Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15733

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
17-02-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 5854
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

bodemzaak; omgevingsvergunning voor moskee in Leiden. Bestemmingsplan staat moskee toe. Beroepsgronden over molenbiotoop stuiten af op het relativiteitsvereiste. Er wordt voorts in voldoende parkeerplaatsen voorzien. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Algemene wet bestuursrecht 8:69a
bouwverordening 2.5.30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/5854

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2014 in de zaak tussen

[X1], [X2], [X3], [X4], [X5],

[X6], [X7], en [Y],

te [plaats], eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigden: mr. R. Lever, mr. A. Kooij en drs. R. van den Broek).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [A], te Leiden, vergunninghouder (gemachtigden: [B]).

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder aan[A] (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een Islamitisch centrum (moskee) met parkeergarage op de locatie[adres] te Leiden, kadastraal bekend, sectie O, nummer [nummer].

Bij besluit van 8 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard, onder aanvulling van de motivering ter zake van de verleende afwijking van het bestemmingsplan.

Bij uitspraak van 17 juli 2014 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eisers om een voorlopige voorziening te treffen, afgewezen.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2014.

[X1], [X6] en namens [Y] [X8], zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Op 31 mei 2013 heeft vergunninghouder een aanvraag om een

omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een Islamitisch Centrum (moskee) en een daarbij behorende parkeergarage op de locatie [adres] te Leiden, kadastraal bekend, sectie O, nummer [nummer]. Ten tijde van de aanvraag was ter plaatse een ROC, bestaande uit de bouwdelen A, B en C, aanwezig met bijbehorend parkeerterrein. Het bouwplan is voorzien op de plaats van het parkeerterrein en bouwdeel B. Dit bouwdeel zal ten behoeve van het bouwplan worden gesloopt. De delen A en C worden gehandhaafd. Over het bouwplan is een positief welstandsadvies uitgebracht. Tevens hebben Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland ingestemd met het bouwplan.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder voor het gevraagde bouwplan een omgevingsvergunning verleend voor het project ‘Nieuwbouw moskee’, dat bestaat uit de activiteiten het bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Daarbij is toestemming verleend voor bouwen en voor afwijken van het bestemmingsplan, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De c-toestemming is verleend omdat het bouwplan de op grond van het bestemmingsplan ter plaatse maximaal toegestane bouwhoogte overschrijdt.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig het advies van de Commissie bezwaarschriften van 7 juli 2014, de verleende omgevingsvergunning gehandhaafd onder aanvulling van de motivering ter zake van de verleende afwijking van het bestemmingsplan in verband met de molenbiotoop.

4. Eisers hebben in beroep gemotiveerd uiteengezet waarom zij zich niet kunnen verenigen met het bestreden besluit. De rechtbank zal op de beroepsgronden van eisers

- voor zover nodig - in het navolgende ingaan.

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5.1

De rechtbank is van oordeel dat alle eisers als belanghebbenden bij het bestreden besluit kunnen worden aangemerkt.

5.2

Ter plaatse van het bouwplan geldt het bestemmingsplan “Haagwegkwartier Noordwest”. Het betrokken perceel heeft de bestemming “Maatschappelijk”. In artikel 4.1 onder a van de planregels is onder meer bepaald dat de gronden met die bestemming zijn aangewezen voor religieuze voorzieningen. Omdat het perceel is gelegen binnen een cirkel met een straal van 100 m met de aanduiding “vrijwaringszone-molenbiotoop” van de molen d’Heesterboom, is tevens artikel 13.1 van de planregels van toepassing.

In artikel 13.1.1 onder a van de planregels is bepaald dat de maximale bouwhoogte van bouwwerken op gronden die vallen binnen de cirkel met een straal van 100m en ter plaatse van de aanduiding “vrijwaringszone-molenbiotoop” niet hoger mag zijn dan de onderste punt van de wiek in verticale stand, zijnde 10,9 meter.

Ingevolge artikel 13.1.3 van de planregels kan het bevoegd gezag afwijken van het bepaalde in artikel 13.1.1 onder a, mits daardoor de windvang, het functioneren en de zichtbaarheid van de molen niet in onevenredige mate wordt aangetast.

Ingevolge artikel 13.1.4 van de planregels wordt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.1.3 niet verleend dan nadat het bevoegd gezag daarover een advies heeft ingewonnen bij Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland.

5.3.1

Eisers hebben als meest verstrekkende beroepsgrond aangevoerd dat er helemaal geen moskee op de locatie [adres] te Leiden moet komen.

5.3.2

Volgens vaste rechtspraak dient verweerder een aanvraag om een omgevingsvergunning te beoordelen zoals deze voorligt. Daarbij hoeft verweerder niet na te gaan of de moskee niet beter op een andere locatie opgericht kan worden. Bij de beoordeling van de aanvraag is het aan verweerder om te bezien of op basis van het vigerende bestemmingsplan de moskee en de parkeergarage op de aangevraagde locatie gebouwd mogen worden. Uitgangspunt daarbij is allereerst dat het vigerende onherroepelijke bestemmingsplan voorziet in de bouw van een moskee ter plaatse en dat het bestemmingsplan ook is opgesteld met de bedoeling om de oprichting van een moskee op die plek mogelijk te maken. Het bouwplan dat voorziet in het realiseren van de moskee met de bijbehorende parkeergarage is in overeenstemming met het bestemmingsplan, behoudens de bouwhoogte van het bouwwerk.

5.4.1

Niet in geschil is dat de maximale bouwhoogte van 10,90 m, zoals neergelegd in artikel 13.1.1 onder a van de planregels, met 0,35 tot 0,65 m wordt overschreden. Verweerder heeft in dit geval een binnenplanse ontheffing voor de bouwhoogte van de moskee verleend. Op grond van artikel 13.1.3 van de planregels mag verweerder afwijken van de bouwhoogte, mits daardoor de windvang, het functioneren en de zichtbaarheid van de molen niet in onevenredige mate wordt aangetast. Verweerder heeft op grond van artikel 13.1.4 van de planregels advies gevraagd bij Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland. Bij memo van 28 augustus 2013 heeft Gedeputeerde Staten bericht dat het bouwplan voorziet in een verbetering van de molenbiotoop ten opzichte van de aanwezige, te slopen bebouwing en dat daarom wordt ingestemd met het bouwplan.

5.4.2

Over de beroepsgrond van eisers omtrent de bouwhoogte van de moskee in het kader van de windvang van de nabijgelegen molen overweegt de rechtbank dat eisers geen eigenaar zijn van de molen en ook anderszins niet is gebleken dat eisers een belang hebben bij deze molen. De norm uit artikel 13.1 van de planvoorschriften beoogt het belang te beschermen van het behoud van molens in Leiden en het functioneren daarvan. Het belang van eisers ligt daarin dat zij geen moskee in hun omgeving willen. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde invloed van de bouwhoogte van de voorziene moskee op de windvang van de molen in dit verband kennelijk niet strekt ten behoeve van de bescherming van de belangen van eisers (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 augustus 2014 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2014:3068). Het voorgaande leidt ertoe dat de beroepsgronden van eisers die zien op de windvang van de molen op grond van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom ziet de rechtbank af van een verdere inhoudelijke bespreking van wat eisers ter zake aanvoeren.

5.4.3

Voor zover eisers betogen dat hun uitzicht wordt belemmerd door de bouwhoogte van de moskee, overweegt de rechtbank dat niet gebleken is dat eisers een onevenredig nadeel zullen ondervinden van de geringe overschrijding van de maximale bouwhoogte met 0,65 centimeter. Evenmin is gebleken dat de overschrijding van de bouwhoogte invloed zal hebben op de bezonning in de omgeving van de moskee.

5.4.4

Gelet op het voorgaande voldoet het bouwplan aan de in artikel 13.1.3 en 13.1.4 van de planregels genoemde voorwaarden en was verweerder daarom bevoegd af te wijken van de maximale bouwhoogte. In wat eisers voor het overige hebben aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot afwijking van het bepaalde in artikel 13.1.1 van de planregels.

6.1

Eisers stellen dat het bouwplan in onvoldoende mate voorziet in het realiseren van genoeg parkeervoorzieningen. Zij menen dat verweerder de parkeerbehoefte ten gevolge van het bouwplan ten onrechte heeft bepaald aan de hand van het aantal gebedsplaatsen in de moskee in plaats van het gebruikersoppervlak. Bij de berekening is uitgegaan van een te laag gebruikersoppervlakte voor gebedsruimten. Voorts is er volgens eisers onvoldoende rekening gehouden met de overige ruimtes in het islamitisch Centrum. De richtlijnen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) deugen niet. Het aantal moskeegangers zal vele malen hoger zijn dan waarvan wordt uitgegaan. Bij het realiseren van het bouwplan wordt het gemeenschappelijke plein, wat zowel voor de bezoekers van de moskee als de buurtbewoners een functie zou krijgen, gebruikt voor 57 van de 102 parkeerplaatsen, waardoor de gemeenschappelijke functie verdwijnt.

6.2

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling behoort bij de beoordeling of wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid alleen rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan. Een eventueel bestaand tekort kan als regel buiten beschouwing worden gelaten. Bij vervangende nieuwbouw, zoals hier aan de orde, dient slechts rekening te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de reeds bestaande parkeerbehoefte vanwege het te slopen pand.

6.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de beoordeling of sprake zal zijn van voldoende parkeerplaatsen na realisatie van het bouwplan uit mag gaan van de op de bouwtekening ingetekende 548 gebedsplaatsen. Verweerder heeft zich bij de berekening van de parkeerbehoefte in verband met het bouwplan voorts mogen baseren op de Beleidsregels parkeernormen Leiden, zoals vastgesteld op 28 februari 2012 en van de parkeerkencijfers van het CROW. Volgens de parkeernormen van CROW geldt bij een religiegebouw een norm van 0,2 parkeerplaats per zitplaats (in dit geval: gebedsplaats) indien het bouwwerk niet in de buurt van het station is gevestigd. Het aantal gebedsplaatsen in de moskee is volgens verweerder gemaximeerd. Dat geldt ook ten aanzien van het aantal bezoekers aan de moskee. Uitgaande van de ingetekende gebedsplaatsen van 548 zijn er 110 parkeerplaatsen nodig om aan de parkeernorm te voldoen. De te slopen bebouwing kende een parkeerbehoefte van 55 parkeerplaatsen. Nu slechts rekening diende te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van het bouwplan ten opzichte van de reeds bestaande parkeerbehoefte vanwege het te slopen pand, betekent dit dat in het bouwplan in 55 extra parkeerplaatsen voorzien dient te worden. Omdat er 23 parkeerplaatsen zullen verdwijnen door het bebouwen van het parkeerterrein zullen deze opnieuw moeten worden aangelegd. In totaal zal daarom in 78 parkeerplaatsen voorzien moeten worden. In de parkeergarage zullen er 45 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. In het verweerschrift heeft verweerder een correctie aangebracht ten aanzien van het realiseren van het aantal plaatsen op het plein rondom de moskee. Volgens verweerder kunnen er op het plein nog maar 43 auto’s geparkeerd worden. Dit betekent dat er in totaal 88 parkeerplaatsen ten behoeve van de moskee gerealiseerd zullen worden.

6.4

Voor zover eisers betogen dat er onvoldoende parkeerplaatsen zullen zijn, omdat het aantal bezoekers van de moskee aanzienlijk hoger zal zijn dan door verweerder en vergunninghouder wordt voorgehouden, overweegt de rechtbank dat verweerder bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen mocht uitgaan van het aantal gebedsplaatsen dat is vermeld in de aanvraag voor de moskee. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de stelling van vergunninghouder – als ervaringsdeskundige – dat de moskee veelal bezocht zal worden door 365 vaste moskeebezoekers en dat er nooit meer personen in de moskee zullen zijn dan de beschikbare gebedsplaatsen. Ook zullen in de andere ruimtes van de moskee volgens vergunninghouder tijdens de gebedsdienst geen personen aanwezig zijn, omdat geloofsredenen een dergelijk dubbelgebruik verbieden. Alleen op de vrijdagmiddag zal volgens vergunninghouder mogelijk de volledige capaciteit van de gebedsruimte gedurende anderhalve uur benut zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om eisers in hun betoog te volgen dat het aantal bezoekers aan de moskee ongeveer 700 tot 900 zal bedragen, nu deze aantallen gebaseerd zijn op eigen prognoses van eisers, waarvan het maar de vraag is in hoeverre deze prognoses een representatief beeld van de werkelijkheid geven. Eisers hebben geen rapport van een onafhankelijke deskundige in het geding gebracht, die hun stelling onderschrijft.

6.5

De rechtbank is van oordeel dat met de parkeergarage en de parkeerplaatsen die aangelegd zullen worden op het plein rondom de moskee in afdoende mate in de parkeerbehoefte zal worden voorzien van de bezoekers aan de moskee. Gelet hierop voldoet het bouwplan aan artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Leiden. De beroepsgronden van eisers wat betreft de te realiseren parkeerplaatsen, slagen dan ook niet.

7. De beroepsgrond van eisers over de toename van de verkeersintensiteit en de daarmee samenhangende verkeersonveiligheid ten gevolge van de moskee hoort niet thuis in deze procedure. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan is nagegaan welke gevolgen de oprichting van een moskee ter plaatse op de verkeersintensiteit zal hebben. Het verkeersonderzoek heeft volgens verweerder uitgewezen dat de verkeersintensiteit niet zou toenemen vanwege de bouw van de moskee. Eisers hadden deze beroepsgrond dan ook in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan aan de orde dienen te stellen. Voor zover aan de uitkomsten van het verkeerskundig onderzoek getwijfeld werd hadden eisers hun zorg over het negatieve effect dat de moskee op de verkeersintensiteit teweeg zou brengen naar voren kunnen brengen in de bestemmingsplanprocedure bij de Afdeling. Nu het bestemmingsplan onherroepelijk is kan de verkeersintensiteit niet meer in deze procedure aan de orde worden gesteld. Dit geldt ook ten aanzien van de beroepsgronden van eisers die zien op de geluidsoverlast en de luchtverontreiniging die volgens eisers veroorzaakt zullen worden door het hoge aantal bezoekers van de moskee.

8. Zoals in 5.4.4 is overwogen heeft verweerder gebruik mogen maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van de c-toestemming. Nu gelet op het voorgaande niet is gebleken dat zich weigeringsgronden voordoen, is naar het oordeel van de rechtbank de omgevingsvergunning voor het bouwen van de moskee met daarbij behorende parkeergarage terecht verleend. In wat overigens door eisers is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Verbeek, rechter, in aanwezigheid van mr. S.P. Jadoenathmisier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2014.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoge beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.