Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15288

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2014
Datum publicatie
15-12-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 17065
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Situaties die beheerst worden door met name artikel 21 van het VWEU – zoals die in arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) in de zaken Baumbast (C-413/99), Zhu en Chen (C-200/02), Iida (C-40/11) en Alokpa (C-86/12) – zijn wezenlijk andere situaties dan die in deze zaak, waar de zoon van eiseres niet in een andere lidstaat dan die van zijn nationaliteit heeft verbleven. Mede gelet op de uitleg die het Hof geeft aan artikel 20 van het VWEU in de arresten Zambrano en Dereci, is de rechtspraak van het Hof die ziet op met name artikel 21 van het VWEU niet van toepassing op deze zaak. Dat betekent dat het betoog van eiseres dat verweerder een verkeerd toetsingskader heeft gehanteerd – namelijk dat niet bepalend is of haar voormalige partner voor hun zoon zorg kan dragen, maar dat eiseres sinds de geboorte van haar zoon steeds de daadwerkelijke zorg voor hem heeft gedragen en dat nog doet – niet volgt uit de arresten Baumberg, Zhu en Chen, Iida of Alokpa.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 14/17065 (beroep)

AWB 14/17168 (voorlopige voorziening)

[Vnr.]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 13 november 2014 in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedatum 1], van Filipijnse nationaliteit, eiseres en verzoekster, hierna te noemen: eiseres

(gemachtigde: mr. E.M.M. Wantenaar),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.C. Palmboom).

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder onder meer de aanvraag van eiseres tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking “uitoefenen van het gezinsleven conform artikel 8 van het EVRM” afgewezen. Het gemaakte bezwaar – voor zover het was gericht tegen de afwijzing van eiseres’ aanvraag – is bij besluit van 23 juni 2014 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 18 juli 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Bij brief van 21 juli 2014 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 oktober 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was C.E.M. van Lingen, tolk in de Engelse taal, ter zitting aanwezig. De rechtbank, tevens voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

  1. In deze zaak staat ter beoordeling of verweerder zich op het standpunt kon stellen om de aangevraagde vergunning voor verblijf af te wijzen, nu eiseres niet beschikte over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).

  2. De rechtbank gaat uit van de volgende, niet door partijen bestreden, feiten en omstandigheden.

2.1.

Eiseres is op enig moment Nederland ingereisd. Naar eigen zeggen is zij in 2010 een relatie aangegaan met [naam], haar voormalig partner. Uit deze relatie is op[geboortedatum 2] een zoon geboren, genaamd [naam]. De voormalig partner van eiseres heeft de zoon erkend. Zowel de voormalige partner als de zoon van eiseres hebben de Nederlandse nationaliteit.

2.2.

Op 8 oktober 2012 heeft eiseres aangifte gedaan van mishandeling door haar voormalige partner. Zij en de zoon wonen niet meer bij haar voormalige partner.

3.1.

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, in samenhang met artikel 3.71, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 afgewezen, als de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

3.2.

Artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vb 2000 bepaalt dat van het vereiste van een geldige mvv is vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zou zijn. Op grond van het derde lid van artikel 3.71 van het Vb wijst verweerder de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier niet af wegens het ontbreken van een geldige mvv als dit leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).

3.3.

Artikel 20, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaalt dat een burgerschap van de Unie wordt ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan. Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat burgers van de Unie rechten genieten en plichten hebben die bij de Verdragen zijn bepaald. Zij hebben, onder andere, het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.

3.4.

Op grond van artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven en zijn familie- en gezinsleven.

4.1.

In geschil is allereerst of eiseres een van haar zoon afgeleid verblijfsrecht kan ontlenen aan artikel 20 van het VWEU.

4.2.

In de arresten Zambrano (C-34/09, te vinden op www.curia.europa.eu) en Dereci (C‑256/11) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) onder meer geoordeeld over de uitleg van artikel 20 van het VWEU in een situatie waar een staatsburger van een derde staat de zorg heeft over zijn kinderen van jonge leeftijd die burgers van de Unie zijn. Artikel 20 van het VWEU moet volgens het Hof in voornoemde situatie zo worden uitgelegd, dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat het verblijfsrecht van die staatsburger van de derde staat ontzegt in de lidstaat waar zijn kinderen verblijven en waarvan zij de nationaliteit bezitten. Dit aangezien een dergelijke beslissing het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten aan de betrokken kinderen ontzegt.

4.3.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft met verwijzing naar het arrest Zambrano en het arrest Dereci meermaals geoordeeld over de situatie waarin sprake is van een Nederlandse ouder, een ouder die staatsburger is van een derde land en minderjarige Nederlandse kinderen. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling zal er slechts sprake zijn dat een burger van de Unie zijn recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, indien de Nederlandse ouder, ondanks de in Nederland aanwezige sociale en maatschappelijke voorzieningen, niet voor het Nederlandse kind zorg kan dagen. Het Nederlandse kind wordt dan namelijk verplicht de burger uit het derde land te volgen. Zie onder meer de uitspraak van 7 maart 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BV9924).

4.4.

Eiseres voert allereerst aan dat verweerder ten onrechte het toetsingskader van de Afdeling volgt. Niet bepalend is of haar voormalige partner voor hun zoon zorg kan dragen, maar dat eiseres sinds de geboorte van haar zoon steeds de daadwerkelijke zorg voor hem heeft gedragen en dat nog doet. Zij verwijst hierbij naar de arresten van het Hof in de zaken Baumbast (C-413/99), Zhu en Chen (C-200/02) en Iida (C-40/11). Eveneens verwijst eiseres naar het arrest Alokpa (C-86/12) en meer in het bijzonder naar rechtsoverweging 34, waar het Hof de punten 55 en 56 van de conclusie van de Advocaat-Generaal aanhaalt.

4.5.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de juiste toets heeft gehanteerd. De door eiseres aangehaalde arresten zijn namelijk niet op deze zaak van toepassing.

4.6.

Het Hof heeft in rechtsoverweging 69 van het arrest Iida overwogen dat als een minderjarige burger van de Unie gebruik maakt van zijn recht op vrij verkeer en op grond hiervan in een andere lidstaat dan die van zijn nationaliteit een verblijfsrecht heeft, de daadwerkelijk voor deze minderjarige zorgende ouder een daarvan afgeleid recht op verblijf heeft. Het Hof heeft in woorden van gelijke strekking overeenkomstig overwogen in het arrest Zhu en Chen, rechtsoverweging 45, en in het arrest Baumberg, rechtsoverwegingen 71 tot en met 75.

4.7.

De rechtbank merkt op dat in de arresten Baumberg, Zhu en Chen en Iida steeds sprake was van een minderjarige burger van de Unie die niet in de lidstaat van zijn nationaliteit, maar in een andere lidstaat verbleef. Dat betekent dat deze arresten worden beheerst door met name het huidige artikel 21 van het VWEU, dat ziet op het recht op vrij verkeer en verblijf van burgers van de Unie.

4.8.

Voorts was in het arrest Alokpa sprake van twee kinderen van Franse nationaliteit, die vanaf hun geboorte steeds in Luxemburg hadden gewoond met hun moeder, Alokpa, van Togolese nationaliteit. In rechtsoverweging 34 heeft het Hof overwogen dat overeenkomstig de Advocaat-Generaal in de punten 55 en 56 van zijn conclusie heeft opmerkt, Alokpa een afgeleid recht heeft om de twee kinderen te begeleiden en met hen op het Franse grondgebied te verblijven. Dit omdat zij de moeder van de twee kinderen is die sedert hun geboorte alléén daadwerkelijk voor hen zorgt. De rechtbank merkt op dat de Advocaat-Generaal in punt 54 van zijn conclusie – dat direct voorafgaat aan wat het Hof heeft aangehaald – heeft opgemerkt dat de kinderen op grond van met name artikel 21 van het VWEU het recht hebben om naar Frankrijk te gaan. Dat betekent dat ook het arrest Alokpa wordt beheerst door met name artikel 21 van het VWEU.

4.9.

De rechtbank is van oordeel dat situaties die beheerst worden door met name artikel 21 van het VWEU – zoals die in de door eiseres aangehaalde arresten – wezenlijk andere situaties zijn dan die in deze zaak, waar de zoon van eiseres niet in een andere lidstaat dan die van zijn nationaliteit heeft verbleven. De verblijfsstatus van betrokkenen in situaties die door met name artikel 21 van het VWEU worden beheerst, wordt immers – anders dan in deze zaak – voornamelijk door Europese regelgeving bepaald. Zo is onder meer richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden van toepassing, ook op de ouder die uit het derde land komt. Hieruit volgt dat, mede gelet op de uitleg die het Hof geeft aan artikel 20 van het VWEU in de arresten Zambrano en Dereci, de rechtspraak van het Hof die ziet op met name artikel 21 van het VWEU niet van toepassing is op deze zaak. Dat betekent dat het betoog van eiseres dat verweerder een verkeerd toetsingskader heeft gehanteerd, niet volgt uit de arresten Baumberg, Zhu en Chen, Iida of Alokpa.

4.10.

Eiseres heeft ter onderbouwing van haar stelling voorts verwezen naar uitspraken van de Afdeling, onder meer van 21 maart 2014, waarin de Afdeling het arrest Alokpa toepast. Gelet op wat onder 4.9 is geoordeeld over het arrest Alokpa, volgt de stelling van eiseres al hierom niet uit de betreffende uitspraken van de Afdeling.

4.11.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat verweerder terecht het onder 4.3 vermelde toetsingskader van de Afdeling heeft gehanteerd. Het betoog faalt.

4.12.

Voorts voert eiseres aan dat haar voormalige partner niet de zorg voor hun zoon kan dragen, omdat hij hem nooit heeft verzorgd, eiseres heeft mishandeld en zijn zoon heeft verwaarloosd. Daarbij is hun zoon niet gebaat bij verzorging door haar voormalig partner.

4.13.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de voormalig partner van eiseres in staat moet worden geacht te zorgen voor de zoon. Dat hij eiseres heeft mishandeld, betekent nog niet dat eiseres’ voormalig partner uit beeld is of dat hij niet voor zijn zoon zorg kan dragen.

4.14.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de voormalige partner van eiseres niet geacht kan worden om de feitelijke zorg voor hun zoon te dragen, al dan niet met inschakeling van de in Nederland aanwezige maatschappelijke en sociale voorzieningen. De enkele omstandigheid dat de voormalig partner zijn zoon nooit heeft verzorgd, is onvoldoende om aannemelijk te maken dat hij dit niet daadwerkelijk kan. Voorts valt uit het dossier weliswaar op te maken dat eiseres aangifte heeft gedaan van mishandeling door haar voormalige partner, maar uit de aangifte volgt niet dat hij ook zijn zoon heeft mishandeld. Daarbij heeft verweerder ter zitting verklaard dat hem geen meldingen van Jeugdzorg of de Raad voor de Kinderbescherming bekend zijn, wat eiseres niet heeft bestreden. Verder wordt eiseres niet in haar stelling gevolgd dat haar voormalig partner hun zoon heeft verwaarloosd. In de bestreden beschikking is immers een deel van de in de hoorzitting op bezwaar overgelegde e-mail van de voormalig partner van eiseres aan haar gemachtigde overgenomen. Zakelijk weergegeven luidt de e-mail dat hoewel het contact tussen hem en eiseres is verbroken, hij bereid is zijn zoon financieel te ondersteunen, hij af en toe op hem wil passen – al dan niet met hulp van zijn ouders – en hij niet wil dat het zijn zoon aan iets ontbreekt. Ten slotte is naar het oordeel van de rechtbank het betoog van eiseres dat hun zoon niet gebaat is bij verzorging door haar voormalig partner, niet relevant bij de beoordeling of de voormalig partner van eiseres de zorg voor de zoon kan dragen. De beoordeling is immers enkel gericht op beantwoording van de vraag of hun zoon al dan niet gedwongen wordt eiseres te volgen als zij de Europese Unie moet verlaten. Ook al kan haar voormalig partner de zorg voor hun zoon dragen, het staat eiseres en haar voormalig partner altijd vrij om te besluiten dat hun zoon meer gebaat is bij verzorging door eiseres. Het betoog faalt dan ook.

4.15.

Het voorgaande heeft tot gevolg dat niet aannemelijk is geworden dat de zoon van eiseres verplicht wordt eiseres te volgen als zij het grondgebied van de Europese Unie moet verlaten. Dat betekent dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres geen verblijfsrecht kan ontlenen aan het Unierecht.

5.1.

Voor zover eiseres verder heeft betoogd dat verweerder artikel 24 van het Handvest heeft geschonden, volgt de rechtbank eiseres niet. Onder 4.15 heeft de rechtbank geoordeeld dat eiseres geen verblijfsrecht aan het Unierecht kan ontlenen. Nu verweerder in deze zaak evenmin ander Unierecht ten uitvoer heeft gebracht, valt deze zaak op grond van artikel 51, eerste lid van het Handvest buiten de werkingssfeer van het Handvest. Verweerder heeft dan ook terecht een toets aan artikel 24 van het Handvest achterwege gelaten. De beroepsgrond faalt.

6. Voor zover eiseres haar bezwaargrond heeft gehandhaafd dat artikel 8 van het EVRM in strijd is met – in beroep – het bestreden besluit, volgt de rechtbank haar niet. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat er geen strijd is met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft bij de belangenafweging gewicht kunnen toekennen aan het aspect dat eiseres nooit rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad en dat zij hierdoor het uitoefenen van gezinsleven op eigen risico heeft gedaan. Voorts heeft verweerder in het nadeel van eiseres kunnen meewegen dat hoewel haar zoon over een Nederlandse nationaliteit beschikt, hier geen doorslaggevende betekenis aan hoeft te worden toegekend. Verder heeft verweerder in het nadeel van eiseres kunnen meewegen dat eiseres geen zelfstandige middelen van bestaan heeft en zij een uitkering uit de openbare kas ontvangt. Verweerder heeft ook belang kunnen hechten aan het aspect dat niet is gebleken dat er objectieve belemmeringen zijn om het gezinsleven elders uit te oefenen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de aanvraag van eiseres dan ook kunnen afwijzen omdat zij niet beschikte over een mvv.

7. Ten slotte volgt de rechtbank niet de bezwaargrond van eiseres – voor zover zij deze in beroep heeft gehandhaafd – dat verweerder het verkeerde legesbedrag in rekening heeft gebracht. Eiseres heeft in bezwaar gronden aangevoerd tegen het oordeel van verweerder dat niet in strijd met artikel 8 van het EVRM is gehandeld. Hierdoor heeft eiseres de weigering betwist om haar een vergunning op grond van artikel 14 van de Vw 2000 te verlenen. Verweerder heeft dan ook in het bestreden besluit terecht geoordeeld dat eiseres een aanvraag op grond van artikel 14 van de Vw 2000 heeft gedaan, zodat zij geen aanspraak kan maken op het legesbedrag voor verlening van een document als bedoeld in artikel 9 van de Vw 2000.

8. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

9. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, nu de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/17065,

- verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 14/17168,

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Otten, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.M. Goncalves Sobral, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 november 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.