Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15714

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22-12-2014
Datum publicatie
17-02-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3678
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Korting op het AOW-pensioen van de echtgenoot van een medewerker bij volkenrechtelijke organisatie OPCW. De uitsluiting van het Nederlandse socialezekerheidsstelsel is in de Zetelovereenkomst niet afhankelijk gesteld van het bestaan binnen de OPCW van een met Nederlandse stelsel vergelijkbare dekking.

Wetsverwijzingen
Zetelovereenkomst voor de Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom (merken en tekeningen of modellen) 22, geldigheid: 2014-12-22
Algemene Ouderdomswet 6, geldigheid: 2014-12-22
Algemene Ouderdomswet 13, geldigheid: 2014-12-22
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 14, geldigheid: 2014-12-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 14/3678

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. L. Kuijper),

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat aan haar met ingang van 24 februari 2014 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) wordt toegekend naar een hoogte van 22% van het maximale AOW-bedrag.

Bij besluit van 27 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en bepaald dat eiseres met ingang van 24 februari 2014 recht heeft op 24% van het maximale AOW-pensioen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2014.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de navolgende feiten en omstandigheden. Eiseres is op [jaartal 1981] samen met haar Iraanse echtgenoot naar Nederland gekomen. Beiden hebben vanaf [jaartal 1992] de Nederlandse nationaliteit. Eiseres is van 1982 tot 1984 als bibliothecaresse werkzaam geweest bij het [afdeling] een afdeling van de Iraanse Ambassade in [plaats]. De echtgenoot van eiseres is van 1 januari 1996 tot 14 december 2012 werkzaam geweest in dienst van de Organisation for the Prohibition of Chemical Wapons (OPCW), een volkenrechtelijke organisatie. Bij het primaire besluit is eiseres op aanvraag met ingang van 24 februari 2014 in aanmerking gebracht voor een AOW-pensioen, berekend naar 22% van het maximale AOW-bedrag voor een gehuwde wegens 39 niet-verzekerde jaren.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en bepaald dat eiseres met ingang van 24 februari 2014 recht heeft op 24% van het maximale AOW-pensioen wegens in totaal 38, in plaats van de bij het primaire besluit vastgestelde 39, niet-verzekerde jaren. Het bestreden besluit berust, samengevat en toegespitst op het bezwaar van eiseres, op het standpunt dat eiseres in het tijdvak van 29 april 1997 tot en met 14 december 2012 is uitgesloten van de AOW-verzekering, omdat haar echtgenoot toen in dienst was van de OPCW. Volgens verweerder bepaalt artikel 22 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de OPCW betreffende de zetel van de OPCW van 22 mei 1997, in werking getreden op 29 april 1997 en gepubliceerd in Trb. 1997, 114, (de Zetelovereenkomst) dat functionarissen van de OPCW niet verzekerd zijn voor de AOW in Nederland. Functionarissen van de OPCW zijn gelet op artikel 22 van de Zetelovereenkomst vrijgesteld van alle verplichte bijdragen betreffende de sociale zekerheid in Nederland, omdat door de OPCW sociale zekerheidsregelingen worden vastgesteld of uitgevoerd. Dit geldt tevens voor de echtgenoten van die functionarissen. De OPCW heeft met het Provident Fund een sociaal stelsel, dat als een regeling inzake uitkering wegens ouderdom moet worden aangemerkt. De vrijstelling voor de Nederlandse sociale zekerheidsregelingen wordt in de Zetelovereenkomst niet afhankelijk gesteld van het bestaan van sociale zekerheidsregelingen van de OPCW die qua dekking vergelijkbaar zijn met die van de Nederlandse sociale zekerheidsregelingen, aldus verweerder.

3. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij ten onrechte wordt gekort op haar AOW-pensioen. Eiseres meent dat zij alleen kan worden uitgesloten van de AOW-verzekering als er bij de OPCW een regeling inzake een ouderdomsuitkering van toepassing is geweest, die naar aard en omvang op een lijn te stellen is met de Nederlandse AOW. Dat is niet het geval, zo vindt eiseres, nu het Provident Fund van de OPCW geen met de AOW vergelijkbare zekerheidsdekking geeft. Het Provident Fund biedt een eenmalige uitkering aan het einde van het dienstverband en is niet gerelateerd aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Eiseres acht de beperking van haar AOW-recht omdat zij reeds door middel van het Provident Fund een ouderdomspensioenvoorziening heeft dan ook onrechtmatig. Tevens meent eiseres dat zij als Nederlands staatsburger dezelfde rechten heeft als een ieder ander in Nederland. De uitsluiting van de AOW-verzekering is daarom discriminerend en in strijd met het recht op gelijke behandeling. Hiertoe verwijst eiseres bij haar brief van 29 oktober 2014 naar het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (IVBPR). Bij brief van 29 augustus 2014 heeft eiseres nader aangevoerd dat zij nimmer op correcte wijze is geïnformeerd over de werking van het sociale zekerheidsstelsel. Zo was eiseres onder meer niet op de hoogte van de mogelijkheid van vrijwillige premiebetaling, waardoor zij en haar echtgenoot door de korting op het AOW-pensioen thans leven in onzekerheid en met financiële zorgen.

4.1

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AOW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene die nog niet de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en ingezetene is dan wel degene die geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

4.2

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van het op basis van artikel 6, derde lid, van de AOW berustende Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1989 (KB 164), zoals dat gold van 1 juli 1989 tot en met 31 december 1998, is niet verzekerd ingevolge de volksverzekeringen degene, die in dienst is van een volkenrechtelijke organisatie, uitsluitend arbeid verricht uit hoofde van de dienstbetrekking en op wie de sociale verzekeringsregeling van die organisatie van toepassing is.

Het derde lid van artikel 13 van KB 164 bepaalt dat niet verzekerd ingevolge de volksverzekeringen zijn de echtgenoot, kinderen en inwonende overige gezinsleden van de in het eerste lid genoemde persoon, tenzij zij in Nederland arbeid verrichten of een Nederlandse sociale verzekeringsuitkering ontvangen.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746), dat geldt van 1 januari 1999 tot op heden, is niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen de persoon die in dienst is van een volkenrechtelijke organisatie en op wie de regeling inzake sociale zekerheid van die organisatie van toepassing is, tenzij hij in Nederland arbeid verricht anders dan uit hoofde van de vorenbedoelde dienstbetrekking.

Het derde lid van artikel 14 van KB 746 bepaalt dat de in Nederland wonende echtgenoot, kinderen en overige inwonende gezinsleden niet verzekerd zijn op grond van de volksverzekeringen indien de zetelovereenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de volkenrechtelijke organisatie zulks bepaalt, tenzij zij in Nederland arbeid verrichten dan wel een Nederlandse socialeverzekeringsuitkering ontvangen.

4.3

Artikel 22, eerste lid, van de Zetelovereenkomst bepaalt dat voor zover er door de OPCW regelingen voor sociale zekerheid worden vastgesteld of uitgevoerd, de OPCW en de functionarissen op wie bedoelde regelingen van toepassing zijn, worden vrijgesteld van alle verplichte bijdragen aan organisaties van het Koninkrijk der Nederlanden voor sociale zekerheid. Hieruit volgt dat zij niet vallen onder de regelingen voor sociale zekerheid van het Koninkrijk der Nederlanden.

Ingevolge het derde lid van artikel 22 van de Zetelovereenkomst zijn de bepalingen van het eerste lid mutatis mutandis van toepassing op echtgenoten en de ten laste komende familieleden die deel uitmaken van het huishouden van personen bedoeld in het eerste lid van dit artikel, tenzij zij in het Koninkrijk der Nederlanden in dienst zijn bij een andere werkgever dan de OPCW, of uitkeringen ingevolge het Nederlandse stelsel van sociale zekerheid ontvangen.

5.1

Ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Zetelovereenkomst zijn de functionarissen van de OPCW niet verzekerd tegen de risico’s omschreven in het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel, mits “door de OPCW regelingen voor sociale zekerheid worden vastgesteld of uitgevoerd”. Tussen partijen is niet in geschil dat de OPCW een regeling voor sociale zekerheid, genaamd Provident Fund, heeft vastgesteld en uitvoert. Dit brengt, gelet op de tekst van voornoemd artikel, mee dat de echtgenoot van eiseres als OPCW-functionaris tijdens zijn dienstverband met de OPCW was uitgesloten van zowel de Nederlandse premie- als verzekeringsplicht. Dat de echtgenoot van eiseres gedurende zijn dienstverband bij de OPCW was uitgesloten van verzekering voor de Nederlandse sociale zekerheidsregelingen volgt ook uit de van toepassing zijnde nationaalrechtelijke bepalingen van KB 164 en KB 746, als hiervoor weergegeven onder 4.2.

Nu de bepaling van het eerste lid van artikel 22 van de Zetelovereenkomst ingevolge het derde lid van dat artikel ook op eiseres als echtgenote van toepassing is, is ook eiseres, die niet uit andere hoofde verzekerd was, gedurende het in geding zijnde tijdvak uitgesloten van de kring der verzekerden voor de AOW.

5.2

De beroepsgrond van eiseres dat in het Provident Fund een regeling inzake uitkering wegens ouderdom ontbreekt, zodat niet kan worden gesproken van een met de AOW vergelijkbare regeling en eiseres daarom over de in geding zijnde periode niet kan worden uitgesloten van de verzekering, slaagt niet. De vrijstelling van het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel is in artikel 22 van de Zetelovereenkomst niet afhankelijk gesteld van het bestaan van een met het Nederlandse stelsel vergelijkbare dekking. Voorwaarde voor de vrijstelling is -slechts- de aanwezigheid van een OPCW-regeling voor sociale zekerheid. Daaraan is, zoals ook uit het voorgaande volgt, met de vaststelling en uitvoering van het Provident Fund door het OPCW voldaan.

6. Het beroep van eiseres op het EVRM en het IVBPR, inhoudende dat de korting op haar AOW-pensioen schending van deze verdragen oplevert aangezien zij als Nederlands staatsburger wordt gediscrimineerd ten opzichte van een ieder ander in Nederland, slaagt evenmin. De rechtbank overweegt daartoe dat het hier niet betreft een onderscheid op basis van een aangeboren kenmerk van eiseres en dat in een dergelijk geval in een sociale zekerheidsregeling eerst sprake is van een verboden onderscheid indien daarvoor een redelijke grond ontbreekt. De rechtbank is in het voetspoor van de Hoge Raad, zie zijn arrest van 14 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:284 gewezen in een met deze vergelijkbare zaak, van oordeel dat daarvan geen sprake is. De verdragsrechtelijke verplichting tot vrijstelling van premiebetaling is in de Zetelovereenkomst opgenomen met het oog op de onafhankelijkheid ten opzichte van het gastland van de betrokken medewerkers in het belang van een goede taakuitoefening van de volkenrechtelijke organisatie. Als consequentie van een vrijstelling van premieheffing is in de onderhavige zetelovereenkomst aanvaard dat de medewerkers en de betrokken gezinsleden tevens zijn uitgezonderd van de verplichte verzekering en daarmee van het recht op uitkeringen op grond van de Nederlandse sociale verzekeringen. Met de vrijstelling van medewerkers en hun gezinsleden van het recht op Nederlandse sociale zekerheidsuitkeringen wordt vermeden dat rechten op uitkeringen worden opgebouwd zonder dat daar een financiële bijdrage tegenover staat. Van beide redenen kan niet worden gezegd dat zij van redelijke grond zijn ontbloot.

7. Ook de beroepsgrond van eiseres dat zij nooit is geïnformeerd over de werking van het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel en dat zij door verweerder niet op de hoogte is gesteld van de mogelijkheid van vrijwillige premiebetaling voor de AOW, wordt door de rechtbank verworpen. Onbekendheid van eiseres met de geldende regelgeving kan in zijn algemeenheid niet tot het oordeel leiden dat de onderhavige korting op het AOW-pensioen ten onrechte heeft plaatsgevonden. De rechtbank wijst erop dat in dit geval de uitsluiting van eiseres en haar echtgenoot van de AOW-verzekering dwingendrechtelijk volgt uit de verdragsrechtelijke regeling en dat het op hun weg had gelegen voorafgaande aan het OPCW-dienstverband informatie in te winnen bij de OPCW dan wel over het onderwerp van de vrijwillige AOW-verzekering bij de Svb.

8. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat zij thans wordt geconfronteerd met een ontoereikende pensioenvoorziening stelt de rechtbank vast dat aan de echtgenoot van eiseres, zoals ter zitting door hem is meegedeeld, bij het einde van zijn dienstverband door de OPCW een zogeheten severance payment van circa € 250.000,= uit het Provident Fund is uitgekeerd. Dit bedrag kunnen eiseres en haar echtgenoot onder meer aanwenden ter compensatie van hetgeen zij uit hoofde van het Nederlandse sociale stelsel zouden hebben genoten, indien zij op grond van dat stelsel verzekerd waren gebleven. Dat de uitkering uit het Provident Fund volgens eiseres een ontoereikende pensioenvoorziening vormt, maakt het vorenoverwogene niet anders. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in haar stelling.

9. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder eiseres terecht en op goede gronden niet verzekerd ingevolge de AOW heeft geacht over het tijdvak van 29 april 1997 tot en met 14 december 2012.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.M. Lubbe, voorzitter, mr. B. Bastein en

mr. L. Koper, leden, in aanwezigheid van F.P. Krijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2014.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.