Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15699

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-12-2014
Datum publicatie
22-12-2014
Zaaknummer
14_11584
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Somalie, nareis, feitelijke gezinsband, meerder/minderjarigheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 13/5958 en AWB 14/11584

V-nummers:[nummers]


uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 18 december 2014 in de zaak tussen

[naam 1], eiser 1, geboren [geboortedatum], ook te noemen: eiser,
[naam 2], eiser 2, geboren [geboortedatum],

[naam 3], eiser 3, geboren [geboortedatum],

[naam 4], eiser 4, geboren [geboortedatum],

[naam 5], eiser 5, geboren [geboortedatum],

[naam 6], eiser 6, geboren [geboortedatum],

gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. D.W. Beemers,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

daaronder mede begrepen diens rechtsvoorgangers, verweerder,

gemachtigde: mr. F.M. Ticheler.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 februari 2013 (bestreden besluit 1), waarbij het bezwaar tegen het besluit tot afwijzing van de aanvraag tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ongegrond is verklaard.

Eiser 1 heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 april 2014 (bestreden besluit 2), waarbij het bezwaar tegen het besluit tot afwijzing van de opvolgende aanvraag tot afgifte van een mvv aan eiser ongegrond is verklaard.

De behandeling van de beroepen ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2014. [naam 7], hierna te noemen: referente, is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A. Yahye, tolk in de Somalische taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten. De termijn voor het doen van uitspraak is eenmaal verlengd.

Overwegingen

1. Eisers hebben de Somalische nationaliteit. Referente, die eveneens de Somalische nationaliteit heeft, heeft gesteld dat zij de biologische moeder van eisers is. Ze is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voor de periode van 30 november 2010 tot 30 november 2015.


Op 15 november 2011 hebben eisers een aanvraag tot afgifte van een mvv met als doel ‘gezinshereniging in het kader van nareis’ ingediend. Op 25 juni 2012 zijn op de Nederlandse ambassade te Addis Abeba, Ethiopië, aan de echtgenoot van referente en aan eisers identificerende vragen gesteld om hun identiteit en de gestelde gezinsband tussen betrokkenen en referente te kunnen vaststellen. Op 10 juli 2012 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Referente is op 13 december 2012 in bezwaar gehoord door de ambtelijke commissie. Bij bestreden besluit 1 heeft verweerder het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard. Op 4 maart 2013 hebben eisers hiertegen beroep ingesteld.

3. Op 1 maart 2013 hebben eisers een opvolgende mvv-aanvraag bij de Nederlandse ambassade in Addis Abeba (Ethiopië) ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 16 april 2013 afgewezen.

4. Op 7 november 2013 heeft referente ten behoeve van eisers 2 tot en met 6 een opvolgende aanvraag tot afgifte van een mvv ingediend. Bij besluit van 17 februari 2014 heeft verweerder een mvv verleend aan de vijf jongste kinderen van referente, eiser 2 tot en met eiser 6.

5. Op 8 november 2013 heeft referente een opvolgende aanvraag tot afgifte van een mvv ten behoeve van eiser 1 ingediend. Bij afzonderlijk besluit van 17 februari 2014 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

6. Bij bestreden besluit 2 is het bezwaar van eiser 1 daartegen ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiser ten tijde van onderhavige aanvraag meerderjarig was. Gelet op het beleid zoals neergelegd in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV) 2013/13, bestaat enkel een feitelijke gezinsband tussen de hoofdpersoon en een meerderjarig biologisch kind als sprake is van een meer dan normale emotionele afhankelijkheid tussen ouders en een meerderjarig biologisch kind. De omstandigheid dat eiser 19 jaar is en naar zijn zeggen financieel afhankelijk is van referente, de bescherming van het gezin waarin hij is opgegroeid nu mist en geen eigen gezin heeft gesticht, geeft geen blijk van bijzondere afhankelijkheid die de grenzen van een normale afhankelijkheid overstijgt, aldus verweerder.

7. Eiser 1 heeft in beroep onder meer betoogd dat verweerder van een onjuist peilmoment voor de bepaling van de meerderjarigheid van eiser 1 uitgaat. Bepalend is het moment waarop referente het land van herkomst heeft verlaten en niet de datum van de onderhavige aanvraag, aldus eiser 1. Referente heeft verklaard dat zij op 12 januari 2010 vanuit [woonplaats] naar Addis Abeba is gereisd. Eiser 1 was op dat moment nog minderjarig. Eiser 1 is verder van mening dat WBV 2013/13 een wijziging van recht inhoudt, die gunstiger is voor eiser 1 en derhalve voor hem van toepassing is. Tenslotte stelt eiser 1 zich op het standpunt dat sprake is van een meer dan normale, emotionele afhankelijkheid tussen referente en eiser 1.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Beide beroepen.

8. De rechtbank stelt allereerst vast dat de gemachtigde van eisers ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat eisers 2 tot en met 6 hun beroep tegen het bestreden besluit 1 intrekken. Eiser 1 (verder te noemen: eiser) handhaaft zijn beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2.

9. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank allereerst een oordeel geven over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit 2.

Het beroep tegen bestreden besluit 2.

10. De rechtbank acht het bestreden besluit 2 van gelijke strekking als het bestreden besluit 1, nu beide besluiten strekken tot afwijzing van een mvv-aanvraag van eiser sub 1 voor verblijf bij referente in het kader van nareis.

11. Uit het ne-bis-in-idembeginsel vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit materieel een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus door betrokkene aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, door de bestuursrechter worden getoetst. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45) voordoen.

12. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (hierna: nova) moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

13. Ter beoordeling ligt de vraag voor of het beleid van verweerder, zoals gewijzigd bij WBV 2013/13, een voor eiser relevante wijziging van het recht inhoudt. Naar het oordeel van de rechtbank houdt dit WBV geen wijziging van het recht in die gunstig is voor meerderjarige kinderen. De vraag is vervolgens wat het peilmoment is voor de bepaling van de meerderjarigheid.

14. Volgens WBV 2013/13 – voor zover hier relevant – moet de hoofdpersoon in Nederland aantonen dat zijn kinderen in het land van herkomst al feitelijk tot zijn gezin hebben behoord en dat die feitelijke gezinsband niet is verbroken. Er is altijd sprake van gezinsleven tussen ouders en minderjarige biologische kinderen in de zin van artikel 8 van het EVRM. Als sprake is van gezinsleven, wordt aangenomen dat het minderjarige biologische kind feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin. Het uitgangspunt is dat voor biologische minderjarige kinderen geldt dat de biologische band tussen ouder(s) en het kind als feitelijke gezinsband wordt aangemerkt.

15. De rechtbank leidt hieruit af dat voor de bepaling van de meerderjarigheid moet worden gekeken naar het moment waarop referente het land van herkomst heeft verlaten. Dat moment is immers van belang voor de vraag of een feitelijke gezinsband moet worden aangenomen. Op grond van de processtukken constateert de rechtbank het volgende. Referente heeft in het kader van haar asielprocedure tijdens het eerste gehoor op 30 november 2010 verklaard dat zij op 12 januari 2010 vanuit [woonplaats], haar woonplaats, naar Addis Abeba in Ethiopië is vertrokken. Zij heeft per vliegtuig en auto gereisd. Daar heeft zij tien maanden verbleven. Op 21 oktober 2010 is ze vanuit Addis Abeba naar Nederland gevlogen. De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat referente rond half januari 2010 Somalië heeft verlaten. Gelet op de gestelde geboortedatum van eiser, [geboortedatum], was eiser toen minderjarig.


Ingevolge het nieuwe beleid geldt voor eiser - minderjarig op het moment dat referente Somalië verliet - dat een feitelijke gezinsband moet worden aangenomen indien sprake is van een biologische band met referente. WBV 2013/13 houdt daarom voor eiser relevant nieuw recht in. De rechtbank komt toe aan toetsing van het bestreden besluit 2.

17. In het bestreden besluit 2 is het standpunt ingenomen dat eiser als meerderjarige niet voldoet aan het in het WBV 2013/13 neergelegde vereiste dat enkel een feitelijke gezinsband tussen de hoofdpersoon en een meerderjarig biologisch kind wordt aangenomen als sprake is van een meer dan normale emotionele afhankelijkheid tussen ouders en een meerderjarig biologisch kind. Gelet op het hiervoor overwogene is deze motivering naar het oordeel van de rechtbank ondeugdelijk. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de overige door eiser aangevoerde gronden in dit beroep.

18. Het beroep van eiser tegen bestreden besluit 2 wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit 2 wordt vernietigd wegens schending van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het beroep tegen bestreden besluit 1.

19. De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen het bestreden besluit 1. Eiser verblijft immers niet in Nederland en kan door het instellen van dit beroep niet bereiken dat hij eerder toelating krijgt dan na toepassing van het nieuwe beleid, zoals neergelegd in WBV 2013/13. Het beroep van eiser tegen bestreden besluit 1 is daarom niet-ontvankelijk.

Proceskosten.

20. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten met betrekking tot het beroep tegen bestreden besluit 2. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 974 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond;

- vernietigt bestreden besluit 2;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt;

- verklaart het beroep van eiser tegen bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser met betrekking tot het beroep tegen bestreden besluit 2, ad € 974 (negenhonderdvierenzeventig euro), te betalen aan eiser;

- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht met betrekking tot het beroep tegen bestreden besluit 2, ad € 165 (honderdvijfenzestig euro), aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van

M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 december 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.