Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15793

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2014
Datum publicatie
17-02-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 10040
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

vovo + beroep: strafontslag PI-medewerker ivm verboden contacten

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Algemeen Rijksambtenarenreglement 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 14/10040 (vovo)

SGR 14/8500 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 december 2014 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[X], te [plaats], verzoekster,

(gemachtigde: mr.drs. M.M.H. Schulte),

en

de minister van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. A.J. Verhagen en P. Le Grand).

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster met ingang van 1 maart 2014 de displinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd.

Bij besluit van 28 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2014.

Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2 De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

2.1

Verzoekster is sinds februari 2008 werkzaam bij de Dienst Justitiele Inrichtingen (DJI), laatstelijk in de functie van bewaarder/complexbeveiliger in de Penitentiaire Inrichting (PI) Nieuwegein.

2.2

In de Gedragscode Dienst Justitiële Inrichtingen (circulaire van 3 november 2009, hierna te noemen: de Gedragscode) staat in paragraaf 05 het volgende:

Verboden contacten.

Het hebben van een andere dan een werkrelatie met een justitiabele is niet toegestaan. Een relatie met een ex-justitiabele is niet toegestaan, tenzij uit de aard en de duur van de relatie blijkt dat de veiligheid van de medewerker en de collega’s niet in gevaar wordt gebracht. Om problemen te voorkomen is openheid nodig om in overleg een goede afweging te kunnen maken. Mocht een relatie ontstaan dan ben je verplicht dit te melden. (…). Je ziet: integriteit en veiligheid wegen zwaar. Blijf professioneel en meld tijdig als je denkt dat een relatie kan ontsaan of sprake is van een verboden contact. Zo voorkom je problemen voor jezelf en de ander en zorg je dat de reputatie van DJI niet wordt aangetast.

2.3

Verweerder heeft opdracht gegeven aan Bureau Integriteit om een disciplinair onderzoek te doen naar verzoekster, omdat uit een ander onderzoek naar contrabande (smokkelwaar) naar voren was gekomen dat verzoekster mogelijk ongeoorloofde contacten zou onderhouden met (een) gedetineerde(n).

2.4

Het Bureau Integriteit heeft op 18 november 2013 haar eindrapportage disciplinair onderzoek afgerond.

2.5

Na het voornemen daartoe te hebben geuit en de zienswijze daarop van verzoekster te hebben ontvangen, heeft verweerder bij besluit van 26 februari 2014 verzoekster de discplinaire straf van onvoorwaardelijk strafontslag op grond van artikel 81, eerste lid, onder l, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) opgelegd vanwege zeer ernstig plichtsverzuim vanwege het overtreden van de Gedragscode, bestaande uit het hebben van een andere dan een werkrelatie met een (ex)gedetineerde, alsmede het niet melden hiervan. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het strafontslag gehandhaafd.

3 Verzoekster stelt dat het besluit is gebaseerd op onrechtmatig verkregen bewijs, omdat de bezoekersgegevens van een PI op basis van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) niet mogen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor ze worden geregistreerd en verwerkt. Zij verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 november 2014 (ECLI:NL:RBARN:2004:AR5927). Bovendien is de verdenking enkel en alleen gebaseerd op een mondelinge mededeling van een collega die verzoekster bewust in een kwaad daglicht heeft willen stellen. Verzoekster stelt voorts dat het ontslag onevenredig, onredelijk en buitenproportioneel is, gelet op de feiten en omstandigheden. Zij doet een beroep op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 10 april 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1239) en de uitspraak van rechtbank Zeeland – West-Brabant van 26 september 2013 (ECLI:NL:RBZWB:2013:7351). Verzoekster verwijst naar haar lange staat van dienst, het feit dat zij altijd goed heeft gefunctioneerd en dat er alternatieven voor het ontslag aanwezig zijn. Ook betoogt verzoekster dat zij door haar werkgever onvoldoende is begeleid en beschermd tegen de manipulaties van gedetineerde ‘loverboys’, zeker gelet op de wantoestanden die er waren binnen de PI.

4 De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.1

De voorzieningenrechter zal allereerst ingaan op de stelling van verzoekster dat het besluit is gebaseerd op onrechtmatig verkregen bewijs. Op het moment van het opvragen van de bezoekerslijsten van de PI Heerugowaard op 10 oktober 2013 waren er al concrete vermoedens van verboden contacten tussen verzoekster en een (ex)gedetineerde. Deze vermoedens zijn gebaseerd op e-mails van collega’s van verzoekster van 11 januari 2013 en

19 september 2013 en de verklaring van collega [A] bij het Bureau Integriteit van

3 oktober 2013, en niet alleen op een mondelinge mededeling van een collega zoals verzoekster stelt. Uit de toelichting van verweerder ter zitting blijkt verder dat er alleen is gevraagd de bezoekerslijsten van de desbetreffende (ex)gedetineerde in een specifieke periode in de PI Heerugowaard te controleren. Vanwege de concrete vermoedens en de beperkte en specifieke uitvraag is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen strijd is met de Wbp en dat van onrechtmatig verkregen bewijs geen sprake is. Overigens is het vaste rechtspraak van de CRvB dat het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs slechts dan niet is toegestaan indien het is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Van dit laatste is in dit geval geen sprake. Er waren immers al concrete vermoedens dat verzoekster verboden contacten had onderhouden met een (ex)gedetineerde. Om die reden faalt ook het beroep van verzoekster op de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 november 2014.

Verzoekster heeft uiteindelijk tegenover de onderzoeker van Bureau Integriteit verklaard dat zij contacten heeft gehad met een (ex)gedetineerde. Deze contacten zijn begonnen in de PI Nieuwegein. Verzoekster heeft verklaard dat toen de (ex)gedetineerde werd overgeplaatst zij hem haar telefoonnummer heeft gegeven en zij hem in de PI Heerugowaard heeft bezocht. Verzoekster verklaarde de (ex)gedetineerde in de PI Heerugowaard vijf keer te hebben bezocht, waarvan één keer zonder toezicht. Tussen de bezoeken door belden zij met elkaar. Naar eigen zeggen heeft verzoekster één keer een bezoek zonder toezicht aangevraagd, omdat de (ex)gedetineerde inmiddels naar een andere afdeling was overgeplaatst en er op deze afdeling gedetineerden zaten die haar zou kunnen herkennen uit de PI Nieuwegein. Gelet op deze bekennende verklaring van verzoekster is de uitspraak van de CRvB van 10 april 2014, waarop verzoekster zich heeft beroepen, in dit geval niet relevant.

Nu verzoekster heeft erkend dat sprake is geweest van verboden contacten met een (ex)gedetineerde waarvan zij geen melding heeft gemaakt bij het bevoegd gezag, staat hiermee vast dat verzoekster in strijd heeft gehandeld met de Gedragscode. Dit dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter te worden aangemerkt als ernstig plichtsverzuim.

4.2

Verzoekster heeft zelf – door het niet direct melden van de contacten – verweerder de mogelijkheid ontnomen om de nodige (voorzorgs)maatregelen te kunnen nemen. Daarbij is van belang dat de leidinggevende van verzoekster reeds in januari 2013 heeft gevraagd naar de geruchten die de ronde deden over de contacten tussen verzoekster en de (ex)gedetineerde, waarop verzoekster op 22 januari 2013 per e-mail aan haar leidinggevende het verhaal heeft afgedaan als een spookverhaal. Ook daarna heeft verzoekster de (ex)gedetineerde meerdere keren bezocht in de PI Heerugowaard. Er is voor de voorzieningenrechter, gelet hierop, geen aanleiding het plichtsverzuim niet toerekenbaar te achten zodat verweerder bevoegd was om verzoekster een disciplinaire straf op te leggen.

4.3

Verweerder heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om een straf op te leggen, gekozen voor de zwaarste sanctie van strafontslag. De voorzieningenrechter onderkent dat het strafontslag voor verzoekster ingrijpende gevolgen heeft, nu verzoekster daardoor haar werk en inkomen heeft verloren. Zowel uit het primaire besluit als het bestreden besluit blijkt dat verweerder een belangenafweging heeft gemaakt. De voorzieningenrechter acht het ontslag, gezien de aard, de ernst en de terecht gestelde eisen aan betrouwbaarheid en integriteit van personeel in een PI, echter niet onevenredig aan het gepleegde plichtsverzuim. De langdurige en onbesproken staat van dienst van verzoekster doet niet af aan de conclusie van verweerder dat verzoekster het in haar te stellen vertrouwen ernstig heeft geschonden. Dat verzoekster zelf de contacten heeft beëindigd en dat zij door de (ex)gedetineerde is gemanipuleerd legt onvoldoende gewicht in de schaal. Verweerder heeft zwaar mogen meewegen dat verzoekster eerder heeft ontkend tegenover haar leidinggevende dat zij contact had met een (ex)gedetineerde, terwijl zij toen al haar telefoonnummer had gegeven en hem had bezocht in de PI Heerugowaard en dat zij daarna is doorgegaan met de bezoeken. Bovendien was verzoekster zich zeer bewust van wat zij deed, zoals blijkt uit het feit dat zij een bezoek zonder toezicht heeft aangevraagd vanwege andere gedetineerden die haar mogelijk zouden herkennen. In PI’s is veel aandacht voor professionele afstand in contacten met gedetineerden, zoals onder andere blijkt uit het functioneringsverslag van verzoekster en de Gedragscode, waarvan verzoekster op de hoogte dient te zijn. Ook als juist is dat verzoekster onder druk stond van de (ex) gedetineerde, had van haar verwacht mogen worden dat zij in het gesprek met haar leidinggevende had gemeld wat er aan de hand was. Daarnaast had verzoekster de mogelijkheid om in gesprek te gaan met vertrouwenspersonen zowel in als buiten de PI, zoals in de Gedragscode staat. Om deze redenen kan het belang van verzoekster om een minder zware disciplinaire straf te krijgen, niet doorslaggevend zijn en rechtvaardigen de verweten gedragingen, gezien de concrete omstandigheden, het gegeven strafontslag. Het beroep van verzoekster op de uitspraak van de rechtbank Zeeland – West-Brabant van

26 september 2013 faalt reeds omdat de uitspraak is achterhaald door de uitspraak de CRvB in die zaak (ECLI:NL:CRVB:2014:1779).

5 Uit het vorenstaande volgt dat het beroep niet slaagt en daarom ongegrond zal worden verklaard.

6 Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Meijer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. B.J. Dekker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

22 december 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.