Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15206

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
12-12-2014
Zaaknummer
AWB 14/8450
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onbevoegd genomen besluit. De minister van Buitenlandse Zaken was niet bevoegd op de mvv-aanvraag en het besluit op bezwaar te beslissen. Het bestreden besluit is in mandaat genomen door een ambtenaar die ook bevoegd was om het besluit namens het bevoegde orgaan, de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie te nemen. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft het onbevoegd genomen besluit voor zijn rekening genomen. Eiseres is niet in haar belangen geschaad door het bevoegdheidsgebrek. De rechtbank passeert het gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/8450

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2014 in de zaak tussen

[eiser], te Guinee, eiser

(gemachtigde: mr. M.G.Th. Omtzigt),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2013 (het primaire besluit) heeft de minister van Buitenlandse Zaken de aanvraag van eiser voor een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) afgewezen.

Bij besluit van 13 maart 2014 (het bestreden besluit) heeft de minister van Buitenlandse Zaken het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2014. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is referente, [referente], ter zitting aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser heeft de Guinese nationaliteit en verblijft, zonder verblijfsvergunning, in België.

Op 27 maart 2013 heeft eiser een aanvraag gedaan voor een mvv in het kader van gezinsvorming met echtgenote.

Referente, [referente], is de echtgenote van eiser. Zij verblijft sinds 27 mei 2009 in Nederland en heeft sinds 27 mei 2011 een verblijfsvergunning asiel. Eiser en referente hebben samen twee biologische kinderen, van wie de jongste – [kind 1], geboren op [geboortedag] 2008 – samen met referente in Nederland verblijft.

2. In het bestreden besluit heeft de minister van Buitenlandse Zaken zijn standpunt gehandhaafd dat niet is komen vast te staan dat tussen eiser en referente een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk is gesloten. Voorts heeft hij aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat referente niet heeft aangetoond zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan.

Beoordeling van de bevoegdheid

3. Vooropgesteld moet worden dat het bestreden besluit, evenals het primaire besluit, ten onrechte is genomen namens het hoofd van de Visadienst, namens de minister van Buitenlandse Zaken. Sinds 1 juni 2013 is de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie op grond van artikel 2k van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) bevoegd te beslissen op de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf. Het besluit is derhalve genomen namens een onbevoegd bestuursorgaan.

4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

4.1.

In artikel 6:22 van de Awb is bepaald dat een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand kan worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

4.2.

Op grond van het Besluit Mandaatverlening hoofd Visadienst 1997 en het Besluit Ondermandaatverlening hoofd Visadienst zijn medewerkers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) bevoegd om namens het hoofd van de Visadienst, namens de minister van Buitenlandse Zaken, besluiten te nemen.
Op grond van de Mandaatregeling van het ministerie van Veiligheid en Justitie 2011, de Mandaatregeling hoofden clusters ministerie van Veiligheid en Justitie 2012, de Organisatieregeling ministerie van Veiligheid en Justitie 2011, de Mandaatregeling DGVZ ministerie van Veiligheid en Justitie 2013 en de Algemene ondermandaatregeling van het hoofd Immigratie- en Naturalisatiedienst 2010 zijn medewerkers van de IND bevoegd besluiten te nemen namens het hoofd van de IND, namens de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Bij besluit van 27 augustus 2010, in werking getreden op 30 september 2010, is de lijst van functionarissen behorende bij het Besluit Ondermandaatverlening hoofd Visadienst ingetrokken en vervangen door de lijst van functionarissen behorende bij de Algemene ondermandaatregeling van het hoofd Immigratie- en Naturalisatiedienst 2010.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat sinds de inwerkingtreding van het besluit van
27 augustus 2010 dezelfde IND-medewerkers bevoegd zijn besluiten te nemen zowel namens het hoofd van de Visadienst, namens de minister van Buitenlandse Zaken, als namens het hoofd van de IND, namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. De rechtbank stelt dan ook vast dat de medewerker van de IND die het bestreden besluit heeft genomen bevoegd was om namens de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie te beslissen op mvv-aanvragen. Het besluit is derhalve door een bevoegde medewerker van de IND namens een onbevoegd bestuursorgaan – te weten de minister van Buitenlandse Zaken – genomen, terwijl deze medewerker ook bevoegd was om het besluit te nemen namens het bevoegde bestuursorgaan. Bij het verweerschrift heeft verweerder een brief overgelegd waaruit blijkt dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het bestreden besluit en de overweging waarop dat besluit is gebaseerd voor zijn rekening neemt. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres door het bevoegdheidsgebrek niet in haar belangen geschaad. Onder voornoemde omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

Inhoudelijke beoordeling

5. Eiser heeft aangevoerd dat hij in bezwaar een originele en gelegaliseerde trouwakte heeft overgelegd en daarmee zijn huwelijk met referente heeft aangetoond. Dat referente op de hoorzitting heeft verklaard dat hun huwelijk een traditioneel huwelijk betreft, komt volgens eiser doordat zij het verschil tussen een traditioneel en een rechtsgeldig huwelijk niet begrijpt, vanwege haar beperkte opleiding en ongeletterdheid.

6. In artikel 3.13, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb) is bepaald dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, verleend aan het in artikel 3.14 genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in artikel 3.16 tot en met 3.22a genoemde voorwaarden.

In artikel 3.14, aanhef en onder a, van het Vb is bepaald dat de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend aan de vreemdeling van 21 jaar of ouder die met de hoofdpersoon een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig huwelijk of een naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig geregistreerd partnerschap is aangegaan.

In B2/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc) is – voor zover hier van belang – bepaald dat een huwelijk in het algemeen naar Nederlands internationaal privaatrecht geldig indien het is gesloten volgens de wet van het land waar de huwelijksvoltrekking heeft plaatsgevonden.

7. Aan de orde is of verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat niet is gebleken van een rechtsgeldig huwelijk naar Nederlands internationaal privaatrecht tussen eiser en referent. In dat kader heeft verweerder mogen overwegen dat referente heeft verklaard dat tussen haar en eiser slechts sprake is van een traditioneel huwelijk en dat zij tijdens de hoorzitting in bezwaar blijk heeft gegeven van kennis van het verschil tussen een huwelijk volgens de wet en een traditioneel huwelijk. Verweerder mocht zich op het standpunt stellen dat het bevreemding wekt dat eiser een akte met betrekking tot het huwelijk heeft laten opmaken, buiten medeweten van zijn echtgenote. Voorts mocht verweerder in zijn overwegingen betrekken dat gelet op de volgorde waarin het gestelde traditionele huwelijk en het wettelijke huwelijk zouden hebben plaatsgevonden en de leeftijd van referente ten tijde van de huwelijkssluiting, niet aannemelijk is geworden dat het gestelde huwelijk voldeed aan de eisen die de wet in Guinee daaraan stelt. De vader van referente zou volgens het algemeen ambtsbericht inzake Guinee van mei 2010 toestemming moeten hebben gegeven omdat zij ten tijde van het gestelde huwelijk de leeftijd van 21 jaren nog niet had bereikt. Niet gesteld of gebleken is dat de vader van referente toestemming heeft gegeven voor het huwelijk. Verweerder heeft zich derhalve niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een naar Nederlands internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk tussen referente en eiser. De beroepsgrond faalt dan ook.

8. Nu geen sprake is van een naar Nederlands internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk, is eiser geen gezinslid van referente in de zin van artikel 3.14 van het Vb. Daaruit volgt dat de aan beoordeling van de overige voorwaarden voor het verlenen van een mvv – gelet op artikel 3.13, eerste lid, van het Vb – niet wordt toegekomen. De beroepsgronden die zich richten tegen het standpunt van verweerder dat niet aan alle voorwaarden is voldaan behoeven dan ook geen nadere bespreking.

9. Voorts heeft eiser aangevoerd dat de afwijzing van de mvv-aanvraag een schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten voor de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) oplevert.

10. In artikel 8, eerste lid, van het EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. In het tweede lid is bepaald dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

11. Niet in geschil is dat tussen eiser, referente en hun gezamenlijke kind sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Van inmenging in het gezinsleven als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, nu de weigering eiser verblijf toe te staan er niet toe strekt eiser een verblijfstitel te ontnemen die hem tot uitoefening van het familie- en gezinsleven in staat stelde. Vaststaat immers dat eiser nimmer in Nederland heeft verbleven.

12. Niettemin kunnen zich zodanige feiten en omstandigheden voordoen dat uit het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven een positieve verplichting voor de Nederlandse staat voortvloeit om een vreemdeling verblijf in Nederland toe te staan. Volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens - onder meer het arrest van 25 april 2007 in de zaak Konstantinov tegen Nederland, JV 2007/251 - dient ongeacht of sprake is van een positieve of negatieve verplichting een fair balance te worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds. Bij deze belangenafweging komt verweerder een zekere beoordelingsruimte toe. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

13. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. In het kader van de belangenafweging heeft verweerder gewicht kunnen toekennen aan het feit dat eiser en referente vanaf het vertrek van referente uit Guinee geen uitvoering hebben gegeven aan hun familie- en gezinsleven. Verweerder mocht in zijn overwegingen betrekken dat referente vanaf augustus/september 2010 bekend was met de verblijfplaats van eiser in België en dat eiser vervolgens pas op 27 maart 2013 een aanvraag heeft ingediend voor een mvv. Voorts mocht verweerder overwegen dat eiser en referente niet aannemelijk hebben gemaakt op welke wijze zij in de tussengelegen periode uitvoering hebben gegeven aan hun gezinsleven. Daarnaast heeft verweerder in zijn overwegingen mogen betrekken dat op 27 januari 2011 een kind is geboren uit een relatie van referente met een andere man. Verweerder mocht dan ook overwegen dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat het gestelde gezinsleven uitsluitend buiten de wil van eiser en referente langdurig verbroken is geweest. Gelet op het voorgaande heeft verweerder mogen concluderen dat het belang van de Nederlandse Staat bij een restrictief toelatingsbeleid in dit geval zwaarder weegt dan het individuele belang van eiser. Naar het oordeel van de rechtbank levert de afwijzing van de mvv-aanvraag geen schending van artikel 8 van het EVRM op. De beroepsgrond faalt.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Hutten, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2014.

griffier rechter


Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.