Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15152

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
29-01-2015
Zaaknummer
09-808588-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

JMK -Promis- ASR- Woninginbraak; sleutelkastjes

De verdachte heeft zich samen met anderen in de nachtelijke uren schuldig gemaakt aan één voltooide woninginbraak en een poging daartoe, terwijl hij samen met een ander gedurende diezelfde nacht ook met de bankpas die zij hadden weggenomen, heeft geprobeerd om geld op te nemen. De toegang tot de woningen en de bijbehorende bergingen werd verkregen dan wel geprobeerd te verkrijgen door een sleutelkastje te vernielen/weg te nemen, de daarin aanwezige sleutels mee te nemen en zich vervolgens de toegang tot de woning en/of de berging te verschaffen.

De rechtbank neemt bij de strafoplegging in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte en zijn mededaders in de nachtelijke uren de woningen en bergingen van de slachtoffers zijn binnengegaan. Door de aanwezigheid van een sleutelkastje bij de betreffende woningen wisten de verdachte en zijn mededaders dat sprake was van een kwetsbaar slachtoffer dat op de hulp van anderen is aangewezen. De huidige maatschappelijke ontwikkeling is dat hulpbehoevenden in toenemende mate met beleid worden geconfronteerd inhoudende dat zij zo lang mogelijk zelfstandig moeten wonen en daarbij zijn aangewezen op mantelzorgers en zorginstanties. Om (snel) hulp te kunnen bieden dienen in die gevallen voorzieningen zoals een sleutelkastje te worden aangebracht. De verdachte en zijn mededaders hebben hiervan misbruik gemaakt en door hun handelswijze ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van de slachtoffers.

Woninginbraken zijn bovendien ernstige feiten. Zij veroorzaken niet alleen de nodige materiële en emotionele schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de slachtoffers. Het is voor hen bijzonder onaangenaam en beangstigend om te leven met de wetenschap dat, terwijl men zelf in de woning aanwezig was, vreemden in die woning zijn geweest en persoonlijke bezittingen hebben doorzocht en weggenomen. Het handelen van verdachte en zijn mededaders draagt dan ook bij aan het toenemen van de gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/808588-14

Datum uitspraak: 11 december 2014

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,

[adres 1].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 27 november 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.M. Offers en van hetgeen door de raadsman van de verdachte

mr. B.J. de Deugd, advocaat te Nieuwerkerk aan den IJssel, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 31 mei 2014 te Zwolle gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning aan de [adres 2]heeft weggenomen twee tassen met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of valse sleutel, namelijk door een zogenaamd

sleutelkastje open te breken en/of (vervolgens) met de uit dat sleutelkastje genomen sleutel de woning te openen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 31 mei 2014 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (aan de [adres 3]) en/of de bij die woning horende kelderbox weg te nemen geld en/of goederen van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning en/of die kelderbox te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn/hun bereik te

brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of valse sleutel, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen, een zogenaamd sleutelkastje heeft open gebroken en/of (vervolgens) daaruit een sleutel om die woning en/of die kelderbox te openen heeft gepakt en/of (vervolgens) de deur van die woning en/of die kelderbox heeft geopend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 31 mei 2014 te Zwolle, althans in Nederland, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening om weg te nemen een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij/zij dat weg te nemen geldbedrag onder

zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door het onbevoegd gebruik van de bankpas met bijbehorende pincode, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

De volgende feiten kunnen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de bewijsvraag.

Op 31 mei 2014 te 07.00 uur ontdekte een medewerker van de Thuiszorg dat de deur van de woning aan de [adres 2] te Zwolle, de woning van mevrouw [slachtoffer 1], open stond en dat de sleutel in de voordeur zat. Het sleutelkastje2, dat op de begane grond in de centrale hal van de flat hing en waar normaliter de sleutel van de voordeur in wordt opgeborgen, was weggenomen. Mevrouw [slachtoffer 1] ontdekte dat haar woonkamer was doorzocht en dat er twee tassen met inhoud waren weggenomen. In een van de tassen zat haar portemonnee waarin ook haar Rabobankpas zat. Ook haar huissleutels en de sleutels van haar scootmobiel waren weggenomen.3

In dezelfde nacht is rond 05.20 uur bij de pinautomaat van de Rabobank aan het [plaats] te Zwolle driemaal geprobeerd met de bankpas van mevrouw [slachtoffer 1] geld op te nemen.4

Deze pinautomaat is gelegen op 500/600 meter van de woning van mevrouw [slachtoffer 1].

De verdachte wordt op de beelden van deze pinautomaat herkend als zijnde één van de jongens die op dat moment bij de pinautomaat aanwezig was. Hij wordt herkend aan zijn gezicht, zijn vlassige snorretje, zijn gebreide muts, zijn links over zijn schouder gedragen tasje en zijn Liverpool Adidas trainingsjack met rode strepen.5

Op 31 mei 2014 rond 06.00 uur is mevrouw [slachtoffer 2], woonachtig in dezelfde flat, maar op de vierde etage, te weten op nummer [adres 3], wakker geworden omdat zij een koude wind voelde. Zij zag dat de voordeur van haar woning half open stond en dat de sleutel aan de buitenzijde in de deur zat. Mevrouw [slachtoffer 2] liep naar de begane grond, zag dat het sleutelkluisje van haar woning was opengebroken en dat haar reservehuissleutel en het groene toegangsstaafje er niet meer in lagen. In de berging, die alleen te bereiken is door eerst een centrale deur te openen met het groene staafje, zag mevrouw [slachtoffer 2] dat alles overhoop was gehaald. Er zijn geen spullen weggenomen.6

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de verdachte een rol heeft gespeeld bij voornoemde woninginbraak, de poging daartoe alsook de poging met de weggenomen bankpas geld op te nemen bij een pinautomaat in de buurt en of de rol van de verdachte bij deze feiten zodanig is geweest dat er sprake is van medeplegen.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de feiten 1 en 2 vrijspraak betoogd.

De raadsman heeft hiertoe gesteld dat er geen sprake is van medeplegen, nu uit het dossier niet blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten, terwijl er ook geen sprake is geweest van enige uitvoeringshandeling door de verdachte. De verdachte is hooguit een meeloper of zoals hij zelf zegt medeplichtig.

Hij keek ernaar en stond erbij, zo kan zijn rol worden omschreven. De enkele omstandigheid dat de verdachte met drie anderen in Zwolle was en hij kennelijk met zijn schouder een deur heeft opengeduwd is onvoldoende om van medeplegen te spreken. Er zijn geen beelden voorhanden waaruit blijkt dat de verdachte in de woningen is geweest. Ook zijn er geen sporen van hem aangetroffen.

De raadsman heeft voorts aangegeven dat feit 3 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, nu de verdachte duidelijk op de beelden van de pinautomaat te zien is, hoewel hij dit zelf niet heeft willen toegeven.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Feiten 1 en 2

Camerabeelden

In de flat aan de [straat 1] te Zwolle hangen camera’s. De beheerder van de flat heeft de beelden van deze camera’s, die zicht hebben op de bergingen en de liften, aan de politie overhandigd.7

Op de beelden is onder meer te zien dat vier jongemannen via de schuifdeuren de afgesloten entree van de flat binnenkomen, uit beeld verdwijnen en even later naar de gang met bergingen lopen. Een van hen, die wordt herkend als zijnde [medeverdachte 1], probeert kennelijk met een sleutel de deuren van diverse bergingen te openen. Hij maakt een berging open en gaat naar binnen. De overige drie jongemannen staan dicht in de buurt en één van hen, die wordt herkend als zijnde [medeverdachte 2], gaat ook naar binnen. Vervolgens maken de jongemannen gebruik van de lift en stappen zij uit op de zevende etage.

Kennelijk zijn ze later weer naar beneden gekomen, want op een gegeven moment lopen ze naar het trappenhuis om opnieuw naar boven te gaan. Een jongeman, naar later blijkt de verdachte, maakt de deur van het trappenhuis open met zijn elleboog.8

De huismeester weet aan de hand van de beelden, en dan met name de print op pagina 769 van het dossier, aan te geven dat dit de berging van nummer [adres 2] betrof.9

Voornoemde beelden zijn per mail aan diverse agenten van Politie Hollands Midden, District Gouwe IJssel, team Gouda, gezonden. De wijkagent van de wijk [wijk] te Gouda10, en ook diverse collega’s11van hem, herkennen de verdachte alsook zijn medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op deze beelden.

Op de beelden heeft de verdachte een zwart trainingsjack met rode strepen aan en een donkergrijze muts op, die bij de doorzoeking in de woning van de verdachte in beslag zijn genomen.12

Zendmastgegevens

Uit de zendmastgegevens betreffende de telefoon van de verdachte, nummer [telefoonnummer 1], bleek dat dit telefoonnummer op 31 mei 2014 te 00:04 uur gebruik maakte van een zendmast te Heerde. Heerde is gelegen langs de snelweg A50, zo’n 20 kilometer voor Zwolle. Tussen 03:21 en 03:25 uur werden 17 sms-berichten ontvangen, waarbij een zendmast gesitueerd aan de[adres 4] te Zwolle werd gebruikt. Deze zendmast ligt hemelsbreed op 500 meter afstand van de [straat 1] te Zwolle.13

De verdachte blijkt ook telefoonnummer [telefoonnummer 2] in gebruik te hebben. Uit de zendmastgegevens betreffende dit telefoonnummer bleek dat deze telefoon op 31 mei 2014 te 02.33 uur gebruik maakte van een zendmast gesitueerd aan [adres 5]te Zwolle en om 04.12 uur van een zendmast gesitueerd aan [adres 6] te Zwolle.

De [straat 2] te Zwolle is hemelsbreed 200 meter verwijderd van de [adres 3]/[adres 2] te Zwolle en de [adres 6] is hemelsbreed globaal zo’n 700 meter verwijderd van de [adres 3]/[adres 2] te Zwolle.14

Ook valt uit zendmastgegevens af te leiden dat het nummer [telefoonnummer 3] met welk nummer de verdachte op 31 mei 2014 contact heeft gehad, het nummer is van medeverdachte [medeverdachte 2], welk telefoonnummer op 31 mei 2014 te 02.24 uur en 03.25 uur ook gebruik maakte van de zendmast gesitueerd aan de[adres 4] te Zwolle.15

Voorts is uit de zendmastgegevens betreffende de telefoon van de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] nog af te leiden dat zij tussen 30 mei 2014 vanaf 22.00 uur en

31 mei 2014 tot 08.00 uur mogelijk in hetzelfde voertuig hebben (mee)gereden, waarbij zij op de heenweg mogelijk de snelweg A50 hebben gevolgd en op de terugweg snelweg A28.16

Verklaring verdachte

De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij degene is die op de camerabeelden in de flat aan de [straat 1] te Zwolle te zien is.17

De verdachte heeft zich voorts bij de politie voornamelijk op zijn zwijgrecht beroepen.

Op 29 september 2014 heeft hij verklaard enige betrokkenheid bij de woninginbraken te Zwolle te hebben gehad.18

Ter terechtzitting heeft de verdachte bevestigd dat hij met zijn zwarte trainingsjack en donkergrijze muts op de camerabeelden in de flat aan de [straat 1] te Zwolle te zien is.

De verdachte heeft verklaard dat hij erbij stond en ernaar keek. Hij is buiten gebleven en niet mee naar binnen gegaan. Ook heeft de verdachte verklaard [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] wel te kennen, doch slechts uit de buurt. De verdachte heeft meegedeeld verder niet met hen om te gaan.19 Voor het overige heeft de verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen.

Verklaring medeverdachte

Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij en zijn medeverdachten in Zwolle met veel moeite het sleutelkastje open hebben gekregen. Hij dacht dat de sleutels van de berging en de voordeur erin zaten en een dingetje om voor de schuifdeuren te houden. Ze zijn eerst naar de berging gegaan om te kijken welke sleutel op welk nummer paste en toen zijn ze naar dat nummer gegaan en hebben ze de voordeur open gemaakt. Een paar man, 2 of 3, zijn naar binnen gegaan en hij heeft op de uitkijk gestaan. Ze zijn, aldus [medeverdachte 3], bij twee adressen geweest, de ene op een hogere verdieping en de andere op een lagere verdieping. Bij de ene zijn ze binnen geweest en bij de andere was de deur wel open gemaakt, maar dachten ze dat ze iets hoorden en zijn ze weggegaan. Er is slechts een bankpas, een tientje en nog wat kleingeld buitgemaakt. Er is geprobeerd met de bankpas te pinnen, maar dat is niet gelukt.20

Medeplegen

Hoewel de verdachte heeft verklaard dat hij erbij stond en ernaar keek, is de rechtbank een andere mening toegedaan. De rechtbank is van oordeel dat er wel degelijk sprake is geweest van een dusdanige bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten dat er sprake is van medeplegen. De verklaring van de verdachte dat hij de medeverdachten alleen uit de buurt kent en verder niet, acht de rechtbank niet geloofwaardig.

Uit de telefoongegevens van de verdachte blijkt dat hij in de nacht van 31 mei 2014 om 02:33 uur en rond 03:21 en 04:12 uur gebruik heeft gemaakt van zendmasten in Zwolle, vlakbij de woningen waar die nacht is ingebroken dan wel waar dit is geprobeerd, terwijl ook is gebleken dat de verdachte mogelijk in dezelfde auto heeft gezeten als zijn medeverdachte [medeverdachte 2].

Op de camerabeelden van de flat aan de [straat 1] te Zwolle en de omschrijving hiervan is te zien en te lezen dat de vier verdachten gezamenlijk de flat aan de [straat 1] binnen zijn gaan door de centrale deur die alleen door middel van een sleutel te openen is, even uit beeld zijn verdwenen en vervolgens gezamenlijk naar de bergingen en naar boven zijn gegaan. De verdachte ontkent ook niet dat hij op de camerabeelden in de flat te zien is. Niet is gebleken dat de verdachte zich op enig moment van zijn medeverdachten heeft gedistantieerd. De verdachte heeft zelfs de deur naar het trappenhuis met zijn elleboog opengemaakt. Gelet hierop is er, naar het oordeel van de rechtbank, sprake van een actieve rol van de verdachte en aldus van medeplegen. Dat de verdachte niet in woningen is geweest doet daaraan niets af. De verdachten hebben samen het plan gemaakt, zijn samen in de nachtelijke uren naar Zwolle gereden en hebben samen het plan uitgevoerd.

De actieve betrokkenheid bij voornoemde woninginbraak en de poging daartoe wordt des te duidelijker als de verdachte later diezelfde nacht op de camerabeelden bij de pinautomaat van de Rabobank aan het [plaats] te Zwolle te zien is waar wordt geprobeerd met de gestolen Rabobankpas geld op te nemen. De verdachte zou aldus ook van de buit profiteren.

Gelet op de camerabeelden, de zendmastgegevens, de eigen verklaring van de verdachte en die van zijn medeverdachte [medeverdachte 3] - in onderlinge samenhang bezien - is de rechtbank dan ook van oordeel dat de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Feit 3

Hoewel de verdachte aan het begin van de behandeling ter terechtzitting21 heeft verklaard dat hij bij de pinautomaat aanwezig was, verklaarde hij op een later moment de jongen bij de pinautomaat niet te herkennen en beriep hij zich verder op zijn zwijgrecht.

Gelet echter op de aangifte, de ter zake opgemaakte processen-verbaal van bevindingen, zoals onder 3.1 weergegeven, en de duidelijke camerabeelden waarop de verdachte wederom te zien is met zijn zwarte Adidas trainingsjack en donkergrijze muts en op welke beelden de verdachte zelfs door zijn raadsman wordt herkend, is de rechtbank van oordeel dat feit 3 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1.

hij op 31 mei 2014 te Zwolle gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een woning aan de [adres 2]heeft weggenomen twee tassen met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 1], zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door middel van verbreking en valse sleutel, namelijk door een zogenaamd sleutelkastje open te breken en vervolgens met de uit dat sleutelkastje genomen sleutel de woning te openen;

2.

hij op 31 mei 2014 te Zwolle ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een woning (aan de [adres 3]) en de bij die woning horende kelderbox weg te nemen geld en/of goederen van hun gading, toebehorende aan [slachtoffer 2], en zich daarbij de toegang tot die woning en die kelderbox te verschaffen en dat weg te nemen geld en die goederen onder hun bereik te brengen door middel van verbreking en valse sleutel, met een of meer van zijn mededaders, een zogenaamd sleutelkastje heeft open gebroken en vervolgens daaruit een sleutel om die woning en die kelderbox te openen heeft gepakt en vervolgens de deur van die woning en die kelderbox heeft geopend, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 31 mei 2014 te Zwolle, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening om weg te nemen een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij zij dat weg te nemen geldbedrag onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door het onbevoegd gebruik van de bankpas, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De straf/maatregel

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft meegedeeld dat zij in de persoon van de verdachte geen aanleiding ziet om te vorderen dat het jeugdstrafrecht zal worden toegepast.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld

tot gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 47 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als (bijzondere) voorwaarden verplicht reclasseringstoezicht, inclusief de meldplicht, een contactverbod, een locatiegebod, gecontroleerd door middel van een elektronisch controlemiddel, en de verplichting om minimaal 24 uren per week arbeid te verrichten en/of een opleiding te volgen.
Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de tijd van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat het jeugdstrafrecht wel zal worden toegepast, nu het jeugdstrafrecht een arsenaal aan extra mogelijkheden heeft en de verdachte echt niet sociaal redzaam is. Hij heeft geen werk, geen opleiding en woont weer bij zijn moeder om zijn leven op orde te krijgen. Bovendien is het, aldus de raadsman, nog maar de vraag of de verdachte geen geestelijke beperking heeft.

De raadsman heeft voorts aangegeven dat, indien de rechtbank alleen feit 3 wettig en overtuigend bewezen zal verklaren, er naast de reeds door de verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd niet veel ruimte meer is voor een aanvullende straf, hoewel de wens van de reclassering tot begeleiding en controle van de verdachte begrijpelijk is.

Mocht de rechtbank de feiten 1 en 2 ook wettig en overtuigend bewezen verklaren, bepleit de raadsman met name de werkstraf te matigen. De verdediging heeft geen bezwaar tegen een voorwaardelijk strafdeel van 47 dagen, met bijzondere voorwaarden. Ten aanzien van de elektronische controle verzoekt de raadsman wel een beperking van de termijn.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen in de nachtelijke uren schuldig gemaakt aan één voltooide woninginbraak en een poging daartoe, terwijl hij samen met een ander gedurende diezelfde nacht ook met de bankpas die zij hadden weggenomen, heeft geprobeerd om geld op te nemen. De toegang tot de woningen en de bijbehorende bergingen werd verkregen dan wel geprobeerd te verkrijgen door een sleutelkastje te vernielen/weg te nemen, de daarin aanwezige sleutels mee te nemen en zich vervolgens de toegang tot de woning en/of de berging te verschaffen.

De rechtbank neemt bij de strafoplegging in het bijzonder in aanmerking dat de verdachte en zijn mededaders in de nachtelijke uren de woningen en bergingen van de slachtoffers zijn binnengegaan. Door de aanwezigheid van een sleutelkastje bij de betreffende woningen wisten de verdachte en zijn mededaders dat sprake was van een kwetsbaar slachtoffer dat op de hulp van anderen is aangewezen. De huidige maatschappelijke ontwikkeling is dat hulpbehoevenden in toenemende mate met beleid worden geconfronteerd inhoudende dat zij zo lang mogelijk zelfstandig moeten wonen en daarbij zijn aangewezen op mantelzorgers en zorginstanties. Om (snel) hulp te kunnen bieden dienen in die gevallen voorzieningen zoals een sleutelkastje te worden aangebracht. De verdachte en zijn mededaders hebben hiervan misbruik gemaakt en door hun handelswijze ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van de slachtoffers.

Woninginbraken zijn bovendien ernstige feiten. Zij veroorzaken niet alleen de nodige materiële en emotionele schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de slachtoffers. Het is voor hen bijzonder onaangenaam en beangstigend om te leven met de wetenschap dat, terwijl men zelf in de woning aanwezig was, vreemden in die woning zijn geweest en persoonlijke bezittingen hebben doorzocht en weggenomen. Het handelen van verdachte en zijn mededaders draagt dan ook bij aan het toenemen van de gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

De rechtbank weegt mee dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie, nog niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank heeft acht geslagen op diverse voorlichtingsrapporten van de reclassering. Blijkens het meest recente rapport d.d. 12 november 2014 zijn er een aantal risicofactoren die mogelijk in verband staan met het delictgedrag.

De verdachte heeft geen (beroeps-)opleiding afgemaakt. Hij heeft nog weinig werkervaring opgedaan en beschikt niet over een structurele dagbesteding. Ook zijn er zorgen over zijn sociale netwerk. Verder is er twijfel over de vraag of hij in staat is de gevolgen van zijn (delict)gedrag te overzien en niet duidelijk is in hoeverre de verdachte beïnvloedbaar is.

In het verleden is ADHD bij de verdachte vastgesteld en was er sprake van concentratieproblemen.

Ook heeft een psychiater eerder aangegeven dat zwakbegaafdheid niet kan worden uitgesloten.

Het gebrek aan dagbesteding en het contact met bepaalde bij justitie bekende personen vormen een verhoogde kans dat hij in de problemen komt. Daarnaast kan een financieel motief niet worden uitgesloten. De kans op recidive is gemiddeld aanwezig.

Het is wenselijk dat de begeleiding wordt voortgezet. De jeugdreclassering wordt de meest geëigende organisatie geacht. Een verplicht reclasseringscontact kan dienen als stok achter de deur en is geïndiceerd om aan praktische stabiliteit, gedragsverandering en recidivevermindering te kunnen werken.

Diagnostiek is noodzakelijk. Het zou wenselijk zijn dat de Waag of een soortgelijke instelling deze zou uitvoeren. Het is geïndiceerd dat de verdachte gaat meewerken aan een intake en vervolgens aan een ambulante behandeling/training door de Waag of een soortgelijke instelling. Dit kan als bijzondere voorwaarde worden opgelegd.

Op basis van de ingeschatte handelingsvaardigheden van de verdachte, de mogelijkheden tot pedagogische beïnvloeding, de noodzakelijkheid de scholing te continueren, de noodzaak tot gezinsgerichte hulpverlening, nu de verdachte een afhankelijkheidsrelatie heeft met zijn moeder, en de omstandigheid dat hij jonger oogt dan zijn kalenderleeftijd, luidt het reclasseringsadvies dat het aangewezen is het jeugdstrafrecht toe te passen en het toezicht te laten uitvoeren door de jeugdreclassering. Geadviseerd wordt de verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden de meldplicht, een contactverbod en een locatiegebod en de verplichting om minimaal 24 uur per week arbeid te verrichten en/of een opleiding te volgen.

De rechtbank onderschrijft de conclusies en het strafadvies van de reclassering.

De verdachte was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten 18 jaar oud.

De rechtbank vindt in de persoon van de verdachte, zoals in het rapport van de reclassering is uiteengezet, grond om recht te doen overeenkomstig de bijzondere bepalingen voor jeugdige personen (overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77hh van het Wetboek van Strafrecht). De reclassering heeft alvorens tot advisering van toepassing van het jeugdstrafrecht over te gaan dienaangaande overleg gehad met de Raad voor de Kinderbescherming en de Stichting Bureau Jeugdzorg.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de strafmaat allereerst dat voor een woninginbraak in beginsel een jeugddetentie voor de duur van zes weken kan worden opgelegd. Zij is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt. De rechtbank ziet, teneinde de verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden en zijn begeleiding en eventuele behandeling te waarborgen, aanleiding een deel van de vrijheidsbenemende straf voorwaardelijk op te leggen. Daarbij zal als algemene voorwaarde onder andere het meewerken aan toezicht en begeleiding door de jeugdreclassering worden opgelegd, in combinatie met de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich dient te melden bij de jeugdreclassering, een locatiegebod door middel van elektronisch toezicht, een contactverbod en de verplichting om minimaal 24 uren per week arbeid te verrichten en/of een opleiding te volgen.

Daarnaast ziet de rechtbank reden om de verdachte een werkstraf op te leggen. Zij zal de door de officier van justitie gevorderde werkstraf matigen, omdat het jeugdstrafrecht wordt toegepast.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

45, 77c, 77g, 77h, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder

1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1

DIEFSTAL GEDURENDE DE VOOR DE NACHTRUST BESTEMDE TIJD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN VERBREKING EN VALSE SLEUTELS

2

POGING TOT DIEFSTAL GEDURENDE DE VOOR DE NACHTRUST BESTEMDE TIJD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT EN/OF HET WEG TE NEMEN GOED ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN VERBREKING EN VALSE SLEUTELS

3

POGING TOT DIEFSTAL GEDURENDE DE VOOR DE NACHTRUST BESTEMDE TIJD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN VALSE SLEUTELS

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;


veroordeelt de verdachte tot:

jeugddetentie voor de duur van 90 DAGEN

bepaalt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 47 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden;

stelt de proeftijd vast op 2 jaren onder de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het

nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1

Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

zijn medewerking zal verlenen aan het door de (jeugd)reclassering te houden toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de

medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

zich uiterlijk op 18 december 2014 zal melden bij de Stichting Bureau Jeugdzorg

Zuid-Holland, vestiging Midden Holland, afdeling jeugdreclassering, Boelekade 19,

2806 AS Gouda en zich daarna gedurende een door de (jeugd)reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden zo lang en zo frequent als de (jeugd)reclassering dit noodzakelijk acht;

gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met de medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1], zolang de (jeugd)reclassering dit noodzakelijk acht;

gedurende de eerste twee maanden van de proeftijd of zoveel eerder als de (jeugd)reclassering vindt dat dit niet meer noodzakelijk is, aanwezig zal zijn op het [adres 1], tenzij door de (jeugd)reclassering anders is vastgesteld;

waarbij de veroordeelde zich voor deze periode onder elektronisch toezicht zal stellen ter nakoming van deze bijzondere voorwaarde;

minimaal 24 uren per week arbeid zal verrichten en/of onderwijs zal volgen, zolang de (jeugd)reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 60 UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de tijd van 30 DAGEN;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.M.D. de Jong, voorzitter,

mr. J.E.M.G. van Wezel, rechter,

en mr. drs. S.M. Borkent, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 december 2014.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal van de politie Eenheid Den Haag, Districtsrecherche, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 164TIJ, doorgenummerd als pagina 1 tot en met 1315.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 710/711.

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1], pagina 327/330.

4 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 997.

5 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, pagina 771/779.

6 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], pagina 325/326.

7 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 655.

8 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 691/697, met als bijlagen de beelden, pagina 701/707.

9 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, pagina 766/770.

10 Processen-verbaal van bevindingen, opgesteld door [naam], pagina 668/669; 684/685 en 976.

11 Processen-verbaal van bevindingen politie Hollands Midden, pagina 670/689.

12 Proces-verbaal van bevindingen doorzoeking woning aan de [adres 1], pagina 340/444.

13 Proces-verbaal van bevindingen, pagina 712/713, met bijlagen pagina 714/725.

14 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlage, pagina 380/382.

15 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlage, pagina 726/732.

16 Proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, pagina 733/738.

17 Verklaring verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 18 juli 2014.

18 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], pagina 855, onderaan.

19 Proces-verbaal ter terechtzitting 27 november 2014, eigen verklaring verdachte

20 Verklaring medeverdachte [medeverdachte 3], pagina 900/902.

21 Proces-verbaal ter terechtzitting 27 november 2014, eigen verklaring verdachte.