Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15455

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
16-12-2014
Zaaknummer
C-09-468902 - HA RK 14-329
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Aansprakelijkheid ex artikel 6:170 BW voor ongeval met pallettruck staat vast. Geen sprake van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 BW. Begroting van en veroordeling in kosten deelgeschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2016/26
AR-Updates.nl 2014-1076
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rekestnummer: C/09/468902 / HA RK 14-329

Beschikking van 14 oktober 2014

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. J. Schep te Amersfoort,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ROYAL HOITSEMA LABELS B.V.,

gevestigd te Groningen,

2. de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

verweersters,

procesadvocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

behandelend advocaat mr. A.T. Stevens te Rotterdam.

Partijen worden hierna afzonderlijk [verzoeker], Hoitsema en Reaal genoemd. Hoitsema en Reaal worden gezamenlijk aangeduid als verweersters.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, ter griffie ingekomen op 2 juli 2014, met producties;

  • -

    het op 28 augustus 2014 ingekomen verweerschrift.

1.2.

Op 2 september 2014 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Hierbij zijn verschenen: [verzoeker] in persoon, bijgestaan door mr. Schep voornoemd, alsmede – van de zijde van verweersters – de heer [schadebehandelaar] (personenschadebehandelaar bij Reaal), bijgestaan door mr. Stevens voornoemd.

1.3.

Ten slotte is een datum voor beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 24 oktober 2011 heeft [verzoeker], als vrachtwagenbestuurder in dienst van Oegema Transport Dedemsvaart B.V., met zijn vrachtwagencombinatie, bestaande uit een truck met oplegger, een uit Duitsland afkomstige lading papier bij Hoitsema afgeleverd.

De oplegger was geladen met 34 pallets, waarop pakken papier waren gestapeld tot circa 1 meter hoogte. De pallets wogen circa 600 kilo per stuk en stonden twee-aan-twee in de vrachtwagen opgesteld. De pallets stonden in het midden van de oplegger tegen elkaar en waren deels met spanbanden gezekerd. Aan weerszijden van de pallets bleef een ruimte van ongeveer 25 cm over tussen de pallets en de binnen-zijkant van de oplegger. Het was de eerste keer dat [verzoeker] bij Hoitsema moest lossen. De pallets werden gelost via de achterdeur van de oplegger. Tijdens het lossen werd [verzoeker] bijgestaan door een werknemer van Hoitsema, te weten de heer [A] (hierna: [A]). [A] maakte hierbij gebruik van een elektrisch aangedreven pallettruck. Op enig moment pakte [A] met de pallettruck aan de linkerzijde (gezien vanuit de rijrichting van de vrachtwagen) twee pallets met papier op en reed achteruit. [verzoeker] bevond zich op dat moment nog in de oplegger om – aan de rechterzijde – een haak van de spanband los te maken. Hiervoor moest hij zich tussen de zijkant van de oplegger en een pallet vooroverbuigen. Tijdens de manoeuvre van [A] haakten de door hem met de pallettruck opgepakte pallets aan de rechterpallet waarnaast [verzoeker] zich bevond, als gevolg waarvan deze pallet verschoof. [verzoeker] raakte hierdoor met zijn hoofd bekneld tussen de pallet en de zijkant van de oplegger (hierna: het ongeval). Als gevolg van dit ongeval heeft [verzoeker] letsel opgelopen.

2.2.

[verzoeker] heeft Hoitsema, in haar hoedanigheid van werkgever van [A], bij e-mail van 7 mei 2012 aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het ongeval.

2.3.

Naar aanleiding van de aansprakelijkstelling door [verzoeker] heeft Reaal, de werkmaterieelverzekeraar van Hoitsema, [B] Personenschade (hierna: [B]) ingeschakeld om een toedrachtsonderzoek uit te voeren. [B] heeft een tweetal rapportages uitgebracht, één op 10 juli 2012 en één op 13 december 2012.

2.4.

In de rapportage van 10 juli 2012 is onder het kopje “Verklaring verzekerde” onder meer het volgende opgenomen:

“Volgens de heer [A] kwam de betreffende lading papier uit Duitsland. Daar is het verplicht om de pallets te zekeren met een spanband. (…) De spanband zit aan de rechterzijde vast aan een ring op de vloer en werd links gespannen. Betrokkene maakte eerst de spanband los en hing deze op in de oplegger. Vervolgens reed de heer [A] steeds een pallet uit de oplegger. Zodra er ruimte kwam maakte betrokkene de volgende rij (van twee) pallets los. Hij stond dan voorover gebogen en moest met zijn arm en hoofd tussen de pallet en de wand van de oplegger reiken.”

2.5.

In de rapportage van 13 december 2012 is een verklaring van [verzoeker] opgenomen. Hierin is, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“De eerste twee pallets waren gezekerd met een band. Links zat de spanner en rechts bij de vloer zat een haak. Ik maakte de eerste band los. De volgende twee pallets stonden niet gezekerd. Een medewerker van Hoitsema loste twee achter elkaar staande pallets met een truck. Ik legde de band aan de zijkant van de oplegger en verliet deze. (…) Vervolgens werden de volgende twee pallets verwijderd. Daarna liep ik de oplegger in en maakte de spanner los. Er werden opnieuw vier pallets gelost. Bij de derde band aangekomen heb ik eerst de spanner (links) losgemaakt. Vervolgens reikte ik met mijn rechterhand naar de haak (rechts) om deze los te maken. Mijn hoofd, rechterarm en schouder zaten op dat moment tussen de opleggerwand en de pallet met papier. Op dat moment haakten de pallets die door de pallettruck werden opgetild en kwam ik klem te zitten met mijn hoofd. Ik kon mij bevrijden en viel vervolgens flauw.”

2.6.

Bij brief van 5 april 2013 heeft Reaal aansprakelijkheid voor 60% erkend. Hierbij heeft Reaal aan de voormalig belangenbehartiger van [verzoeker], voor zover hier van belang, het volgende te kennen gegeven:

“De bestuurder van de pallettruck en uw cliënt waren in overleg bezig met het lossen van de oplegger. Uw cliënt maakte de spanbanden los en de werknemer van onze verzekerde reed vervolgens de pallets uit. Volgens uw cliënt is het gebruikelijk dat hij de oplegger verlaat alvorens de pallet wordt verwijderd (zie uw mail van 17 januari 2013). In dit geval was uw cliënt bezig een volgende spanband lost te maken terwijl de werknemer van onze verzekerde op hetzelfde moment een pallet uitreed en deze vervolgens haakte waardoor uw cliënt beklemd raakte. Beide betrokken personen maakte op dat moment een verkeerde beoordeling. Zowel uw cliënt als de werknemer van onze verzekerde hadden beter op moeten letten en zich moeten onthouden van deze gelijktijdige handeling.”

3 Het geschil

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil voor recht te verklaren dat verweersters volledig aansprakelijk zijn, althans dat in elk geval Hoitsema volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval, met bepaling van de aan de behandeling van het verzoek verbonden kosten op een bedrag van € 6.634,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de te wijzen beschikking, en met veroordeling van verweersters tot betaling van die kosten.

3.2.

[verzoeker] legt aan zijn verzoek – kort weergegeven – het volgende ten grondslag. [A] heeft onrechtmatig jegens hem gehandeld, voor welk handelen Hoitsema op grond van artikel 6:170 BW aansprakelijk is. Nu de causale bijdrage van [verzoeker] aan het ontstaan van de schade nihil dan wel verwaarloosbaar klein is geweest, althans – voor zover toch eigen schuld aan zijn zijde wordt aangenomen – toepassing van de billijkheidscorrectie meebrengt dat zijn aandeel eigen schuld wordt gecorrigeerd tot nihil, dient de volledige schade voor rekening van verweersters, althans in elk geval Hoitsema te komen.

3.3.

Verweersters voeren gemotiveerd verweer. Primair stellen zij dat de zaak zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure, omdat nadere bewijslevering dient plaats te vinden. Subsidiair stellen verweersters zich op het standpunt dat de verzochte verklaring voor recht niet voor toewijzing vatbaar is, aangezien sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker].

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Behandeling in een deelgeschilprocedure

4.1.

Allereerst dient beoordeeld te worden of het verzoek van [verzoeker] zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat [A] onrechtmatig jegens [verzoeker] heeft gehandeld en dat Hoitsema, in haar hoedanigheid van werkgever van [A], voor dat handelen aansprakelijk is uit hoofde van artikel 6:170 BW. Het gaat in deze procedure alleen om de vraag naar de omvang van die aansprakelijkheid. Niet in geschil is dat deze vraag in een deelgeschilprocedure aan de orde kan worden gesteld.

4.2.

Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient vervolgens getoetst te worden of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Verweersters hebben aangevoerd dat nadere bewijslevering noodzakelijk is, zodat de zaak zich niet leent voor behandeling in deelgeschil. [verzoeker] heeft dat betwist en gesteld dat wel degelijk inhoudelijk op het verzoek kan worden beslist.

4.3.

De rechtbank is met [verzoeker] van oordeel dat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld. Zij overweegt daartoe in de eerste plaats dat niet gemotiveerd is weersproken dat [verzoeker] en [A] bij het lossen van de oplegger, voordat het ongeval plaats vond, al ten minste twee keer als volgt te werk waren gegaan: [verzoeker] maakte de spanbanden los, waarna hij de oplegger verliet; vervolgens reed [A] een tweetal pallets uit de oplegger met een pallettruck. Daarna ging [verzoeker] weer naar binnen om de volgende band los te maken en vervolgens weer naar buiten, waarna [A] weer pallets uitreed. Voorts is niet in geschil dat het ongeval heeft plaatsgevonden doordat [A] een tweetal pallets oppakte met de pallettruck, terwijl [verzoeker] op dat moment nog bezig was één van de spanbanden los te maken; hij had toen de oplegger dus nog niet verlaten en evenmin anderszins duidelijk afstand genomen van de pallets. Nu over de toedracht van het ongeval naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk verschil van mening tussen partijen bestaat, is er geen reden voor nadere bewijslevering ter zake. Anders dan verweersters is de rechtbank van oordeel dat zij over voldoende informatie beschikt om – op basis van de toedracht zoals hiervoor is beschreven – de vraag naar de omvang van de aansprakelijkheid te kunnen beoordelen. Dat in het rapport van [B] van 10 juli 2012 geen woordelijke en/of uitputtende verklaring van [A] is opgenomen, maakt dat niet anders. Beide betrokkenen zijn het immers feitelijk eens over hetgeen tijdens het lossen van de oplegger is voorgevallen. Voorts overweegt de rechtbank dat, zodra duidelijkheid bestaat over de omvang van de aansprakelijkheid, de impasse tussen partijen is doorbroken en de buitengerechtelijke onderhandelingen kunnen worden voortgezet. Daarmee is het belang van het verzoek van [verzoeker] gegeven.

4.4.

In het navolgende zal de rechtbank derhalve overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

4.5.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, is niet in geschil dat [A] onrechtmatig jegens [verzoeker] heeft gehandeld en dat Hoitsema voor dat handelen aansprakelijk is uit hoofde van artikel 6:170 BW. In het onderhavige geschil ligt alleen de vraag voor of Hoitsema aansprakelijk is voor de volledige schade van [verzoeker] of dat een deel van de schade op grond van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] voor diens rekening dient te blijven.

4.6.

Van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 lid 1 BW is sprake indien de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde ([verzoeker]) kan worden toegerekend. Indien dat het geval is, wordt de schade over de benadeelde en de aansprakelijke partij (Hoitsema) verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen.

4.7.

De rechtbank stelt voorop dat [A] een gemotoriseerde pallettruck bestuurde. Een dergelijk gemotoriseerd voertuig brengt evidente risico’s voor derden met zich in het gebruik, zeker omdat daarmee ook zware lasten worden getild. Derhalve rust een zware zorgplicht op de bestuurder ervan. In dit geval moest [A] manoeuvreren in een beperkte ruimte, met lasten van 600 kg per stuk. Dat brengt met zich dat op [A] de verplichting rustte zich er vóór het oppakken van een volgend paar pallets van te vergewissen dat het lossen veilig kon plaats vinden. In casu had [A] dan ook moeten nagaan of [verzoeker] de oplegger weer had verlaten. Dit heeft [A] nagelaten. Hiermee heeft hij niet de noodzakelijke oplettendheid en zorgvuldigheid jegens [verzoeker] betracht. Dat uit de verklaring van [A] tegenover [B] niet blijkt dat [A] wist dat [verzoeker] bezig was met het losmaken van een spanband, maakt dit niet anders. Als al juist is dat [A] zich hiervan niet bewust was, onderstreept dat enkel dat hij onvoldoende oplettend en verwijtbaar onvoorzichtig is geweest en dat hij kennelijk niet lang genoeg heeft gewacht met het oppakken van een volgend paar pallets. Het op dit punt door verweersters gedane bewijsaanbod zal derhalve als niet ter zake dienend worden gepasseerd.

4.8.

Dat naast het onzorgvuldig handelen van [A] sprake is van aan [verzoeker] toe te rekenen gedragingen die hebben bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval en de daaruit voortvloeiende schade acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Verweersters hebben weliswaar gesteld dat [verzoeker] op het laatste moment – toen [A] al begon met het lossen van de pallets – zijn hoofd en lichaam tussen een pallet en de zijwand van de oplegger heeft gebogen om een spanband los te maken, maar dat is door [verzoeker] gemotiveerd weersproken. De rechtbank tekent nog aan dat een bewijsaanbod op dit punt niet ter zake dienend is. Immers, zelfs indien van de juistheid van de stelling van verweersters op dit punt zou moeten worden uitgegaan, leidt dat onder de gegeven omstandigheden niet tot eigen schuld van [verzoeker]. Het had zonder meer op de weg van [A] gelegen pas te beginnen met lossen nadat hij er zeker van was dat [verzoeker] de oplegger weer had verlaten, conform de eerder gevolgde werkwijze. Voor zover nog door verweersters is bedoeld te betogen dat door [verzoeker] in strijd met geldende veiligheidsrichtlijnen is gehandeld – welk verweer overigens eerst ter zitting naar voren is gebracht – is dat betoog, nog daargelaten de vraag in hoeverre [verzoeker] hiervan een verwijt zou kunnen worden gemaakt, eveneens volstrekt onvoldoende onderbouwd. De rechtbank stelt dan ook vast dat [A] een gevaarlijke situatie in het leven heeft geroepen die tot het ongeval heeft geleid en dat [verzoeker] onder de gegeven omstandigheden geen eigen schuld kan worden tegengeworpen.

4.9.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat Hoitsema volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval.

Kosten deelgeschil

4.10.

Mr. Schep verzoekt de aan de behandeling van het verzoek verbonden kosten te begroten op een bedrag van € 6.634,50. Daarbij is hij, onder verwijzing naar de als productie 7 overgelegde specificatie, uitgegaan van een tijdsbesteding van 17,5 uur, een uurtarief van

€ 300,--, 21% BTW en het betaalde griffierecht van € 282,--.

4.11.

Verweersters maken bezwaar tegen zowel het gestelde aantal aan de zaak bestede uren als het opgevoerde uurtarief.

4.12.

Ingevolge artikel 1019aa lid 1 Rv dient de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek in aanmerking worden genomen. Hierbij dient de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn.

4.13.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt. Immers, deze zijn gemaakt teneinde een tussen partijen gerezen geschilpunt te laten beslechten opdat partijen buitengerechtelijk tot een vergelijk kunnen komen.

4.14.

De hoogte van de gemaakte kosten acht de rechtbank niet redelijk. Met verweersters is de rechtbank van oordeel dat zowel het aantal in rekening gebrachte uren als het door

mr. Schep gehanteerde uurtarief bovenmatig zijn. De rechtbank acht het, gezien de geringe complexiteit van het onderhavige deelgeschil, redelijk om rekening te houden met een tijdsbesteding van 12 uur. Hierbij is zij uitgegaan van de opsomming onder punt 56 in het lichaam van het verzoekschrift, met dien verstande dat voor de posten “bijwonen zitting” en “overleg met cliënt incl. nabespreking” in totaal rekening wordt gehouden met een tijdsbesteding van 2,5 uur. Voorts acht de rechtbank het redelijk om rekening te houden met een uurtarief van € 250,-- (het gestelde standaard uurtarief, vermeerderd met een opslag van 25% voor het specialisme van mr. Schep). De rechtbank gaat derhalve uit van een honorarium van € 3.000,--.

4.15.

De rechtbank zal de kosten van deze procedure, gezien het voorgaande, begroten op een bedrag van 3.912,-- (voornoemd honorarium van € 3.000,--, vermeerderd met 21% BTW en voorts vermeerderd met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 282,--). [verzoeker] maakt tevens aanspraak op wettelijke rente. Dit deel van het verzochte zal, als onweersproken, worden toegewezen.

4.16.

Nu, zoals hiervoor is overwogen, Hoitsema volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van het [verzoeker] overkomen ongeval, komen de kosten van dit deelgeschil voor rekening van verweersters. Nu geen inhoudelijk verweer is gevoerd tegen een veroordeling van beide verweersters zal de rechtbank hen hoofdelijk in de kosten veroordelen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart voor recht dat Hoitsema volledig aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval dat [verzoeker] op 24 oktober 2011 is overkomen;

5.2.

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa Rv op een bedrag van € 3.912,--, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na de datum van deze uitspraak en veroordeelt verweersters hoofdelijk tot betaling van deze kosten;

5.3.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.1

1 type: 2163