Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15777

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
20-01-2015
Zaaknummer
09-952396-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

JMK - afwijzing verlenging PIJ

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat thans niet meer aan voornoemde wettelijke vereisten wordt voldaan, in het bijzonder wordt niet meer voldaan aan het vereiste dat het verlengen van de maatregel in het belang zou zijn van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de veroordeelde.

De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de termijn van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen dan ook afwijzen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer: 09/925396-11

Datum uitspraak: 11 december 2014

De rechtbank Den Haag, meervoudige kamer jeugdstrafzaken, heeft de volgende beslissing gegeven op de vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van

1 augustus 2014, ingekomen ter griffie op 1 augustus 2014.

De vordering.

De vordering strekt tot verlenging met zes maanden van de termijn van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opgelegd aan:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats]op [geboortedag]1991,

thans geplaatst in de R.I.J. De Hartelborgt te Spijkenisse,

bij arrest van het Gerechtshof Den Haag van 23 maart 2012, onherroepelijk geworden op

3 april 2012 en laatstelijk verlengd met zes maanden bij beslissing van deze rechtbank

d.d. 10 april 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van het dossier waartoe voormeld vonnis behoort alsmede van na te melden advies.

Het advies.

Het op grond van artikel 77t van het Wetboek van Strafrecht uitgebrachte advies

d.d. 30 juli 2014, waarbij de in dat artikel bedoelde aantekeningen zijn overgelegd,

strekt tot verlenging van de termijn met maximaal zes maanden.

Het advies is ondertekend door [deskundige 1], GZ-psycholoog, en [deskundige 2], Pedagogisch directeur, beiden verbonden aan de R.I.J. De Hartelborgt.

De behandeling in raadkamer.

De veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. C.C. Peterse, is op 11 december 2014 in raadkamer gehoord. Op de eerdere behandelingen in raadkamer d.d. 2 en 16 oktober 2014 was de veroordeelde niet aanwezig.

De ouders van de veroordeelde zijn op alle data gehoord.

Mevrouw [deskundige 1], voornoemd, is op 2 en 16 oktober 2014 alsook op 11 december 2014 als deskundige gehoord.

De veroordeelde heeft zich in raadkamer verzet tegen een verlenging van de maatregel.

Hij heeft meegedeeld dat het in principe goed is gegaan in de Hartelborgt en dat hij meer inzicht heeft gekregen in zijn situatie en ook veel baat heeft bij structuur, maar dat hij de laatste maanden in de Hartelborgt op de groep erg veel spanningen ervaart en hij derhalve liever bij zijn ouders thuis op zijn vervolgplek wil wachten.

De officier van justitie mr. C.M. Offers heeft op 11 december 2014 in raadkamer de vordering mondeling gewijzigd in die zin dat zij heeft gerequireerd tot afwijzing van de vordering, nu niet meer aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt voldaan. De officier van justitie heeft hierbij aangegeven dat doorplaatsing op de juiste vervolgplek in het belang is van de veroordeelde, maar dat dit helaas nog niet direct kan worden gerealiseerd.

De raadsvrouw van de veroordeelde heeft in raadkamer eveneens afwijzing van de vordering bepleit. Zij is het met de officier van justitie eens dat niet meer aan de wettelijke vereisten voor verlenging van de maatregel wordt voldaan. Ter overbrugging naar de juiste vervolgplek, zal de veroordeelde tijdelijk bij zijn ouders verblijven. Hij heeft, aldus de raadsvrouw, zelf ook meegedeeld eraan toe te zijn de volgende stap te zetten.

Eerder genoemd advies van de R.I.J. De Hartelborgt stelt - kort samengevat - onder meer:

[verdachte] heeft de afgelopen twee en een half jaar een zeer positieve ontwikkeling doorgemaakt. Hij is de afspraken trouw nagekomen en zeer gemotiveerd voor zijn behandeling.

Vanwege de psychiatrische problematiek blijft hij echter kwetsbaar en heeft hij dus de nodige begeleiding en behandeling nodig. Met name het aanvoelen van zijn eigen spanning, het op tijd ingrijpen hierbij, het verwerken van vervelende gebeurtenissen in het verleden en het vormgeven van een zinvol leven, blijven voorlopig centraal staan.

In het kader van de PIJ-maatregel wordt gedacht aan een korte verlenging tot aan de definitieve plaatsing binnen de GGZ. Deze periode dient bij voorkeur ingevuld te worden vanuit de FOBA van de Hartelborgt. Geadviseerd wordt de maatregel te verlengen voor de duur van maximaal 6 maanden.

Tijdens de behandeling in raadkamer van 16 oktober 2014 is duidelijk geworden dat de diverse aanmeldingstrajecten binnen de GGZ geruime tijd duren en er derhalve nog geen uitzicht op een geschikte vervolgplek is. In aanloop naar de zitting van heden is door de Hartelborgt onderzocht of er instellingen zijn met een minder lange wachttijd en onder welke voorwaarden [verdachte] thuis bij zijn ouders kan verblijven tot er een geschikte vervolgplek is.

Mevrouw [deskundige 1], gehoord als deskundige, heeft in raadkamer van 11 december 2014 meegedeeld dat een instelling waar betrokkene eventueel eerder terecht zou kunnen niet geschikt is bevonden en dat om diverse redenen ook andere instellingen geen optie zijn. Hij zal thuis moeten wachten op een plek bij Meander als de Pij niet verlengd wordt. Voor de thuissituatie is begeleiding door Jeugdreclassering (Leger des heils) en Parnassia beschikbaar. Een uitkering is aangevraagd, het regelen van dagbesteding is nog niet gelukt, er wordt verder gezocht.

De veroordeelde heeft, aldus de deskundige gedurende zijn verblijf in de Hartelborgt veel geleerd en een verdere verlenging van zijn verblijf zou geen specifieke verandering meer geven. Op dit moment is er dan ook minder reden om zijn plaatsing te verlengen, vooral ook omdat hij het zelf niet meer wil.

Beoordeling van de vordering.

De maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd terzake van poging tot doodslag, derhalve een misdrijf, dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

De maatregel kan op grond van artikel 77t, derde lid, juncto artikel 77s, eerste lid sub b en c Wetboek van Strafrecht slechts worden verlengd indien:

- de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de

verlenging van de maatregel eist, en

- de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de

veroordeelde.

Aan beide voorwaarden moet worden voldaan om tot verlenging van de maatregel te komen.

De rechtbank acht zich voldoende ingelicht door het advies, de daarbij overgelegde aantekeningen en het verhandelde in raadkamer.

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat thans niet meer aan voornoemde wettelijke vereisten wordt voldaan, in het bijzonder wordt niet meer voldaan aan het vereiste dat het verlengen van de maatregel in het belang zou zijn van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de veroordeelde.

De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de termijn van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen dan ook afwijzen.

Beslissing.

De rechtbank wijst de vordering af.

Deze beslissing is gegeven te Den Haag door

mr. H.M.D. de Jong, kinderrechter, voorzitter,

mr. A.J.J.M. Weijnen, kinderrechter,

en mr. J.A.H.M. Janssen, kinderrechter-plv.,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 december 2014.

Mr. Janssen is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.