Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15829

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-12-2014
Datum publicatie
22-12-2014
Zaaknummer
AWB 14/4729 + AWB 14/4728 + AWB 14/4735
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van WBV 2013/1, omdat zij zich vanaf de peildatum van 27 juli 2010 langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden hebben onttrokken aan het toezicht van de IND, de DT&V, het COa of de vreemdelingenpolitie. Verweerder mag het begrip “het onttrekken aan toezicht” aan- of invullen met het begrip “het uit beeld zijn” en mag dit als synoniem gebruiken. De rechtbank acht de door verweerder gegeven uitleg van de onder c genoemde voorwaarde in WBV 2031/1 regeling niet onjuist of onredelijk. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eisers zich langer dan drie maanden hebben onttrokken aan het toezicht van de IND, DT&V, het COA of de vreemdelingenpolitie, omdat zij sinds 27 juli 2010 langer dan drie maanden uit beeld zijn geweest. Het feit dat verweerder de toepasselijkheid van WBV 2013/1 heeft beperkt tot vreemdelingen die niet langer dan een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden uit beeld zijn geweest bij de IND, DT&V, het COA of de vreemdelingenpolitie, acht de rechtbank niet in strijd met artikel 14 EVRM en artikel 2, eerste lid, van het IVRK.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 14/4729 + AWB 14/4728 + AWB14/4735

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 december 2014 in de zaken tussen

[eiser], eiser

[eiseres], eiseres

[eiser 2], eiser 2

gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. M.S. Yap),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: L. Verheijen).

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 8 augustus 2013 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), onder de beperking verband houdende met het doel ‘niet-tijdelijke humanitaire omstandigheden op grond van de Overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’ (Overgangsregeling) afgewezen. Tevens heeft verweerder beslist dat eiseres 2 Nederland onmiddellijk dient te verlaten en heeft verweerder een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd.

Bij besluiten van 20 februari 2014 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2014, alwaar eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers zijn geboren op respectievelijk [geboortedag] 2007, 23 mei 1975 en

[geboortedag] 2010. Op 22 april 2013 hebben zij aanvragen ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking verband houdende met het doel ‘niet-tijdelijke humanitaire omstandigheden op grond van de Definitieve regeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen’ (Definitieve regeling).

2. Bij de primaire besluiten heeft verweerder voornoemde aanvragen afgewezen, omdat eisers niet voldoen aan de voorwaarden van de Overgangsregeling. Tegen deze besluiten hebben eisers bezwaar gemaakt.

3. Op 4 november 2014 zijn eisers in de gelegenheid gesteld te worden gehoord door verweerder.

4. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Verweerder heeft erkend dat in de primaire besluiten ten onrechte niet conform de aanvragen is getoetst aan de Definitieve regeling, maar dit leidt volgens verweerder niet tot gegronde bezwaren, omdat de voorwaarden in de Overgangsregeling gunstiger zijn voor eisers dan de voorwaarden in de Definitieve regeling en niet bestreden is dat de Overgangsregeling (ook) van toepassing is op eisers. Volgens verweerder voldoen eisers niet aan de voorwaarden van de Overgangsregeling. Daartoe heeft verweerder gesteld dat eisers zich vanaf de peildatum van 27 juli 2010 langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden hebben onttrokken aan het toezicht van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V), en het Centraal Orgaan Opvang asielzoekers (COA) of de Vreemdelingenpolitie. Verweerder heeft geen aanleiding gezien gebruik te maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het maken van onderscheid tussen vreemdelingen die zich hebben onttrokken aan toezicht en vreemdelingen die dit niet hebben gedaan acht verweerder niet in strijd met artikel 2 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), noch met artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De weigering eisers in het bezit te stellen van de gevraagde verblijfsvergunning is niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.

5. Eisers kunnen zich met de bestreden besluiten niet verenigen en hebben betoogd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers sinds 27 juli 2010 langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden uit beeld zijn geweest. Verweerder heeft de Overgangsregeling, zoals die is neergelegd in het Wijzigingsbesluit 2013/1 (WBV 2013/1) onjuist toegepast. Uit deze regeling volgt niet dat eisers in beeld dienen te zijn door zich in de opvang te bevinden, door een procedure bij de IND te hebben of door zich te houden aan een meldplicht. Hierin is enkel vermeld dat de vreemdeling bekend dient te zijn bij één van de vijf genoemde instanties, waarbij de wijze van bekend zijn alleen bij de vreemdelingenpolitie is toegevoegd, te weten in het kader van de opgelegde meldplicht. De motivering van verweerder dat eisers sinds 27 juli 2010 langer dan een periode van drie maanden uit beeld zijn geweest is onjuist. Gelet op het bestreden besluit gaan eisers ervan uit dat hen niet langer wordt tegengeworpen dat zij zich hebben onttrokken aan het toezicht. Derhalve kan hen ook niet langer worden tegengeworpen dat zij uit beeld zijn. In WBV 2013/1 worden twee verschillende begrippen gebruikt, te weten ‘het onttrekken aan toezicht’ en ‘uit beeld zijn’. Het eerste begrip impliceert actief handelen van de vreemdeling en het tweede begrip ziet op een situatie die optreedt zonder handelen van de vreemdeling. Eisers hebben zich niet actief onttrokken aan het toezicht van verweerder. De uitschrijving bij het COA betekent niet dat eisers zich actief hebben onttrokken aan het toezicht van verweerder. Ook is niet bekend of de DT&V het dossier van eisers heeft gesloten. Voor zover de rechtbank verweerder volgt dat eisers te lang uit beeld zijn geweest van één van de vijf genoemde instanties, zijn eisers van mening dat hen (in redelijkheid) niet kan worden tegengeworpen dat zij sinds 27 juli 2010 langer dan een periode van drie maanden uit beeld waren. Het was zinloos om eerder de onderhavige aanvragen in te dienen. DT&V maakte na het laatste vertrekgesprek van 3 mei 2010 pas op de plaats nu hij aan eisers de opdracht gaf de opvang te verlaten. Eisers hebben daartoe het dossier van DT&V overgelegd. Het vragen van een meldplicht was onmogelijk en het COA had eisers de opvang reeds geweigerd. Onder [de voogdijinstelling] vielen eisers niet. Eisers waren derhalve niet in de gelegenheid zich onder het door verweerder gewenste vreemdelingentoezicht te stellen. Ook liep tot 15 november 2012 nog een procedure bij het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM). Eisers hebben niet de keuze gemaakt in de illegaliteit te verblijven, maar hun verzoek om opvang van 21 april 2011 is door het COA afgewezen. Via de school van eiser 1 waren zij in beeld bij de rijksoverheid. Voor gezinnen die reeds voor 27 juli 2010 geen recht meer hadden op opvang is het toezichtscriterium niet redelijk, omdat deze gezinnen ten tijde van de uitspraak van de Hoge Raad van 21 september 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW5328) en het daaropvolgende beleid van verweerder waarschijnlijk al opvang hadden en zich om die reden niet hebben gemeld voor gezinsopvang in verband met een humanitaire noodsituatie. Geen toegang hebben tot de opvang kan het vergaande gevolg hebben dat van de vreemdeling wordt verlangd dat hij meewerkt aan zijn terugkeer. Er is sprake van een verboden onderscheid als bedoeld in artikel 2 van het IVRK. Discriminatie die gebaseerd is op de status en de activiteiten van de ouders van een vreemdeling is verboden. Gelet op het bepaalde in artikel 14 van het EVRM is onderscheid tussen groepen die wel toegang hebben tot opvang en groepen die geen toegang hebben tot opvang verboden. Ook hebben eisers zich beroepen op artikel 1 van het twaalfde protocol bij het EVRM. Eisers hebben verder gesteld dat verweerder gebruik had dienen te maken van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb en hebben zich beroepen op artikel 8 van het EVRM. Uit de toelichting in WBV 2013/1 blijkt dat één van de doelen van het kinderpardon is het voorkomen dat kinderen de dupe worden van ‘fout’ gedrag van de ouders. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de kinderen. Met verwijzing naar de verklaring van de Kinderombudsman van 8 april 2014 hebben eisers gesteld dat worteling in de Nederlandse samenleving wel degelijk van belang is. Ook hebben zij verwezen naar een rapport van dr. [naam] en drs. [naam], een verklaring van de burgemeester van Zeewolde van 12 mei 2014, een rapport van de Kinderombudsman van 26 mei 2014 en twee verklaringen van Defence for Children. Verweerder heeft ten onrechte niet beoordeeld of sprake is van schrijnendheid. Ter staving van hun stellingen hebben eisers verwezen naar diverse uitspraken van deze rechtbank en diverse uitspraken van het EHRM. Nu verweerder de aanvragen van eisers ten onrechte heeft afgewezen kan ook de vertrektermijn en het opgelegde inreisverbod aan eiseres 2 geen stand houden.

6. Bij de beoordeling van het beroep zijn de volgende bepalingen van belang.

7. De Overgangsregeling is neergelegd in onderdeel 3 van WBV 2013/1. In onderdeel 3.1 Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning is, voor zover thans van belang, het volgende bepaald.

Hoofdpersoon

De IND verleent een vergunning aan de vreemdeling die in het kader van de regeling als hoofdpersoon kan worden beschouwd:

a. die jonger is dan 21 jaar op de startdatum van de peilperiode;

b. die zelf, dan wel ten behoeve van wie, op de startdatum van de peilperiode tenminste vijf jaar voor het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een aanvraag als bedoeld in artikel 28 Vw (asielaanvraag) heeft, dan wel is, ingediend bij de IND en na die aanvraag tenminste vijf jaar in Nederland heeft verbleven;

c. die zich gedurende de periode van verblijf in Nederland niet langer dan een aaneengesloten periode van drie maanden heeft onttrokken aan het toezicht van IND, DT&V, COA of de Vreemdelingenpolitie (in het kader van de meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen, van voogdijinstelling

[naam]; én

d. die, voor zover van toepassing, vooraf schriftelijk heeft aangegeven dat hij zijn lopende procedures onvoorwaardelijk intrekt bij verblijfsverlening op grond van de regeling.

Gezinsleden

De IND verleent ook een vergunning aan gezinsleden die deel uitmaken van het gezin van de vreemdeling aan wie een vergunning wordt verleend, tenzij de feitelijke gezinsband inmiddels is verbroken. De gezinsleden en de gezinsband wordt beoordeeld naar de stand van zaken op 29 oktober 2012 (startdatum peilperiode). De IND beoordeelt of de gezinsband is verbroken aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk B2.

Onder gezinsleden verstaat de IND:

- ouders;

- minderjarige broer(s)of zus(sen); of

- meerderjarige broer(s)of zus(sen) die nog onderdeel vormen van het gezin.

Ad c.

De IND neemt aan dat sprake is van niet langdurig onttrokken aan het toezicht indien de vreemdeling en zijn eventuele gezinsleden:

- sinds 27 juli 2010 bekend is bij de IND, DT&V, COA, Vreemdelingenpolitie (in het kader van de opgelegde meldplicht), of in het geval van alleenstaande minderjarige vreemdelingen voogdijinstelling [naam]; en

- niet langer dan een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden uit beeld is geweest.

8. Verweerder heeft aan zijn standpunt dat eisers zich langer dan drie maanden hebben onttrokken aan het toezicht ten grondslag gelegd dat eisers in de perioden van 27 juli 2010 tot 1 december 2011 en van 6 april 2012 tot 1 februari 2013 niet in beeld zijn geweest bij de in de in de Overgangsregeling genoemde instanties. Bij brief van 1 december 2011 hebben eisers een brief naar de Koningin gestuurd. Deze brief is op 6 april 2012 door de IND beantwoord. Dit maakt dat zij in die periode in beeld zijn geweest bij de IND omdat deze instantie verantwoordelijk is voor de beantwoording van deze brief. Op 1 februari 2013 hebben eisers zich telefonisch bij de IND gemeld in verband met het indienen van de onderhavige aanvragen. Uit navraag is verweerder verder gebleken dat eisers na 27 juli 2010 niet meer in beeld zijn geweest bij het COA, DT&V en de vreemdelingenpolitie. Laatstgenoemde instantie heeft te kennen gegeven dat eisers op

11 juni 2010 met onbekende bestemming zijn vertrokken.

9. De rechtbank stelt voorop dat het beleid in WBV 2013/1 begunstigend beleid is dat slechts op een beperkte categorie vreemdelingen van toepassing is verklaard. Verweerder komt bij het vaststellen van dergelijk begunstigend beleid een grote mate van discretie toekomt ten aanzien van de bepaling welke (groepen van) personen daaronder vallen en welke toelatingseisen op hen van toepassing zijn. Dit maakt dat niet licht geoordeeld kan worden dat het onderscheid dat daarmee ontstaat tussen vreemdelingen die wel en vreemdelingen die niet onder het beleid vallen, onrechtmatig moet worden geacht.

10. Verweerder heeft in het bestreden besluit verwezen naar het antwoord op Kamervragen van 22 februari 2013, kenmerk 2013-0000098660 en gesteld dat de achterliggende gedachte van het criterium “onttrekken aan toezicht” is dat vreemdelingen die de keuze hebben gemaakt om illegaal in Nederland te verblijven niet onder de regeling vallen. Zolang de vreemdeling zich houdt aan zijn of haar verblijfsrechtelijke verplichtingen, is hij of zij altijd in beeld (geweest) bij voornoemde instanties, hetzij door het voeren van een verblijfsrechtelijke procedure, hetzij middels een terugkeertraject bij DT&V, hetzij door verblijf in een opvangvoorziening in het COA, hetzij middels de meldplicht bij de vreemdelingenpolitie, of dat [naam] de voogdij heeft.

Met verwijzing naar zijn brief van 2 april 2013 (TK 2012-2013, 19637, nr. 1644) heeft verweerder voorts gesteld dat ook de vreemdeling die buiten de opvang verblijft in beeld kan zijn bij de rijksoverheid. Een vreemdeling die in de gemeente verblijft kan zich immers nog steeds wenden tot de IND en DT&V.

11. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat in WBV 2013/1 niet expliciet is vermeld op welke wijze de vreemdeling in beeld dient te zijn bij de IND, DT&V, COA of de Vreemdelingenpolitie niet maakt dat de door verweerder gegeven uitleg, zoals onder 10 weergegeven, onjuist of onredelijk is. Van belang daarbij is dat de achterliggende gedachte van het criterium ‘onttrekken aan toezicht’ is dat vreemdelingen die de keuze hebben gemaakt om illegaal in Nederland te verblijven niet onder de regeling vallen. Gelet hierop kan verweerder in zijn standpunt worden gevolgd dat het enkele feit dat (één van) voornoemde instanties op de hoogte is van de verblijfplaats van een vreemdeling dan wel op de hoogte kan geraken (via bijvoorbeeld de gemachtigde van de vreemdeling) daarvan onvoldoende is om aan dit criterium te voldoen. Hiermee heeft de vreemdeling immers niet voldaan aan zijn verblijfsrechtelijke verplichtingen. De stelling van eisers dat sprake is van twee begrippen in de Overgangsregeling, te weten ‘het onttrekken aan toezicht’ en ‘uit beeld zijn’, maakt niet dat de uitleg van verweerder onjuist of onredelijk is. Niet valt in te zien dat verweerder het begrip ‘onttrekken aan toezicht’ niet nader mag aanvullen/invullen met het begrip ‘uit beeld zijn’ en dit als synoniem mag gebruiken. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de door verweerder gegeven uitleg van de onder c genoemde voorwaarde van de Overgangsregeling niet onjuist of onredelijk.

12. De rechtbank stelt voorts vast dat eisers niet (gemotiveerd) hebben betwist dat zij in de perioden van 27 juli 2010 tot 1 december 2011 en van 6 april 2012 tot 1 februari 2013 niet in beeld zijn geweest bij de in de Overgangsregeling genoemde instanties. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eisers zich langer dan drie maanden hebben onttrokken aan het toezicht van IND, DT&V, COA of de Vreemdelingenpolitie, omdat zij sinds 27 juli 2010 langer dan drie maanden uit beeld zijn geweest. De ingediende klacht bij het EHRM leidt niet tot een ander oordeel, omdat zij daarmee niet in beeld waren bij één van de in de Overgangsregeling genoemde instanties. Dit geldt ook voor de brief die zij op 21 april 2011 naar het COA hebben gestuurd. Daarmee hadden zij immers geen recht op verblijf in de opvang. De rechtbank ziet ook geen grond voor het oordeel dat verweerder laatstbedoelde voorwaarde niet aan eisers heeft mogen tegenwerpen omdat zij de opvang voor 27 juli 2011 hebben verlaten, nu zij ook zonder het verblijven in de opvang in beeld hadden kunnen zijn bij een van de in de Overgangsregeling genoemde instanties. Er wordt in de Overgangsregeling immers geen absoluut onderscheid gemaakt tussen vreemdelingen die wel toegang hebben tot de opvang en vreemdelingen die deze toegang niet hebben. Uit hetgeen eisers naar voren hebben gebracht is de rechtbank voorts niet gebleken dat eisers zich niet hebben kunnen wenden tot DT&V, de IND of de vreemdelingenpolitie. De contra-indicatie inzake het niet meewerken aan terugkeer uit de Definitieve regeling heeft verweerder niet (impliciet) aan eisers tegengeworpen, nu in dat kader ook van de vreemdeling wordt verlangd dat contact wordt gezocht met de vertegenwoordiging van het land van herkomst of een ander land waartoe toegang kan worden verkregen en de Internationale Organisatie voor Migratie.

13. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het onderscheid dat verweerder maakt tussen vreemdelingen die zich (actief) hebben ingezet om in beeld te blijven bij de IND, COA of de Vreemdelingenpolitie en vreemdelingen die dit niet hebben gedaan, niet in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM, omdat voor dit onderscheid een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. De rechtbank verwijst hiervoor naar het arrest van het EHRM van 27 september 2011 inzake [vreemdeling] tegen het Verenigd Koninkrijk (JV 2011/331), waaruit blijkt dat deze rechtvaardiging bestaat indien het onderscheid een legitiem doel dient en het onderscheid proportioneel is aan het gediende doel. De rechtbank stelt voorop dat de al dan niet actieve houding van een vreemdeling om in beeld te blijven bij de IND, COA of de Vreemdelingenpolitie niet een onvervreemdbare eigenschap betreft, zoals bijvoorbeeld geslacht en etniciteit wel zodanige eigenschappen zijn. Aan het al dan niet een actieve houding innemen ligt immers een keuze ten grondslag. Dat die keuze veelal door de ouder(s) van de minderjarige vreemdeling wordt gemaakt, maakt niet dat daarom sprake is van een onvervreemdbare eigenschap. Verweerder heeft dan ook een ruime ”margin of appreciation” daar waar het gaat om het vaststellen van een rechtvaardiging voor de ongelijke behandeling van de groepen kinderen die een geslaagd beroep kunnen doen op de overgangsregeling. De rechtbank is, mede gelet op deze ruime “margin of appreciation”, van oordeel dat er onvoldoende aanleiding bestaat om te concluderen dat verweerder niet in redelijkheid de toepasselijkheid van WBV 2013/1 heeft kunnen beperken tot vreemdelingen die niet langer dan een aaneengesloten periode van maximaal drie maanden in beeld zijn geweest bij de IND, COA of de Vreemdelingenpolitie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig is voor het gemaakte onderscheid, namelijk voorkomen dat vreemdelingen die voor een leven in de illegaliteit hebben gekozen, en niet hebben geprobeerd hun verblijf te legaliseren dan wel aan hun terugkeer te werken, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Overgangsregeling.

14. Met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:AZ9524) overweegt de rechtbank dat het beroep van eisers op artikel 2, eerste lid, van het IVRK faalt omdat het in deze bepaling neergelegde discriminatieverbod er niet aan in de weg staat dat binnen één juridische categorie - de groep langdurig in Nederland verblijvende kinderen - op zakelijke en redelijke gronden onderscheid wordt gemaakt tussen kinderen van ouders die zich niet hebben onttrokken aan het toezicht en kinderen van ouders die dit wel hebben gedaan.

15. Met betrekking tot het beroep op artikel 8 van het EVRM, overweegt de rechtbank dat er volgens vaste jurisprudentie van het EHRM, ongeacht of er een positieve of negatieve verplichting is, een “fair balance” dient te worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands belang anderzijds. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat eisers in Nederland zijn geworteld, zoals ook blijkt uit de verklaring van de burgemeester van Zeewolde, onderwijs hebben genoten in Nederland en sociale banden zijn aangegaan niet maakt dat sprake is van uitzonderlijke omstandigheden. Voorts heeft verweerder bij zijn afweging kunnen betrekken dat er geen onoverkomelijke obstakels of bijzondere redenen zijn op grond waarvan moet worden aangenomen dat eisers niet kunnen terugkeren naar hun land van herkomst. Het rapport van dr.[naam] en drs. [naam] leidt niet tot een ander oordeel, omdat dit niet specifiek ziet op eiseres 1. Het rapport van [naam] en [naam] leidt niet tot een ander oordeel. De stelling dat eisers zich niet kunnen handhaven in hun land van herkomst en dat zij bij terugkeer schade oplopen is niet voldoende om dergelijke bijzondere redenen aan te nemen. Het geheel van de bij de besluitvorming betrokken feiten en omstandigheden geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij de “fair balance”, zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van schending van het privéleven in het kader van artikel 8 van het EVRM.

16. Verweerder heeft ten aanzien van het beroep op artikel 4:84 van de Awb in het bestreden besluit gesteld dat in WBV 2013/1 bijzonder beleid in neergelegd, dat mede tot stand is gekomen vanwege het langdurig verblijf en de onzekere verblijfsrechtelijke positie van kinderen met een asielachtergrond. De door eisers genoemde omstandigheden zijn betrokken bij de totstandkoming van het beleid en kunnen daarom niet als bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb worden beschouwd. De door eisers aangevoerde omstandigheden betreffen voorts geen bijzondere omstandigheden waardoor zij niet aan de voorwaarden van WBV 2013/1 voldoen. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen aanleiding is om met toepassing van artikel 4:84 van de Awb af te wijken van het gevoerde beleid.

17. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het kader van de onderhavige aanvragen niet hoeft te worden beoordeeld of eisers in aanmerking dienen te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 22 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3890) brengt geen rechtsregel mee dat een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van de regelingen tevens een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens bijzondere omstandigheden impliceert. Dat verweerder in sommige gevallen aanleiding heeft gezien om ambtshalve een zodanige verblijfsvergunning te verlenen, laat onverlet dat hij daartoe niet verplicht is en dat eisers een daartoe strekkende aanvraag kunnen indienen indien zij van mening zijn aanspraak te hebben op een zodanige vergunning.

18. Gelet op al het vorenstaande heeft verweerder terecht en op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van de Overgangsregeling. Daarom kan hetgeen eisers hebben gesteld over de vertrektermijn en het opgelegde inreisverbod ook niet slagen.

19. De beroepen zijn ongegrond.

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs (voorzitter), en mr. R.M.M. Kleijkers en mr. W.A.M. Loo, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2014.

w.g. D.D.R.H. Lechanteur,

griffier

w.g. K.M.P. Jacobs,

voorzitter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 3 december 2014.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.