Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15195

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
19-01-2015
Zaaknummer
09-777205-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Juegdstrafrecht: afdreiging en poging afdreiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777205-14

Datum uitspraak: 11 december 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1996,

adres: [woonplaats]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 27 november 2014.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. D.J. Laman en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. M.H. Samama, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 22 juni 2014 tot en met 24 juli 2014, althans op of omstreeks 24 juli 2014 te 's-Gravenhage, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of openbaring van een geheim, [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (50 euro), geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] althans aan een ander dan aan verdachte, immers heeft hij, verdachte, tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij een foto van seksuele handelingen door [slachtoffer] verricht zou sturen aan klasgenoten van die [slachtoffer] als zij hem genoemd geldbedrag niet zou geven;

art 318 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 19 augustus 2014 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met smaad en/of smaadschrift en/of openbaring van een geheim, [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag (100 euro, althans 50 euro), geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] althans aan een ander dan aan verdachte, aan die [slachtoffer] te laten

weten dat hij een foto en/of filmpje van seksuele handelingen door [slachtoffer] verricht zou sturen aan klasgenoten en/of familie van die [slachtoffer] althans openbaar zou maken als zij hem genoemd geldbedrag niet zou geven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 318 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

In de periode van 22 juni 2014 tot en met 24 juli 2014 heeft de verdachte contact gehad met [slachtoffer](verder: de aangeefster) via whatsapp. De verdachte heeft tegen de aangeefster gezegd dat zij 50 euro moest betalen, omdat de verdachte anders een foto, gemaakt tijdens de verrichting van seksuele handelingen door de aangeefster bij de verdachte, zou verspreiden. Naar aanleiding van voornoemd contact heeft op 24 juli 2014 een ontmoeting plaatsgevonden tussen de verdachte en de aangeefster bij het skatepark in het Zuiderpark te Den Haag, waarbij de aangeefster de 50 euro bij zich had. Tijdens deze ontmoeting heeft de verdachte de aangeefster laten zien dat hij een foto op zijn telefoon wiste.2

In de nacht van 19 augustus 2014 heeft de verdachte via whatsapp opnieuw een bericht gestuurd aan de aangeefster. Ditmaal heeft de verdachte tegen de aangeefster gezegd dat zij 100 euro moest betalen. De verdachte en de aangeefster spraken af om elkaar te ontmoeten op 19 augustus 2014 omstreeks 19:00 uur bij de skatebaan in het Zuiderpark te Den Haag.3

De verdachte heeft bekend dat hij een foto en twee filmpjes van seksuele handelingen verricht door de aangeefster bij de verdachte in zijn bezit had. Voorts heeft hij bekend dat hij de aangeefster in bovengenoemde periode alsmede op 19 augustus 2014 berichten heeft gestuurd en daarin heeft aangegeven dat hij een ontmoeting met haar wilde en dat zij geld mee moest nemen.4

In deze zaak dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard of de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan afdreiging (feit 1) en poging tot afdreiging (feit 2).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte de feiten, zoals ten laste gelegd onder 1 en 2 heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft met betrekking tot feit 1 betoogd dat de verdachte op onjuiste wijze druk heeft uitgeoefend op de aangeefster. Hoewel de verdachte stellig ontkent dat hij tijdens de eerste ontmoeting met de aangeefster 50 euro heeft aangenomen, wijzen de whatsapp-berichten in een andere richting. De raadsvrouw stelt zich dan ook op het standpunt dat er voldoende wettig bewijs dat verdachte dit wel heeft gedaan.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 2 geen verweer gevoerd.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Feit 1

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij met de aangeefster wilde praten. Hij had gehoord dat de aangeefster zwart werd gemaakt en dat dit ook met de verdachte te maken had. De verdachte heeft druk uitgeoefend op de aangeefster door te dreigen met het verspreiden van een foto, waarop te zien was dat de aangeefster seksuele handelingen verricht bij de verdachte, als de aangeefster geen 50 euro zou meebrengen voor de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij het geld uiteindelijk niet heeft aangenomen.5

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij druk op de aangeefster heeft uitgeoefend omdat zij anders niet zou komen. Tijdens de afspraak, nadat alles was uitgepraat, heeft de verdachte de foto gewist. De twee filmpjes heeft de verdachte niet van zijn telefoon verwijderd.6

Ondanks de ontkenning van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het geldbedrag van 50 euro heeft aangenomen tijdens de ontmoeting met de aangeefster op 24 juli 2014. Allereerst slaat de rechtbank in dit verband acht op de aangifte van de aangeefster waaruit volgt dat de verdachte de foto op zijn telefoon heeft gewist nadat de aangeefster hem 50 euro heeft betaald.7 Dat dit geld in juli daadwerkelijk betaald is door aangeefster wordt bevestigd door de whatsapp-berichten van 19 augustus 2014 van verdachte zelf waarin hij aangeefster schrijft ‘die andere geld moet je er niet bij halen‘ en ‘Hoeveel kan je nu geven?’.

Gelet op het vorenstaande heeft de verdachte zich, naar het oordeel van de rechtbank, in de periode van 22 juni 2014 tot en met 24 juli 2014 schuldig gemaakt aan afdreiging en kan

feit 1 aldus wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Feit 2

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van feit 2 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het ten laste gelegde heeft bekend. Voort heeft de verdachte nadien niet anders verklaard en heeft de raadsvrouw van de verdachte geen vrijspraak bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte, d.d. 19 augustus 2014, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] (pagina 24 tot en met 26);

  • -

    een geschrift, te weten een afschrift van het whatsapp-gesprek d.d. 19 augustus 2014 tussen de verdachte en aangeefster (pagina 27 tot en met 31), behorende bij het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer];

  • -

    een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte,
    d.d. 20 augustus 2014, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte (pagina 32 tot en met 37);

  • -

    de bekennende verklaring door verdachte afgelegd ter terechtzitting van
    27 november 2014, zoals vermeld in een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal ter terechtzitting.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij in de periode van 22 juni 2014 tot en met 24 juli 2014 te 's-Gravenhage, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met openbaring van een geheim, [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (50 euro), toebehorende aan die [slachtoffer] immers heeft hij, verdachte, tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij een foto van seksuele handelingen door [slachtoffer] verricht zou sturen aan klasgenoten van die [slachtoffer] als zij hem genoemd geldbedrag niet zou geven;

2.

hij op 19 augustus 2014 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met openbaring van een geheim, [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag (100 euro), toebehorende aan die [slachtoffer] door aan die [slachtoffer] te laten weten dat hij een filmpje van seksuele handelingen door [slachtoffer] verricht openbaar zou maken als zij hem genoemd geldbedrag niet zou geven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 45 dagen met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als (bijzondere) voorwaarde toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering alsmede tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen jeugddetentie en een leerstraf, te weten de gedragsinterventie Respect Limits Regulier van 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen.

De verdachte gaat akkoord met de door de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) geadviseerde leerstraf Respect Limits Regulier en ook met toezicht en begeleiding vanuit de jeugdreclassering. Ook acht zij een voorwaardelijke jeugddetentie begrijpelijk. Gelet op het feit dat de verdachte reeds 15 dagen in voorarrest heeft gezeten en gelet op het drukke dagprogramma van de verdachte is een werkstraf van 100 uur naast de gevorderde leerstraf veel te zwaar en is dit ook niet in lijn met de adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering..

6.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afdreiging en een poging daartoe.

De verdachte heeft het slachtoffer gedwongen tot de afgifte van geld, omdat hij anders een foto of filmpjes zou verspreiden waarop te zien was dat het slachtoffer seksuele handelingen verricht bij de verdachte. Door deze (poging tot) afdreiging heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan, temeer nu het slachtoffer pas veertien jaar was en in een moeilijke thuissituatie verkeerde. De verdachte heeft misbruik gemaakt van deze situatie.

De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte mee dat de verdachte nog niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Pro Justitia rapport d.d. 31 oktober 2014 betreffende het psychologisch onderzoek van de verdachte, opgesteld en ondertekend door dr. [psycholoog], klinisch psycholoog.

Volgens deze deskundige is de verdachte passend bij zijn leeftijd in verminderde mate in staat om (de gevolgen van) situaties te overzien en een breder spectrum van oplossingen te bedenken. Hij stond er niet bij stil het probleem op een andere manier dan door een gesprek met het slachtoffer op te lossen, of een ander middel te bedenken dan haar te bedreigen om zo tot een afspraak te kunnen komen. Beperkte cognitieve capaciteiten (benedengemiddeld niveau) maken dat bij de verdachte de ontwikkeling van hersenfuncties met betrekking tot het overzien van situatie en de gevolgen ervan mogelijk wat minder zijn ontwikkeld. De verdachte is echter volledig toerekeningsvatbaar.

De deskundige concludeert dat er geen specifieke maatregelen noodzakelijk zijn om de recidivekans verder te verlagen.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 21 november 2014. Blijkens dit rapport bestaan geen grote zorgen over het huidig functioneren en de ontwikkeling van de verdachte. Het gaat goed in de thuissituatie en op school en de verdachte heeft een bijbaan. De Raad heeft zorgen over de seksuele ontwikkeling van de verdachte en over bepaalde vaardigheden, zoals het herkennen en respecteren van grenzen en de inschatting van consequenties van bepaald gedrag. De Raad acht hulpverlening door de jeugdreclassering en de gedragsinterventie Respect Limits passend.

Geadviseerd wordt dan ook de leerstraf de gedragsinterventie Respect Limits Regulier op te leggen, alsmede een voorwaardelijke werkstraf, met als (bijzondere) voorwaarde hulpverlening van de jeugdreclassering voor de duur van een jaar.

De rechtbank onderschrijft de conclusies van de Raad dat de verdachte vaardigheden op het gebied van het herkennen en respecteren van grenzen en het inschatten van de consequenties van bepaalde gedrag verder moet ontwikkelen en neemt het strafadvies van de Raad over.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, allereerst van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt. De verdachte heeft deze tijd reeds in voorarrest doorgebracht.

De rechtbank is voorts van oordeel dat een leerstraf, te weten de gedragsinterventie Respect Limits Regulier, in het belang is van de ontwikkeling van de verdachte.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat een werkstraf van na te melden duur passend en geboden is. Teneinde de verdachte in de toekomst te weerhouden van het plegen van strafbare feiten en om toezicht en begeleiding van de jeugdreclassering te waarborgen, zal de rechtbank een deel van deze werkstraf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank legt aan verdachte gedurende één jaar van deze proeftijd de bijzondere voorwaarde op dat hij zich dient te melden bij de jeugdreclassering. De jeugdreclassering dient in het kader van de algemene voorwaarden toezicht en begeleiding te bieden bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

7 Het inbeslaggenomen goed

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst, zoals overgelegd ter terechtzitting, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genummerde voorwerp zal worden onttrokken aan het verkeer, althans verbeurd wordt verklaard.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het onttrekken aan het verkeer of verbeurdverklaren van de telefoon van de verdachte meer een straf zal zijn voor de moeder van de verdachte, nu zij het abonnement van de verdachte, dat nog loopt tot 2016, betaalt.

De bestanden op de telefoon kunnen volledig worden gewist, zodat de telefoon kan worden teruggegeven aan de verdachte.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp (Samsung telefoon), verbeurdverklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en/of maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

33, 33a, 45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 318 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder

1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1.

AFDREIGING

2.

POGING TOT AFDREIGING

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 15 DAGEN

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de duur van 120 UREN,

bestaande uit een leerstraf, zijnde de gedragsinterventie Respect Limits Regulier, voor de duur van 20 UREN,

beveelt, voor het geval de veroordeelde de leerstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 DAGEN;

en

bestaande uit een werkstraf, zijde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 100 UREN;

beveelt, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 DAGEN;

bepaalt dat van deze werkstraf 50 uren, subsidiair 25 dagen vervangende jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegen niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd op de duur van 2 jaar onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

zijn medewerking zal verlenen aan het door de (jeugd)reclassering te houden toezicht, als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

zich gedurende één jaar binnen de proeftijd en op door de Stichting Bureau Jeugdzorg te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de Stichting Bureau Jeugdzorg tot het houden van toezicht op de naleving van de voorwaarden en tot het begeleiden van de veroordeelde ten behoeve daarvan;

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 1 genummerde voorwerp, te weten: Samsung telefoon.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.J.J.M. Weijnen, kinderrechter, voorzitter,

mr. H.D.M de Jong, kinderrechter,

en mr. M. Dam, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van L.A. Neuman-Steenaart, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 december 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2014184674, met bijlagen, doorgenummerd van bladzijde 1 tot en met bladzijde 43.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], pagina 24 en pagina 25 eerste en tweede alinea.

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], pagina 25, onderste helft van de pagina.

4 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 35 en 36.

5 Proces-verbaal verhoor verdachte, pagina 32 tot en met 37.

6 Proces-verbaal van de terechtzitting van 27 november 2014, eigen verklaring van de verdachte.

7 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], pagina 25, tweede alinea.