Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15504

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
C-09-466719 - FA RK 14-3998
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De vrouw heeft op aanzienlijk ruimere voet heeft geleefd dan in overeenstemming was met haar huwelijkse behoefte. Van de man kan niet kan worden gevergd dat hij opnieuw gaat bijdragen aan de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2015-0003
JIN 2015/32 met annotatie van P.A. den Hollander

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 14-3998

Zaaknummer: C/09/466719

Datum beschikking: 15 december 2014

Alimentatie

Beschikking op het op 28 mei 2014 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. M.A.B. Sassen te ‘s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende te[woonplaats],

advocaat: mr. R.A.M. Kamphuis-Jansen van Rosendaal te Leiden.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    het F9 formulier d.d. 11 november 2014 met bijlagen van de zijde van de man;

  • -

    het faxbericht d.d. 12 november 2014 met bijlagen van de zijde van de vrouw.

Op 17 november 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen met hun advocaten. Van de zijde van de man zijn pleitnotities en nadere stukken overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man luidt thans:

  • -

    de in het convenant van 7 oktober 2003 (artikel 1 en 2) opgenomen overeenkomst betreffende partneralimentatie per 1 januari 2009 in te trekken of te wijzigen in die zin dat de man vanaf 1 januari 2009 geen partneralimentatie meer aan de vrouw verschuldigd is;

  • -

    althans subsidiair, te bepalen dat de man vanaf 1 januari 2009 tot de datum van indiening van dit verzoekschrift geen partneralimentatie aan de vrouw verschuldigd is en vanaf heden, althans vanaf 1 juni 2014, als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van nihil, althans van maximaal een bedrag van € 450,00 per maand aan de vrouw zal betalen in aanvulling op het in redelijkheid vast te stellen verdienvermogen van de vrouw van (€ 4.012,00 - € 450,00 =) € 3.562,00 bruto per maand;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

De man stelt als grond voor dit verzoek een wijziging van omstandigheden waardoor na te melden beschikking niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven.

Indien een verzoek of verweer gedeeltelijk of geheel is ingetrokken of aangepast, wordt in de beschikking uitsluitend melding gemaakt van het verzoek of verweer zoals dat thans luidt.

Daartoe is opgenomen de tekst ‘zoals dat thans luidt’ of ‘thans nog’.

De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum huwelijk] tot [datum echtscheiding].

- Partijen hebben een echtscheidingsconvenant d.d. 7 oktober 2003 opgesteld waarin, voor zover hier van belang, het volgende is bepaald:

Artikel 1: Alimentatie vrouw

1.1.

De man zal met ingang van de maand waarin de vrouw over zelfstandige huisvesting beschikt, maandelijks bij vooruitbetaling aan de vrouw een bruto alimentatie van € 1.400 voldoen.

1.2.

De in artikel 1.1 bepaalde alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW, voor het eerst op 1 januari 2004.

1.3.

Partijen zijn ervan op de hoogte dat de alimentatieplicht van de man volgens de wettelijke bepalingen (maximaal) twaalf jaar duurt, te rekenen vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk.

(…)

Artikel 2: Eigen inkomsten vrouw

Ten tijde van de vaststelling van de onderhavige bruto aanvullende partneralimentatie bedroeg het bruto jaarinkomen van de vrouw € 23.000,00 (€ 1.810,59 bruto per maand). Gaat de vrouw meer verdienen dan zal dit tot een bedrag ad € 2.010,59 bruto per maand geen gevolgen hebben voor de alimentatie. Gaat de vrouw meer dan € 2.010,59 bruto per maand verdienen dan zal de man gerechtigd zijn om van het meerdere 80% op de maandelijks bruto verschuldigde partneralimentatie in mindering te mogen brengen. Bovenvermeld bedrag ad €2.010,59 zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in art. 1:402a BW, voor het eerst op 1 januari 2004.”

- Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 5 november 2003 is voor zover hier van belang de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Tevens is voormeld echtscheidingsconvenant aangehecht en zijn de daarin tussen partijen getroffen regelingen opgenomen.

- Bij vonnis in kort geding d.d. 11 juli 2014 is de vordering van de vrouw om de man te veroordelen tot betaling van de door hem aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie op grond van het in de beschikking van 5 november 2003 opgenomen echtscheidingsconvenant, ter hoogte van € 1.697,84 bruto per maand, op straffe van verbeurte van een dwangsom, afgewezen.

- Als gevolg van de wijziging van rechtswege ingevolge artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de man te betalen partneralimentatie thans € 1.697,84 per maand.

Beoordeling

Partneralimentatie

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 1:401, eerste lid, BW kan een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Ontvankelijkheid

Nu de man een wijziging van omstandigheden in de zin van artikel 1:401 lid 1 BW stelt, te weten dat de vrouw niet behoeftig meer is, en dat hij met instemming van de vrouw vanaf 2005 geleidelijk minder partneralimentatie is gaan betalen en in 2009 eveneens met instemming van de vrouw geheel gestopt is met het betalen van partneralimentatie, is hij ontvankelijk in zijn verzoek. De rechtbank zal hierna ingaan op de stellingen van partijen en bezien of de gestelde wijziging van omstandigheden aanleiding geeft tot aanpassing van de alimentatie.

Inhoudelijke beoordeling

De man heeft gesteld dat hij met instemming van de vrouw vanaf 2005, op basis van door de vrouw aan de man verstrekte looninformatie, geleidelijk minder partneralimentatie is gaan betalen, aangezien het inkomen van de vrouw jaarlijks is gestegen. Vanaf 2009 heeft de man in het geheel geen partneralimentatie meer aan de vrouw betaald. De vrouw heeft hier nimmer tegen geprotesteerd en vanaf 2009 is zij gestopt met het verstrekken van looninformatie.

De man heeft voorts aangevoerd dat de vrouw vanaf 2008 ruim meer inkomen heeft genoten dan het uit het convenant af te leiden geindexeerde maximale plafond van € 4.012,00 per maand (€ 48.144,00 per jaar), los van het over die jaren opgespaarde bedrag van € 140.000,00. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw sindsdien niet langer behoeftig is. De vrouw heeft voldoende reserves opgebouwd om de aanspraak die zij maakt op partneralimentatie over de resterende periode van twaalf jaar (tot uiterlijk 17 november 2015) daaruit zelf te betalen.

De man heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat de vrouw niet aangetoond heeft dat zij zich sinds de stopzetting van haar onderneming en activiteiten tot het uiterste heeft ingespannen om weer eigen inkomen te verwerven.

Daarnaast heeft de man nog gesteld dat de huidige werkloosheid van de vrouw niet gezien kan worden als economisch nadeel als gevolg van het huwelijk tussen partijen.

Ten slotte heeft de man gesteld dat hij de destijds afgesproken aanvullende bijdrage niet meer kan betalen. Zijn inkomen is de afgelopen jaren niet verhoogd en hij is voornemens met zijn huidige – op dit moment – werkloze partner te gaan samenwonen, hetgeen tot een verlaging van zijn draagkracht zal leiden.

Ter zitting heeft de man zijn stelling dat het de bedoeling van partijen is geweest om in het convenant vast te leggen dat de geleidelijke vermindering van partneralimentatie onomkeerbaar is, ingetrokken.

De vrouw heeft betwist dat zij haar goedkeuring heeft gegeven aan de geleidelijke afbouw van betaling van partneralimentatie door de man. Haar goedkeuring is nooit gevraagd door de man.

De vrouw heeft gesteld dat zij vanaf 2007 tot en met 2011in BV-vorm consultancywerkzaamheden heeft verricht voor overheidsinstellingen. De BV is op advies van haar accountant in de loop van 2011 beëindigd en zij heeft toen haar werkzaamheden voortgezet binnen haar eenmanszaak. Opdrachten vielen door de crisis weg. Sinds 2013 ontvangt zij geen opdrachten meer. Zij teert sinds 2011 in op de door haar opgebouwde reserves, die inmiddels volledig uitgeput zijn. Zij heeft zich tot op heden vergeefs ingespannen om eigen inkomen te verwerven.

Ter terechtzitting heeft de vrouw desgevraagd bevestigd dat er jaren zijn geweest dat haar inkomen zo hoog was dat, conform het convenant, de man betaling van partneralimentatie achterwege had kunnen laten.

De rechtbank overweegt als volgt.

In deze procedure staat, gelet op het bepaalde in artikel 1:401, eerste lid, BW, de rechtbank voor de vraag of hetgeen partijen in het convenant ten aanzien van de partneralimentatie zijn overeengekomen door wijziging van omstandigheden niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

De rechtbank verwerpt de stelling van de man dat hij de aanvullende bijdrage aan de vrouw niet meer kan betalen. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit de door de man ter zitting overgelegde draagkrachtberekening, na correctie van de ter zitting vastgestelde onjuistheden (voor zoveel het betreft het verplicht eigen risico ziektekosten en de bijdrage in de kosten van kinderen waarbij in plaats van de maandbedragen de jaarbedragen zijn ingevuld) niet blijkt dat de man geen draagkracht heeft om partneralimentatie te betalen. De stelling van de man dat hij het voornemen heeft met zijn huidige werkloze partner te gaan samenwonen kan hem evenmin baten, alleen al omdat dit nog slechts een voornemen betreft.

De stelling van de man dat de huidige werkloosheid van de vrouw niet kan worden gezien als economisch nadeel als gevolg van het huwelijk tussen partijen snijdt wel hout. Op zich hoeft dat echter niet te betekenen dat daardoor de alimentatieverplichting van de man eindigt, maar moet dit worden bezien in het licht van de overige omstandigheden. Dienaangaande overweegt de rechtbank dat de vrouw een door haar accountant opgemaakt overzicht heeft overgelegd waarin over de jaren 2008 tot en met 2011 zijn vermeld de omzet van, het vermogen in, en het resultaat en het salaris uit haar BV’s. Over de jaren 2012 en 2013 vermeldt het overzicht de omzet uit, het vermogen in en de belastbare winst uit haar eenmanszaak. Dit overzicht ziet er als volgt uit:

Omzet

Vermogen

Resultaat

Salaris

Belastbare winst uit onderneming

2008 BV’s

103.428

39.370

21.370

56.792

2009 BV’s

119.458

85.845

46.475

51.353

2010 BV’s

93.283

107.946

22.832

61.642

2011 BV’s

58.668

94.987

-12.959

61.888

2012 Eenmanszaak

35.535

26.271

18.385

2013

Eenmanszaak

558

4.970

-10.449

Tussen partijen is niet in geschil dat het inkomen van de vrouw nadat de partneralimentatie was vastgesteld aanzienlijk is gestegen. In samenhang hiermee is de rechtbank met de man van oordeel dat de man uit het niet piepen door de vrouw toen hij geleidelijk minder en uiteindelijk helemaal geen alimentatie meer betaalde heeft mogen afleiden dat de vrouw daarmee stilzwijgend instemde. Vast staat dat het salaris van de vrouw in de jaren 2008 tot en met 2011 (aanzienlijk) hoger was dan het (geïndexeerde) bedrag aan eigen inkomsten plus partneralimentatie waar partijen in het convenant van zijn uitgegaan. Bovendien heeft de vrouw tot en met het jaar 2010 in haar BV’s uit het resultaat vermogen kunnen vormen. Dat de reserves van de vrouw thans zijn uitgeput is slechts zeer ten dele (22%; vgl. art. 2.12 Wet IB 2001) te verklaren uit de omstandigheid dat de vrouw bij het beëindigen van de BV waarvan zij de aandelen bezat over de reserves als inkomen uit aanmerkelijk belang fiscaal heeft moeten afrekenen. Voor het overige duidt dat er op dat de vrouw in de periode dat het haar zakelijk goed ging en ook daarna nog op aanzienlijk ruimere voet heeft geleefd dan in overeenstemming was met haar huwelijkse behoefte. Dat was uiteraard haar goed recht, maar brengt naar het oordeel van de rechtbank wel met zich dat het aan haarzelf te wijten en ook haar risico is dat zij nu niet meer in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Die omstandigheid leidt de rechtbank tot het oordeel dat van de man niet kan worden gevergd dat hij opnieuw gaat bijdragen aan de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft zich gelet op het voorgaande een rechtens relevante wijziging van omstandigheden voorgedaan waardoor hetgeen partijen in het convenant ten aanzien van de partneralimentatie zijn overeengekomen heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen. De rechtbank zal het verzoek van de man derhalve toewijzen in die zin dat de rechtbank de bijdrage van de man aan de kosten van levensonderhoud van de vrouw op nihil zal stellen. De rechtbank zal de ingangsdatum op 1 januari 2009 bepalen, nu deze datum door de vrouw niet is weersproken. Het meer of anders verzochte ten aanzien van de partneralimentatie zal de rechtbank afwijzen.

Proceskosten

(alleen opnemen indien kostenveroordeling is verzocht)

Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking d.d. 5 november 2003 van deze rechtbank en de daarin opgenomen onderling getroffen regeling d.d. 7 oktober 2003:

bepaalt de door de man met ingang van 1 januari 2009 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

(alleen opnemen indien kostenveroordeling is verzocht)

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.M. Braun in tegenwoordigheid van mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 december 2014.