Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15472

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-12-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
C-09-4767037 FA RK 14-8353
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vader verzoekt teruggeleiding van zijn 13 jarige dochter naar Spanje. De vader heeft een woning in Spanje en een woning in Nederland. Hij verblijft veelvuldig (in elk geval 40% of meer van zijn tijd) in Nederland. Voor contact met de minderjarige reisde de vader heen en weer tussen Nederland en Spanje. Wanneer de minderjarige in Nederland blijft, blijft het contact tussen de vader en de minderjarige onverminderd in stand.

Het verzoek wordt afgewezen in verband met verzet van de minderjarige. In Spanje woonde de minderjarige in een internationale omgeving die zich kenmerkte door luxe en onechtheid, bezocht zij een internationale school waarop zij slechts 1 (Engelse) vriendin had en waar zij met de auto naar toe werd gebracht en ook weer met de auto werd opgehaald en was er geen mogelijkheid voor de uitoefening van sport of hobby’s, waarin zij is geïnteresseerd. Bovendien spreekt de minderjarige nauwelijks Spaans.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 14-8353

Zaaknummer: C/09/476037

Datum beschikking: 8 december 2014

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 28 oktober 2014 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,

volgens het systeem ingevolge de Wet BRP wonende te [woonplaats],

maar volgens hemzelf verblijvende te Spanje,

advocaat: mr. P. Dorhout te Egmond aan den Hoef.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. W.A. van der Stroom-Willemsen te Rotterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

- de brief d.d. 21 november 2014, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

- een faxbericht d.d. 24 november 2014 van de zijde van de moeder.

Op 6 november 2014 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Het betrof hier een regiezitting met het oog op crossborder mediation in internationale kinderontvoeringszaken met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. J. Visser. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden.

Na genoemde regiezitting hebben de vader en de moeder getracht door middel van crossborder mediation, gefaciliteerd door het Mediation Bureau van het Centrum Internationale Kinderontvoering, tot een minnelijke regeling te komen. Op

10 november 2014 heeft het Mediation Bureau de rechtbank bericht dat de mediation tussen partijen niet is geslaagd.

De minderjarige is op 24 november 2014 in raadkamer gehoord.


Op 24 november 2014 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Beide partijen hebben ter zitting pleitnotities overgelegd. De moeder heeft tevens nadere stukken overgelegd. Deze stukken, die ook zijn ingekomen per fax op 24 november 2014, heeft de moeder op 25 november 2014 gecompleteerd, door toezending van een ontbrekende, bij de wederpartij bekende pagina.

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht, de terugkeer van de minderjarige naar Spanje te gelasten, uiterlijk een week na de te wijzen beschikking, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Spanje, en te bevelen, indien de moeder in die periode nalaat de minderjarige terug te brengen, dat de moeder de minderjarige met het benodigde geldige paspoort aan de vader zal afgeven, uiterlijk een week na de te wijzen beschikking, opdat hij de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Spanje, en de minderjarige voorlopig aan hem toe te vertrouwen ter teruggeleiding naar Spanje (de rechtbank begrijpt dat de vader bedoelt de minderjarige aan hem af te geven zodra zijn verzoek tot terugkeer wordt toegewezen), met veroordeling van de moeder in de kosten van de procedure, een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna

– voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen hebben op [datum] te [plaats] met elkaar een geregistreerd partnerschap gesloten.

- Op [geboortedatum] is te [geboorteplaats] het thans nog minderjarige kind: [de minderjarige] hierna: [de minderjarige]), geboren.

- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.

- Partijen en [de minderjarige] hebben de Nederlandse nationaliteit.

- Sinds 2005 woont [de minderjarige] in Spanje. Sinds partijen niet meer samenwonen in Spanje, was [de minderjarige] een lang weekend per veertien dagen bij haar vader in Spanje.

- Op 1 mei 2014 heeft de vader een verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap ingediend bij de rechtbank Amsterdam, bij welk verzoekschrift de vader een concept ouderschapsplan heeft gevoegd.

- Medio oktober 2014 is de moeder met [de minderjarige] van Spanje naar Nederland vertrokken.

Beoordeling

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Spanje zijn partij bij het Verdrag.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Gewone verblijfplaats en gezagsrecht

Niet in geschil is dat [de minderjarige] onmiddellijk voor haar overbrenging naar Nederland haar gewone verblijfplaats in Spanje had. Evenmin in geschil is dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien de overbrenging niet had plaatsgevonden. Tussen partijen is in geschil of de overbrenging van [de minderjarige] is gebeurd met toestemming van de vader.

De moeder erkent dat zij voordat zij in oktober 2014 met [de minderjarige] uit Spanje vertrok de toestemming van de vader om te vertrekken niet heeft gevraagd. Zij achtte dat niet noodzakelijk omdat in het ouderschapsplan (door de vader in concept opgesteld en door de moeder op enkele punten aangepast, maar nog niet door partijen ondertekend) is opgenomen dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben en dat het – afhankelijk van waar zij naar school gaat – in het belang van [de minderjarige] is dat haar hoofdverblijfplaats in de omgeving van [plaats Spanje] of[plaats] zal zijn. De moeder stelt voorts dat op 19 november 2014, in een gesprek van partijen met hun adviseur in de procedure strekkende tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap, tot uitgangspunt is genomen dat [de minderjarige] en de moeder verblijfplaats zullen houden in Nederland en dat [de minderjarige] de internationale school in [plaats] zal bezoeken. Op grond hiervan stelt de moeder dat de vader de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland bij indiening van zijn verzoekschrift tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap met bijgaand ouderschapsplan bij de rechtbank Amsterdam op 1 mei 2014 reeds heeft aanvaard, en dat het haar derhalve vrijstond om uit Spanje te vertrekken.

De vader betwist de stelling van de moeder. Hij stelt dat het de bedoeling van partijen was dat [de minderjarige], alvorens naar Nederland te vertrekken, de middelbare school, en in elk geval het schooljaar 2014/2015 in [plaats Spanje], zou afmaken. Hij heeft voorts gesteld dat hetgeen in het ouderschapsplan ter zake van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] is opgenomen niet eerder aan de orde zou zijn dan wanneer [de minderjarige] daadwerkelijk zou verhuizen, hetgeen alleen in onderling overleg zou geschieden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit het door de vader bij zijn verzoek tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap overgelegde ouderschapsplan, niet méér worden afgeleid dan dat de mogelijkheid werd opengelaten van een wisseling van verblijfplaats van [de minderjarige].

In de artikelen 2 en 3.12 van het ouderschapsplan staat vermeld dat bij een voorgenomen verhuizing de ouders overleg met elkaar moeten voeren. De moeder heeft erkend dat dat overleg voorafgaand aan het vertrek uit Spanje in oktober 2014 strikt genomen niet heeft plaatsgevonden.

Aldus komt de rechtbank tot de conclusie dat de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader. De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Op grond van lid 2 van artikel 12 van het Verdrag wordt de terugkeer van een kind gelast, zelfs als de termijn van één jaar is verstreken, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [de minderjarige] in Nederland is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [de minderjarige] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub a en b en artikel 13 lid 2 van het Verdrag. De rechtbank overweegt als volgt.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag: berusting

Op grond van artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat de persoon die de zorg had voor de persoon van het kind het recht betreffende het gezag niet daadwerkelijk uitoefende ten tijde van de overbrenging of het niet doen terugkeren, of naderhand in deze overbrenging of het niet doen terugkeren had toegestemd of berust.

De moeder heeft ook in dit verband gewezen op de inhoud van het ouderschapsplan en gesteld dat partijen tijdens hun bespreking op 19 november 2014 als uitgangspunt hebben genomen dat [de minderjarige] en de moeder verblijfplaats zullen houden in Nederland en dat [de minderjarige] de internationale school in [plaats] zal bezoeken. De vader heeft de interpretatie van het ouderschapsplan door de moeder betwist en hij heeft ontkend te hebben berust in de overbrenging.

De rechtbank stelt voorop dat berusting niet snel kan worden aangenomen. Om te beoordelen of sprake is van berusting dienen alle omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen. Beslissend is of uit objectieve omstandigheden kan worden afgeleid dat de vader heeft aanvaard dat het hoofdverblijf van de minderjarige voortaan in Nederland zou zijn. Daarbij dient gekeken te worden naar de gedragingen van de achtergebleven ouder zelf, zowel in actieve als in passieve zin, en niet alleen naar de wijze waarop anderen deze gedragingen hebben opgevat.

De rechtbank is – gezien ook hetgeen hiervoor ten aanzien van de toestemming tot overbrenging is overwogen - van oordeel dat de moeder, in het licht van de betwisting door de vader en gelet op de inhoud van de artikelen 2 en 3.12 van het ouderschapsplan (waarin kort gezegd staat vermeld dat onder meer een verhuizing steeds zo mogelijk tijdig vooraf onderwerp van overleg tussen de ouders vormt), en de indiening van het onderhavige verzoek van de vader binnen een maand na vertrek van de moeder met [de minderjarige] uit Spanje, onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld om tot de conclusie te kunnen komen dat de vader na de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland in oktober 2014 in die overbrenging heeft berust of daarvoor naderhand zijn toestemming heeft gegeven.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat het beroep van de moeder op de weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag faalt.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 2 van het Verdrag

Ingevolge artikel 13 lid 2 van het Verdrag kan de rechtbank eveneens weigeren de terugkeer van het kind te gelasten, indien zij vaststelt dat het kind zich verzet tegen zijn terugkeer en een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt, die rechtvaardigt dat met zijn mening rekening wordt gehouden.

De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat deze weigeringsgrond zich voordoet, nu [de minderjarige] haar duidelijk te kennen heeft gegeven niet naar Spanje te willen terugkeren. Volgens de moeder komt hetgeen [de minderjarige] wenst overigens overeen met de wens van partijen, hetgeen ook blijkt uit de inhoud van voormeld ouderschapsplan en de talloze keren dat de partijen met elkaar de terugkeer van [de minderjarige] en de moeder naar Nederland hebben besproken (laatstelijk op 19 november 2014), nu partijen in verband met het beheer van hun gezamenlijke vastgoedportefeuille, alles gelegen in [plaats], veelvuldig (de vader zelfs meer dan de helft van zijn tijd) in Nederland doorbrengen en [de minderjarige] alsdan in Spanje achterblijft bij een van partijen of bij iemand die [de minderjarige] daar dan opvangt. De moeder ziet zich, gelet op de door de vader in Nederland in gang gezette ontbinding van het geregistreerd partnerschap en de vastgoedportefeuille van partijen genoodzaakt om uit Spanje te vertrekken en zich permanent in Nederland te vestigen. Nu ook de vader doorgaans niet in Spanje woont, zal [de minderjarige], wanneer zij moet terugkeren naar Spanje, terugkeren naar een niet bestaande familiale omgeving en moeten wonen bij de vader (die echter meestal in Nederland is) en diens nieuwe gezin (huidige vriendin van de vader en haar twee kinderen), alwaar [de minderjarige] zich altijd verloren heeft gevoeld en waar zij geenszins wil wonen. Bovendien, zo stelt de moeder, vindt [de minderjarige] de sfeer waarin zij in Spanje opgroeit, en met name in [plaats Spanje], onecht, en leeft [de minderjarige] daar in de cocon van de aldaar aanwezige Nederlandse gemeenschap. Bovendien is [de minderjarige] momenteel vanwege de door de vader in gang gezette procedure erg boos op de vader, waardoor een terugkeer van [de minderjarige] naar [plaats Spanje] op dit moment, alleen al om die reden, niet gewenst is, aldus de moeder.

De vader heeft de stelling van de moeder weersproken met de stelling dat zijn relatie met [de minderjarige] altijd goed is geweest en dat het door de moeder gesuggereerde verzet van [de minderjarige] daarom moet zijn ingegeven door de moeder. Volgens de vader was [de minderjarige] in Spanje zielsgelukkig, bezocht zij daar gedurende de negen jaar dat zij inmiddels in Spanje woonde met veel plezier en succes de internationale school, en had [de minderjarige] het altijd fijn in de door hem gehuurde villa met zwembad, waar hij met zijn vriendin en haar twee kinderen al meer dan anderhalf jaar in familiesfeer en zeer harmonieus samenwoont. In [plaats Spanje] genoot [de minderjarige] een fijn en zeer vertrouwd opvoedingsklimaat.

De rechtbank heeft op 24 november 2014 met [de minderjarige] gesproken.

Kort weergegeven vertelde [de minderjarige] het leven in Spanje te haten en op dit moment erg boos op de vader te zijn. Zij begreep werkelijk niet waarom de vader deze procedure is gestart, dit terwijl hij juist graag wilde dat zij in Nederland zou komen wonen. In Spanje zag zij haar vader eenmaal per veertien dagen een paar dagen, waarvoor hij vanuit Nederland naar Spanje reisde. Daarnaast bezocht zij de vader in de vakantie in Nederland. Naar de mening van [de minderjarige] kan dit contact in Nederland gewoon worden voortgezet en wordt het voor haar en de vader nu juist veel gemakkelijker om elkaar te zien. Zij bezoekt thans een (internationale) school in [plaats] die precies aansluit op de opleiding en het niveau in Spanje, heeft vriendinnen op school en kan zich in Nederland vrij bewegen en de activiteiten doen waarvan zij houdt. Op school gaat het goed. In [plaats Spanje] woonde zij in een omgeving die zich kenmerkte door luxe en onechtheid, bezocht zij de internationale school waarop zij slechts één (Engelse) vriendin had en waar zij met de auto naar toe werd gebracht en ook weer met de auto werd opgehaald en was er geen mogelijkheid voor de uitoefening van sport of hobby’s, waarin zij is geïnteresseerd. Volgens [de minderjarige] spreekt zij nauwelijks Spaans. [de minderjarige] heeft uitdrukkelijk aangegeven niet terug te willen keren naar Spanje, zeker niet wanneer de moeder niet naar Spanje terugkeert. Zij ziet haar toekomst in Nederland en wil na haar middelbare school in Nederland gaan studeren. Vanaf het moment dat zij met de moeder naar Nederland is vertrokken heeft zij de vader niet gezien, hetgeen zij betreurt, want zij zou hem graag willen bezoeken en het gezellig met hem willen hebben. Zij heeft hem wel telefonisch en via what’s app gesproken en van hem begrepen dat hij wil dat zij haar school in Spanje afmaakt.

De rechtbank heeft tijdens het gesprek met [de minderjarige] geconstateerd dat sprake is van een zodanige leeftijd en mate van rijpheid van [de minderjarige] dat rekening met haar mening dient te worden gehouden. [de minderjarige] was erg verdrietig over het conflict tussen haar ouders en erg emotioneel. Zij heeft de rechtbank de indruk gegeven in haar verklaring zeer authentiek te zijn en vrijuit en onbelast te spreken. Het verzoek tot teruggeleiding van [de minderjarige] naar Spanje wordt om deze reden afgewezen.

De rechtbank overweegt hierbij bovendien dat de achtergrond van het Verdrag uiteindelijk is gelegen in het waarborgen van het contact tussen de achterblijvende ouder en de minderjarige. Nu vast staat dat de vader – wat er ook zij van zijn formele hoofdverblijfplaats – veelvuldig (in ieder geval 40 procent of meer van zijn tijd) in Nederland verblijft, kan niet worden gezegd dat het contact tussen de vader met de overbrenging van de minderjarige naar Nederland niet kan worden gewaarborgd. Immers, ook in Nederland kan invulling worden gegeven aan de zorgregeling.

Nu de rechtbank de teruggeleiding van [de minderjarige] naar Spanje zal afwijzen, behoeft hetgeen door partijen overigens ter zake van het verzoek tot teruggeleiding is gesteld geen verdere bespreking.

Partijen hebben over en weer verzocht de ander te veroordelen in de (proces)kosten.

Nu sprake is van de door de vader gestelde ongeoorloofde overbrenging van de minderjarige, doch de omstandigheden in deze zaak niet leiden tot een terugkeer van de minderjarige naar Spanje, zijn beide partijen deels door de rechtbank in het gelijk gesteld. De rechtbank zal derhalve de verzoeken van partijen afwijzen en de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot teruggeleiding van [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], naar Spanje;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M.A. Keulen, J.M. Vink en W.G. de Boer, tevens kinderrechters, bijgestaan door V. van den Hoed-Koreneef als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 december 2014.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.