doorzoeking vastgesteld dat de doorzoeking door de rechter-commissaris is geopend en dat de rechter-commissaris dit proces-verbaal heeft ondertekend. De rechtbank concludeert derhalve dat de doorzoeking was gefiatteerd door de rechter-commissaris, zodat aan het ontbreken van de machtiging tot doorzoeking geen consequenties zullen worden verbonden.

De rechtbank acht op grond van het vorenstaande de onder 1, derde cumulatief/alternatief en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zoals hierna, onder 4.5, nader weer te geven.

Criminele organisatie

Dagvaarding feit 5, eerste cumulatief/alternatief partieel nietig

Blijkens de tenlastelegging wordt verdachte onder 5 eerste cumulatief/alternatief verweten onder meer het deelnemen aan een criminele organisatie die zich richt op het plegen van misdrijven met betrekking tot hennep. De rechtbank constateert dat onder feit 5, tweede cumulatief/alternatief genoemd feitencomplex andermaal ten laste is gelegd, echter ditmaal als specialis van de onder feit 5, eerste cumulatief/alternatief opgenomen generalis. Nu het de rechtbank niet duidelijk is wat het openbaar ministerie heeft beoogd met deze wijze van ten laste leggen, zal de rechtbank zich bij de beoordeling hierna enkel richten op voornoemde specialis en om die reden de dagvaarding wat betreft het onder 5 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde ter zake van – kort gezegd – (strafbare gedragingen terzake van) hennep nietig verklaren.

Om van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht en/of artikel 11a van de Opiumwet te kunnen spreken, is vereist dat sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband van twee of meer personen met een bepaalde organisatiegraad, dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Van deelname is sprake als de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel beoogde oogmerk. Voor strafbare deelname is voorts voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet dat er een organisatie bestaat en dat die organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Wetenschap van een of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd, is niet vereist, als de dader maar weet dat de organisatie het begaan van misdrijven beoogt. Evenmin is vereist dat de betrokkene daadwerkelijk heeft deelgenomen aan (alle) gepleegde misdrijven, noch dat hij heeft samengewerkt, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie.

Op grond van hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen staat vast dat verdachte en zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zich hebben schuldig gemaakt aan het medeplegen van het telen van hennep, het bewerken van hennep en de handel in hennep en dat zij daarbij andere mensen hebben ingehuurd.

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode ten aanzien van het plegen van misdrijven in meer of mindere mate heeft samengewerkt met anderen en dat het handelen van verdachte en zijn medeverdachten ter zake van de activiteiten met betrekking tot hennep een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband betrof zoals begrepen dient te worden onder de in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen term “organisatie”, waarbij men één gezamenlijk oogmerk ten doel had, te weten het plegen van hennep gerelateerde misdrijven.

Met betrekking tot de bewezen verklaarde periode overweegt de rechtbank dat zij, hoewel verdachte wordt vrijgesproken van het onder feit 1 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit, op grond van hetgeen hierboven onder het kopje Handel is overwogen, bewezen acht dat de tussen verdachte, [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en anderen bestaande criminele organisatie meer omvatte en al langer bestond dan de hennepkwekerij op de [adres] te Den Haag en hetgeen op de [adres] te Den Haag heeft plaatsgevonden.

De rechtbank vindt in het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat de tussen verdachte en medeverdachten bestaande criminele organisatie tevens het oogmerk had op het witwassen van uit misdrijf verkregen voorwerpen en/of goederen en zal verdachte daarom van het onder 5 eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde vrijspreken.

De rechtbank acht het onder 5, tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen zoals hierna, onder 4.5, nader weergegeven.

Witwassen

De rechtbank stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting met betrekking tot de op de tenlastelegging genoemde goederen het volgende vast.

 Contant geldbedrag

Op de bankrekening van verdachte is in 2012 in totaal een bedrag van € 14.980,- bijgeschreven door stortingen van contant geld.67 Tussen 1 januari 2013 en 15 oktober 2013 is op die bankrekening in totaal een bedrag van € 5.500,- bijgeschreven door stortingen van contant geld.68 In totaal is derhalve een bedrag van € 20.480,- bijgeschreven door stortingen van contant geld.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat deze stortingen bedragen betreffen uit de verkoop van het huis van verdachte in 2007, de verkoop van auto’s die contant werden betaald en opbrengsten van de bar en de gokkasten die in SAS aanwezig waren.

 Opel Astra, Chrysler, Peugeot, Mercedes

De Opel Astra is op 17 januari 2012 op naam gezet van verdachte. De verdediging heeft ter terechtzitting een factuur getoond waaruit blijkt dat de auto op 17 januari 2012 door verdachte is opgehaald uit Duitsland, maar waaruit tevens kan blijken dat verdachte de auto al in augustus 2011 heeft gekocht. Verdachte heeft ter terechtzitting toegelicht dat hij de auto na aankoop nog enige maanden in Duitsland moest laten staan in verband met een teruggave van de BPM. Nu de rechtbank niet kan uitsluiten dat verdachte deze auto al voorafgaande aan de ten laste gelegde periode heeft verworven, zal zij verdachte vrijspreken van dit onderdeel van het hem ten laste gelegde witwassen.

Verdachte heeft verklaard dat hij de Opel Astra met schade heeft gekocht, de auto heeft gerepareerd en deze vervolgens met veel winst heeft verkocht voor een bedrag van € 30.000,-. Verdachte heeft verklaard dat hij de Chrysler heeft gekocht van de opbrengst van de verkoop van de Opel Astra en vervolgens de Peugeot en de Mercedes ook deels van de opbrengst van de Opel Astra en deels van de opbrengst van de verkoop van de Chrysler. Nu de rechtbank niet uit kan sluiten dat verdachte deze auto’s heeft aangeschaft met de opbrengst van de Opel Astra, zal zij verdachte vrijspreken van deze onderdelen van het hem ten laste gelegde witwassen.

 Bromfiets Piaggio

De bromfiets is op 24 april 2013 op naam gesteld van verdachte.69

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat dit een nieuwe bromfiets betrof en dat hij bij de koop een oude scooter heeft ingeruild en € 500,- heeft bijbetaald.70

 Speedboot Bayliner

De speedboot is op 8 november 2012 op naam gesteld van verdachte.71 De boot is ter reparatie aangeboden bij [bedrijf] in Den Haag.72 De getuige [naam getuige], eigenaar van dit bedrijf, heeft verklaard dat de boot ter reparatie is aangeboden door “[medeverdachte 1]” en dat [medeverdachte 1] ook wel eens vriendjes (blanke Scheveningers) bij zich had, maar dat hij daar de naam niet van weet.73

Op 5 mei 2013 hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afgesproken de boot op 6 mei 2013 op te halen en te water te laten.74 Op 7 mei 2013 hebben verbalisanten waargenomen dat de boot lag aangemeerd voor het terrein van Yacht Motor Services Center in Den Haag. Zij zagen dat er drie mannen op de boot stonden, die bezig waren met de motor. De verbalisanten zagen en herkenden twee van deze drie mannen als [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].75

In het dossier bevindt zich het volgende OVC-gesprek:76

[naam persoon]: Nee ze komen voor [bedrijf] en gewoon zeggen dat je veel zelf doet.

[verdachte]: Ik zal je zeggen, ik zal je heel eerlijk zeggen, dat ding is nu rond, kijk daar liggen die ramen, dat ding is rond de twintig ruggen waard. Wij hadden hem gekocht van een maat van [medeverdachte 1], hij stond op een boerderij, helemaal vervallen. Alle stoelen kapot en er zit een wc’tje in een keukentje in, wij hebben hem gekocht voor 6.000 euro. Hij dacht dat alle kapot was, we hebben hem naar een dingetje laten brengen, hij is onder water geweest. Wat blijkt nou had die de stoppen er niet op gedaan voor een winterbeurt. Wij hebben hem helemaal een beetje laten reviseren, dat kostte 500 euro en we hebben hem een eigen plek hier in de haven. Want over anderhalve maand gaat die weer naar buiten natuurlijk.

[naam persoon]: Gaat die weer naar buiten natuurlijk.

[verdachte]: Maar ik heb liever niet dat ze hem zien.

[naam persoon]: Nee dat moet je niet hebben joh.

[verdachte]: Maar we hebben hem echt maar voor 6.000 gekocht. Die aanhanger daar hebben we nog meer voor betaald. Er zat een aanhanger bij, een vies verlopen ding. Die aanhanger kostte 2.300 hahaha vergeleken met die boot. Echt waar! Hebben we ook nog een beetje geluk mee gehad hoor. Maar ja het is leuk speelgoed.

[naam persoon]: Ja.

[verdachte]: Maar het is altijd leuk een boot, het is leuk als je hem koopt en het is leuk als je hem weer verkoopt.

[naam persoon]: Ja.

[verdachte]: Echt waar je wordt er af en toe helemaal gek van. We hadden eerst een andere stalling. Want hij paste hier niet in. Maar we kunnen die ramen er wel afhalen. Kost ook een rooitje in het jaar. Hadden ze dit weer geverfd, kostte ook weer een rooitje.

De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van verdachte dat de boot in consignatie zou zijn gekocht. Niet alleen is verdachte pas in een laat stadium van het onderzoek met deze verklaring gekomen, hij heeft deze verklaring ook niet onderbouwd met een consignatieovereenkomst. De rechtbank kan vorenstaand OVC-gesprek en het gegeven dat de boot daadwerkelijk op naam van verdachte is gesteld, niet anders begrijpen dan dat de € 6.000,- voor de boot daadwerkelijk is betaald.

De rechtbank leidt uit dit OVC-gesprek verder af dat het mogelijkerwijs de bedoeling was om de boot te zijner tijd weer te verkopen, maar dat deze (ook) is gekocht voor eigen gebruik door de verdachten.

Dit wordt ondersteund door het feit dat uit onderzoek niet is gebleken dat de boot na de reparatiewerkzaamheden te koop is aangeboden77 en door de eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 november 2014 dat de boot nog niet te koop aangeboden was, omdat zij er eerst zelf plezier mee wilden maken.78

De aankoop van de boot is niet zichtbaar in de af- en bijschrijvingen van de onderzochte bankrekeningen van de verdachten.79

 Autoambulance Mercedes

De autoambulance is op 12 januari 2012 op naam van SAS gesteld.80

In het dossier bevindt zich het volgende OVC-gesprek:81

(…)

[verdachte]: (…) de boekhouder zegt (…) maar die oplegger die jullie hebben, die autoambulance, ja die hebben wij niet in de boeken staan ergens. Hij zegt maar dan moet je gewoon zeggen dat dat van jullie spaargeld is. Hij zegt want daar hebben jullie voor gespaard.

(…)

NNman: Heb je toch voor 10 rooien gekocht ofzo?

[verdachte]: Ja ja daarom, valt wel mee 11.000 hebben we die gekocht.

NNman: Ja gaan ze nou alles nakijken…

[verdachte]: Ja dat willen ze zien, zo dalijk zeggen ze hoe heb je die auto betaald? Maar wij hebben het allemaal via de bank gedaan dus alles klopt wel… Alleen sommige dingen alleen de oplegger niet en deze ook contant betaald maar de boekhouder zegt jullie hadden nog 6.000 cash in kas… (…).

De rechtbank stelt op grond van dit OVC-gesprek vast dat de autoambulance was bedoeld voor gebruik binnen SAS, dat deze € 11.000,- heeft gekost en dat dit bedrag niet is betaald met geld uit SAS.

De aankoop van de autoambulance is niet zichtbaar in de af- en bijschrijvingen van de onderzochte bankrekeningen van de verdachten.82

Verdachte heeft ter terechtzitting van 25 november 2014 verklaard dat hij in het verleden eigen goederen, waaronder een werkbus, heeft verkocht voor een bedrag van € 6.000,- tot € 7.000,- en dat hij vervolgens nog € 4.000,- eigen spaargeld heeft bijgelegd om de autoambulance te kopen. Gelet op het tijdstip waarop verdachte deze verklaring heeft afgelegd en het gebrek aan nadere onderbouwing daarvan, gaat de rechtbank voorbij aan deze verklaring.

Ter beoordeling van het ten laste gelegde witwassen zal de rechtbank allereerst bezien over welke financiële middelen verdachte in de ten laste gelegde periode legaal kon beschikken. Op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat de rechtbank daarbij van het volgende uit.

Uit gevorderde informatie van de Belastingdienst blijkt dat verdachte als firmant stond ingeschreven van de v.o.f. [bedrijf], welke v.o.f. op 21 december 2011 is opgeheven. Uit de gegevens blijkt geen winst uit eigen onderneming. Over de jaren 2010, 2011 en 2012 zijn geen loongegevens van verdachte bekend bij de Belastingdienst. In 2010 betrof de belastbare winst uit onderneming van SAS een negatief bedrag van € 3.187,- en in 2011 een negatief bedrag van € 7.436,-.83

Zoals hiervoor reeds vastgesteld, is op de bankrekening van verdachte tussen 1 januari 2012 en 15 oktober 2013 een totaalbedrag van € 20.480,- bijgeschreven door stortingen van contant geld. Verder blijkt uit een opgesteld overzicht van de bankrekening dat tussen 1 januari 2012 en 31 december 2012 in totaal een bedrag van € 11.200,- aan salaris is bijgeschreven door SAS.84 Tussen 1 januari 2013 en 15 oktober 2013 is in totaal een bedrag van € 12.000,- aan salaris bijgeschreven door SAS.85 Het totaal bedrag aan uitgaven van verdachte tussen 1 januari 2012 en 15 oktober 2013 betrof € 61.105,10 en het totaalbedrag aan inkomsten € 52.998,29. Verdachte heeft over deze periode derhalve meer uitgaven gedaan dan hij legaal aan inkomen had.86

De rechtbank concludeert op grond van het bovenstaande dat bij verdachte in de ten laste gelegde periode sprake is geweest van uitgaven die niet uit de bekende bedragen, waarover hij in die periode kon beschikken, kunnen worden verklaard. Verdachte heeft grote bedragen contant betaald, die hij niet eerst van zijn eigen rekening had opgenomen. Een plausibele verklaring over de legale herkomst van de gelden, waarmee de contante betalingen zijn gedaan, ontbreekt. Ditzelfde heeft te gelden voor de stortingen van de grote bedragen contant geld op de bankrekening van verdachte. De rechtbank heeft bovendien vastgesteld dat verdachte zich in de ten laste gelegde periode heeft schuldig gemaakt aan feiten die betrekking hebben op hennep. Algemeen is bekend dat de handel in hennep lucratief is en de betaling van de daarmee gemoeide bedragen niet per bank geschiedt, maar contant.

De rechtbank kan niet uitsluiten dat verdachte gedurende de ten laste gelegde periode behalve de contante inkomsten uit hennephandel nog de – door de verdediging gestelde en onderbouwde – andere contante inkomsten heeft genoten. Doordat verdachte die inkomsten in de ten laste gelegde periode echter niet heeft opgegeven aan de Belastingdienst is de rechtbank als dan van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 69 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen. Door het niet opgeven van zijn inkomsten heeft verdachte voorkomen dat hij een deel van zijn verzwegen geld als gevolg van verschuldigde inkomstenbelasting heeft moeten afdragen. Het geld dat had moeten worden afgedragen, is dan ook te beschouwen als ‘van misdrijf afkomstig’, als bedoeld in artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Hoge Raad 7 oktober 2008, LJN: BD2774). Gevolg van een en ander is naar het oordeel van de rechtbank, dat het gehele privévermogen van verdachte als afkomstig van misdrijf moet worden beschouwd. Weliswaar heeft verdachte legale inkomsten gehad, maar deze zijn, door vermenging met de delen van dat inkomen waarover verdachte slechts kon beschikken door geen aangifte inkomstenbelasting te doen en met de gebleken contante inkomsten afkomstig uit misdrijf, eveneens als besmet te beschouwen (HR 23 november 2010, LJN: BN0578).

Omdat meer dan aannemelijk is dat verdachte de voormelde goederen (al dan niet tezamen met de medeverdachten) heeft aangeschaft met geld dat van misdrijf afkomstig is en dat de contante bedragen die verdachte op zijn bankrekening heeft gestort eveneens van misdrijf afkomstig zijn geweest, acht de rechtbank het aan verdachte onder 4 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen zoals hierna, onder 4.5, nader weergegeven.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

1. tweede en derde cumulatief/alternatief

in de periode van 23 december 2012 tot en met 2 januari 2014 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan [adres][adres]) telkens een hoeveelheid van hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II

en

in de periode van 2 november 2013 tot en met 5 maart 2014 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verwerkt (in een pand aan [adres][adres]) telkens een hoeveelheid van hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

op 3 januari 2014 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van in totaal 772 hennepplanten en 793 hennepstekken, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

3.

op 6 maart 2014 te ’s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen (in een pand aan [adres] een Volkswagen Caddy, kenteken [kenteken]) opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 41,55 kilogram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

4.

in de periode van 1 januari 2012 tot en met 8 april 2014, te ’s-Gravenhage, tezamen en in verenging met anderen, althans alleen, al dan niet een gewoonte heeft gemaakt van witwassen van meerdere voorwerpen, te weten een contant geldbedrag van in totaal 20.480,00 euro en een bromfiets Piaggio (kenteken [kenteken]) en een speedboot (merk Bayliner 222 Classic) en een autoambulance Mercedes Benz 515 (kenteken [kenteken]), doordat hij voornoemd(e) geldbedrag en goederen heeft verworven en voorhanden heeft gehad en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;

5 tweede cumulatief/alternatief

in de periode van 20 oktober 2011 tot en met 08 april 2014 te 's-Gravenhage, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet, namelijk het opzettelijk telen en bereiden en bewerken en verwerken en verkopen en afleveren en verstrekken en vervoeren en aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

5 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht bij de bepaling van de strafmaat rekening te houden met het maatschappelijk debat ten aanzien van de legalisering van softdrugs. Het is niet ondenkbaar dat softdrugs in de nabije toekomst in Nederland gelegaliseerd zullen worden, wat zou betekenen dat hennepteelt en hennephandel niet meer, of in ieder geval minder, strafbaar zouden zijn.

Verder heeft de raadsman de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte vader is van twee jonge kinderen en dat hij kostwinnaar is binnen het gezin.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het telen van hennep gedurende een lange periode in een hennepkwekerij van aanzienlijke omvang, die vier ruimtes, met een totaal van 772 planten, besloeg. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het verwerken van hennep door deze op een andere locatie in te (laten) pakken, het medeplegen van het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep en witwassen. Verdachte heeft in deze periode bovendien deel uitgemaakt van een criminele organisatie die zich gedurende een lange periode bezig heeft gehouden met hennepteelt en de handel in hennep. Binnen deze criminele organisatie vervulde verdachte een sleutelrol.

De uit hennepplanten verkregen stof is bij regelmatig gebruik schadelijk voor de (vaak jeugdige) gebruikers. Bovendien veroorzaken hennepkwekerijen overlast en gevaar voor de omgeving. Verdachte heeft zich aan dit alles echter niets gelegen laten liggen en heeft kennelijk alleen uit financieel gewin gehandeld. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat hennepteelt ook maatschappelijk nog altijd onaanvaardbaar is, omdat deze direct en indirect de oorzaak is van vele vormen van criminaliteit. Dit is temeer het geval indien de hennepteelt – zoals bij de verdachten, anders dan bij de strafzaken waarnaar de raadsman heeft verwezen, het geval was – buiten de reguliere en legale economie om wordt uitgeoefend.

De rechtbank heeft acht geslagen op het verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 9 december 2014, waaruit blijkt dat verdachte al eerder is veroordeeld, waaronder ook wegens hennepteelt.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op het omtrent de persoon van verdachte uitgebrachte reclasseringsrapport d.d. 30 mei 2014. De reclassering heeft – kort gezegd – gerapporteerd dat verdachte voldoende capaciteiten heeft om in de maatschappij te kunnen functioneren. De reclassering ziet geen reden om een hulpverleningstraject op te starten, temeer omdat verdachte heeft aangegeven geen problemen te hebben.

Nu de rechtbank minder feiten bewezen acht dan zoals door de officier van justitie gevorderd, zal zij een lagere gevangenisstraf opleggen dan door de officier van justitie geëist. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten geen aanleiding om aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel op te leggen. Gelet op de min of meer gelijkwaardige rol ziet de rechtbank evenmin aanleiding om aan de drie hoofdverdachten straffen van afwijkende duur op te leggen.

Gelet op al het vorenstaande acht de rechtbank een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden een passende en geboden straf. Bij het bepalen van de hoogte van deze gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de netto duur van de gevangenisstraf in vergelijking tot de eis van de officier van justitie. Gelet op het feit dat de officier van justitie een voorwaardelijk strafdeel heeft geëist, zodat verdachte niet in aanmerking zou kunnen komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling, zou de netto strafduur bij de eis van de officier van justitie op 36 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf neerkomen. Bij de thans door de rechtbank bepaalde geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf komt de netto strafduur in beginsel neer op 28 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

47, 57, 140 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en

3, 11, 11a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst II.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank,

verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 5 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde nietig voor zover dit ziet op de woorden “het verkopen, afleveren, vervaardigen, verstrekken, vervoeren, telen, bereiden, bewerken, verwerken en aanwezig hebben van hennep(plant(en) en/of”;

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, eerste cumulatief/alternatief en onder 5, eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, tweede en derde cumulatief, 2, 3, 4 en 5, tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

feit 1, tweede en derde cumulatief/alternatief:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

feiten 2 en 3:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

feit 4:

(medeplegen van) van het plegen van witwassen een gewoonte maken

feit 5 tweede cumulatief/alternatief:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11 derde en vijfde lid van de Opiumwet

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 42 (TWEEENVEERTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. V.J. de Haan, voorzitter,

mrs. M.C. Bruining en J.J. Peters, rechters

in tegenwoordigheid van mr. R. van der Graaff, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 15B2212070, van de politie Eenheid Den Haag, met bijlagen.

2 Proces-verbaal van verhoor aangever [verdachte], d.d. 20 oktober 2011, ZD Witwassen [verdachte], p. 371-373 en proces-verbaal van verhoor aangever [medeverdachte 2], d.d. 20 oktober 2011, ZD Witwassen [verdachte], p. 376-379.

3 Een geschrift, te weten een uittreksel uit de Kamer van Koophandel, ZD Handel, p. 404-406.

4 Proces-verbaal van bevindingen, Algemeen Dossier, p. 101-102.

5 Uitgewerkte telefoontap, p. 66, ZD Criminele organisatie.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], ZD [adres] p. 804.

7 Uitgewerkte telefoontaps, p. 44 t/m 58, ZD Criminele organisatie.

8 OVC-gesprek 2109, ZD Handel, Bijlage proces-verbaal, p.26.

9 OVC-gesprek 2646, ZD Handel, Bijlage proces-verbaal, p.23.

10 OVC-gesprek 3849, ZD Handel, Bijlage proces-verbaal, p.19/20.

11 OVC-gesprek 4794, ZD Handel, Bijlage proces-verbaal, p.24.

12 OVC-gesprek 7631, ZD Handel, Bijlage proces-verbaal, p.24.

13 OVC-gesprek 5515 ZD Handel, Bijlage proces-verbaal, p.21.

14 OVC-gesprek 4521, ZD Handel, Bijlage proces-verbaal, p. 430-432.

15 OVC-gesprek 5066, ZD Handel, Bijlage proces-verbaal, p. 158-159.

16 OVC-gesprek 4936, ZD Handel, Bijlage proces-verbaal, p. 483.

17 OVC-gesprek 4522, ZD Handel, Bijlage proces-verbaal, p. 433-434.

18 OVC-gesprek 5594, ZD Handel, Bijlage proces-verbaal, p. 511-512.

19 OVC-gesprek 11522, ZD Criminele organisatie, p. 147-148.

20 OVC gesprekken 13859, 13861 en 13866, ZD Witwassen [verdachte], p. 657-665.

21 Proces-verbaal van bevindingen, Bijlage proces-verbaal ZD Handel, p. 124 - 139.

22 Proces-verbaal van bevindingen, Bijlage proces-verbaal ZD Handel, p. 139 -141.

23 Proces-verbaal van bevindingen, Bijlage proces-verbaal ZD Handel, p. 147 - 150.

24 Proces-verbaal van bevindingen, Bijlage proces-verbaal ZD Handel, p. 150 -151.

25 Proces-verbaal van bevindingen, Algemeen Dossier, p. 89 en een geschrift, te weten een uittreksel uit de Kamer van Koophandel, ZD Handel, p. 404-406.

26 Proces-verbaal van bevindingen, Algemeen Dossier, p. 89.

27 Processen-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 28-29 en 35-36.

28 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 41-42.

29 Proces-verbaal van bevindingen, Algemeen Dossier, p. 95.

30 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 46-48.

31 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 58-61.

32 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 62-69.

33 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 37-40.

34 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 195-202.

35 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 400-409.

36 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 412-415.

37 Proces-verbaal van bevindingen van onderzoek stemherkenning d.d. 20 november 2012, nagekomen stuk zonder paginanummering.

38 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 412-415 en 427.

39 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 195-202.

40 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 349-357.

41 Proces-verbaal van observatie, ZD [adres], p. 365-370 en proces-verbaal van bevindingen, AD, p. 182.

42 Proces-verbaal van verhoor verdachte, ZD [adres], p. 788.

43 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 75-96.

44 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 397-399.

45 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 30.

46 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 31 en OVC-gesprek 2363, ZD [adres], p 34.

47 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 31.

48 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 32.

49 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 30-33.

50 Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1], p. 36-43 van het dossier dat als bijlage is gevoegd achter p. 195 van ZD [adres].

51 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p.95-96.

52 OVC-gesprek 3743, ZD [adres], p. 41-44.

53 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 38-39.

54 Processen-verbaal van bevindingen: Camerabeelden [adres] te Den Haag, ZD [adres], p. 98 t/m 151 en p. 152 t/m 182.

55 Blijkens de toelichting op p. 99 van ZD [adres] bij het desbetreffende proces-verbaal dient de tijdsaanduiding aldus te worden gelezen, dat bij de aangeduide starttijd dient te worden opgeteld het bij de desbetreffende waarneming aangeduide aantal minuten. De waarneming aangeduid als 21.11 heeft derhalve plaatsgevonden om 19:03.11 uur (starttijd 18:42 uur + 21.11 minuten).

56 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 152-154.

57 Proces-verbaal van bevindingen, p. 149-150 van het dossier dat als bijlage is gevoegd achter ZD [adres], p. 195.

58 Proces-verbaal van bevindingen, p. 151 van het dossier dat als bijlage is gevoegd achter ZD [adres], p. 195.

59 Proces-verbaal van bevindingen, p. 152-153 van het dossier dat als bijlage is gevoegd achter ZD [adres], p. 195.

60 Proces-verbaal narcotica, ZD [adres], p. 240-242.

61 Proces-verbaal van bevindingen, p. 120-122 van het dossier dat als bijlage is gevoegd achter ZD [adres], p. 195 en proces-verbaal narcotica, ZD [adres], p. 241.

62 Proces-verbaal narcotica, ZD [adres], p. 240-242.

63 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [adres], p. 196-200.

64 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 5], p. 70-71 van het dossier dat als bijlage is gevoegd achter ZD [adres], p. 195.

65 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam persoon], p. 96-97 van het dossier dat als bijlage is gevoegd achter p. 195 van ZD [adres].

66 OVC-gesprek 4936, ZD Handel, Bijlage proces-verbaal, p. 483 en OVC- gesprek 5066, ZD Handel, Bijlage proces-verbaal, p. 158-159.

67 Proces-verbaal van bevindingen, ZD Witwassen [verdachte], p. 456-457.

68 Proces-verbaal van bevindingen, ZD Witwassen [verdachte], p. 477-478.

69 Proces-verbaal van bevindingen, ZD Witwassen [verdachte], p. 133.

70 Eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 november 2014.

71 Een geschrift, te weten een ‘list bevraging snelle motorboot gegevens’, ZD Witwassen [verdachte], p. 173.

72 Proces-verbaal van bevindingen, ZD Witwassen [verdachte], p. 166-168 en Proces-verbaal van bevindingen, ZD Witwassen [verdachte], p. 169.

73 Proces-verbaal van verhoor getuige [naam getuige], ZD Witwassen [verdachte], p. 937-939.

74 Tapgesprek 5592. ZD Witwassen [verdachte], p. 177.

75 Proces-verbaal van bevindingen, ZD Witwassen [verdachte], p. 175-176.

76 OVC-gesprek 13856, ZD Witwassen [verdachte], p. 189-193.

77 Proces-verbaal van bevindingen, ZD Witwassen [verdachte], p. 929.

78 Eigen verklaring van verdachte ter terechtzitting van 25 november 2014.

79 Proces-verbaal van bevindingen, ZD [verdachte], p. 14.

80 Een geschrift, te weten een uitdraai ‘dienstgeheim’ van de politie, ZD Witwassen [verdachte], p. 214-215.

81 OVC-gesprek 13859, ZD Witwassen [verdachte], p. 210-213.

82 Proces-verbaal van bevindingen, ZD Witwassen [verdachte], p. 14.

83 ZD Witwassen [verdachte], p. 402-403.

84 ZD Witwassen [verdachte], p. 456-457.

85 ZD Witwassen [verdachte], p. 477-478.

86 Proces-verbaal van bevindingen, ZD Witwassen [verdachte], p. 13.