Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2014:15131

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-11-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 20107
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseressen zijn twee meerderjarige (19 en 20 jaar) Yezidi meisjes uit Irak. Zij beogen verblijf op grond van het nareisbeleid bij hun vader (referent). Aan referent is een verblijfsvergunning asiel op de b-grond verleend. Hun moeder en minderjarige broertje en zusjes hebben wel een mvv gekregen en zijn inmiddels in Nederland. De mvv-aanvraag van eiseressen is afgewezen omdat zij meerderjarig zijn en niet is gebleken van meer dan normale emotionele banden tussen eiseressen en referent.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit specifieke geval toch aan artikel 8 van het EVRM had moeten toetsen. Daartoe is het volgende redengevend:

- Volgens jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens is sprake van gezinsleven tussen jong volwassenen die nog thuiswonen en hun ouders (zie bv A.A. tegen het Verenigd Koninkrijk en Maslov tegen Oostenrijk);

- Eiseressen bevinden zich momenteel in een vluchtelingenkamp iets buiten Mosul, op zo’n tien km van IS-gebied. Zij hebben op dit moment geen bescherming van familieleden;

- Uit diverse landeninformatie blijkt dat jonge Yezidi meisjes die in handen van IS vallen, worden gebruikt als seksslavinnen;

- Volgens jurisprudentie van het EHRM geldt voor vluchtelingen de meest gunstige regeling van gezinshereniging omdat gezinshereniging een fundamenteel recht is van vluchtelingen (zie Mugenzi tegen Frankrijk);

- De waterscheiding is bedoeld om in de asielprocedure geen reguliere aspecten mee te laten wegen. De waterscheiding beoogt te voorkomen dat de asielprocedure wordt gebruikt om reguliere toelatingsvoorwaarden te ontlopen. Dat is in casu niet het geval. Bovendien, met het van kracht worden van artikel 3.6a van het Vb 2000 is de waterscheiding minder absoluut geworden.

Op grond van al deze bovenstaande factoren cumulatief genomen, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in dit bijzondere geval direct had moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM in plaats van zich op het standpunt te stellen dat eiseressen een aparte, reguliere aanvraag op grond van artikel 8 EVRM kunnen indienen.

Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 14/20107

V-nrs: [volgnummers]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 7 november 2014 in de zaak tussen

[de vrouw],

geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit, eiseres I,

en

[naam],

geboren op [geboortedatum 1], van Iraakse nationaliteit, eiseres II,

tezamen: eiseressen

(gemachtigde mr. M.R. Verdoner),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. C. Brand).

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2014 (het primaire besluit), verzonden op 16 mei 2014, heeft verweerder de aanvraag van eiseressen van 10 december 2013 om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel “gezinshereniging in het kader van nareis” afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 27 augustus 2014 ongegrond verklaard.

Op 1 september 2014 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseressen tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2014. Eiseressen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook waren ter zitting aanwezig de heer[naam 1], vader van eiseressen, mevrouw[naam 2], moeder van eiseressen, en G. Ali als tolk in de taal Krimandji. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiseressen beogen verblijf in Nederland bij[naam 1], vader van eiseressen, hierna te noemen referent. Bij besluit van 26 september 2013 is aan referent met ingang van 20 september 2013 geldig tot 20 september 2018 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Vervolgens is aan de moeder van eiseressen en aan hun minderjarige zusjes en broer een mvv verleend. Zij bevinden zich inmiddels in Nederland.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiseressen afgewezen omdat zij meerderjarig zijn. Niet is gebleken van meer dan normale emotionele afhankelijkheid (‘more than normal emotional ties’) tussen eiseressen en referent. Dat eiseressen ongehuwde, meerderjarige Yezidi meisjes zijn die niet zelfstandig kunnen wonen, kan nimmer leiden tot de conclusie dat sprake is van een dergelijke afhankelijkheid. Ook hebben eiseressen geen medische gronden aangevoerd waaruit blijkt dat sprake is van een dergelijke afhankelijkheid. Tenslotte is geen sprake van een bijzondere financiële afhankelijkheid van referent. De door eiseressen aangevoerde asielgerelateerde aspecten kunnen niet tot een ander standpunt leiden, nu deze niet in de onderhavige beoordeling kunnen worden betrokken.

3. Eiseressen hebben in beroep het volgende aangevoerd. Eiseressen dienen wel voor een mvv in aanmerking te komen. Ze zijn afhankelijk van referent. Ze kunnen niet alleen wonen en alleen reizen is ook niet mogelijk. Voorts ondersteunt referent hen nog financieel. De situatie in Noord-Irak is, vooral voor alleenstaande Yezidi-vrouwen, erg onveilig. Eiseressen dienen zo snel mogelijk daar weg te komen. In dit respect doen eiseressen een beroep op de Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2002 inzake het recht op gezinshereniging (de Gezinsherenigingsrichtlijn) en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseressen wijzen in dit respect op de brief van de UNHCR van 24 september 2014 die ten behoeve van hun zaak is opgesteld. Ten slotte stellen eiseressen dat verweerder niet van het horen had mogen afzien.

4.1.

Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000, voor zover van belang, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met de vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

  1. de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling;

  2. de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin;

  3. de ouders van het in het eerste lid bedoelde vreemdeling, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is in de zin van artikel 2, onder f, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

4.2.

Volgens paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, voor zover hier van belang, dienen de gezinsleden, om voor verblijf in aanmerking te komen, tot aan het vertrek van de hoofdpersoon feitelijk te hebben behoord tot diens gezin.

In voormelde paragraaf van de Vc 2000 onder het kopje ‘Meerderjarige kinderen’ is tevens bepaald dat enkel een feitelijke gezinsband tussen de hoofdpersoon en een meerderjarig biologisch kind bestaat als sprake is van een meer dan normale (emotionele) afhankelijkheid tussen ouders en een meerderjarig biologisch kind.

Bij de vaststelling van de afhankelijkheid worden onder meer de volgende omstandigheden betrokken:

  • -

    heeft het meerderjarige kind samengewoond met de hoofdpersoon;

  • -

    is het meerderjarige kind financieel afhankelijk van de hoofdpersoon;

  • -

    is het meerderjarige kind door zijn medische of psychische situatie afhankelijk van de hoofdpersoon.

Als de afhankelijkheid tussen de hoofdpersoon en het meerderjarige biologische kind zodanig bijzonder is dat aangenomen moet worden dat sprake is van meer dan normale (emotionele) afhankelijkheid, dan wordt het gezinsleven aangenomen en kan de mvv voor gezinshereniging in het kader van nareis worden ingewilligd. Indien hiervan geen sprake is, kan de aanvraag worden afgewezen.

5.1

In geding is allereerst of eiseressen op grond van het in overweging 4.2 genoemde beleid in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning. In dat verband is van belang of tussen eiseressen en hun vader een meer dan de normale emotionele band bestaat. Eiseressen hebben aangevoerd dat daarbij ook moet worden gekeken naar hun culturele achtergrond en naar de situatie in Irak met betrekking tot de Yezidi’s.

5.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseressen niet aannemelijk hebben gemaakt dat tussen hen en hun vader een meer dan normale emotionele band bestaat. Dat het in de cultuur van de Yezidi’s gebruikelijk is dat meisjes tot hun huwelijk thuis blijven wonen, maakt niet dat sprake is van een dergelijke band. Ook het feit dat de situatie voor Yezidi’s in Irak slecht is, leidt niet tot dat oordeel. In een dergelijke situatie zal de band tussen familieleden immers wel vaker hechter zijn, omdat de familieleden op elkaar zijn aangewezen. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiseressen niet op grond van de Nederlandse regelgeving in aanmerking komen van een mvv.

6. Eiseressen hebben voorts een beroep gedaan op het Unierecht, in het bijzonder de artikelen 4 en 10 van de Gezinsherenigingsrichtlijn en de artikelen 7 en 24, derde lid, van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). De rechtbank volgt dit betoog niet. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), zie onder andere de uitspraak van 23 januari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ0424) is de Gezinsherenigingsrichtlijn niet van toepassing op vreemdelingen die in een lidstaat verblijven uit hoofde van subsidiaire bescherming. Nu referent een vergunning heeft op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 verblijft hij hier te lande op grond van subsidiaire bescherming en is de Gezinsherenigingsrichtlijn niet op hem van toepassing. Ook de Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (Definitierichtlijn) is niet op eiseressen van toepassing, nu zij niet vallen onder de definitie van gezinsleden. Nu beide richtlijnen niet van toepassing zijn, kan het beroep van eiseressen op het Handvest op grond van artikel 51, eerste lid, van het Handvest niet slagen. Deze grond faalt dan ook.

7.1.

Eiseressen hebben voorts aangevoerd dat verweerder had moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

7.2.

Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de Vw 2000 buiten artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f (thans artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000) geen grond biedt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel ter bescherming van ‘family life’ als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en dat de beoordeling van de toepassing van artikel 8 van het EVRM buiten deze bepalingen plaats dient te vinden in de procedure over een verblijfsvergunning regulier (zie de in overweging 6 genoemde uitspraak van 23 januari 2013). De rechtbank ziet echter aanleiding om te oordelen dat verweerder in dit geval aan artikel 8 van het EVRM had dienen te toetsen. Daartoe is het volgende redengevend.

7.3.

Eiseressen zijn jongvolwassenen (19 en 20 jaar), woonden voor het vertrek van referent nog bij referent thuis en zijn nog steeds financieel afhankelijk van hem. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat voor jong volwassenen die nog bij hun ouders wonen ‘gezinsleven’ met hun ouders wordt aangenomen in de zin van artikel 8 van het EVRM. Zo heeft het EHRM bijvoorbeeld in A.A. tegen het Verenigd Koninkrijk (8000/08, 20 september 2011) in paragraaf 49 het volgende opgemerkt:

“49. An examination of the Court’s case-law would tend to suggest that the applicant, a young adult of 24 years old, who resides with his mother and has not yet founded a family of his own, can be regarded as having ‘family life’.[…]”

Ook in de zaak Maslov (Maslov tegen Oostenrijk [GC], 1638/03, 23 juni 2008) heeft het EHRM familieleven aangenomen tussen een jongvolwassene en de rest van het gezin. In deze zaak overwoog het EHRM dat:

62. The applicant was a minor when the exclusion order was imposed. He had reached the age of majority, namely 18 years, when the exclusion order became final in November 2002 following the Constitutional Court’s decision, but he was still living with his parents. In any case, the Court has accepted in a number of cases concerning young adults who had not yet founded a family of their own that their relationship with their parents and other close family members also constituted “family life” (see Bouchelkia v. France, 29 January 1997, § 41, Reports 1997-I; El Boujaïdi, cited above, §33; and Ezzouhidi, cited above, §26).”

Uit deze jurisprudentie volgt naar het oordeel van de rechtbank dat eiseressen behoren tot het kerngezin van referent.

7.4.

In bezwaar en beroep heeft referent vermeld dat eiseressen, gelet op hun persoonlijke situatie, steeds moeten onderduiken en dat zij nergens veilig zijn. Ter zitting heeft referent toegelicht dat de grootouders hebben kunnen doorvluchten. Eiseressen bevinden zich nu zonder bescherming in een vluchtelingenkamp net buiten Mosul. Dit kamp ligt op zo’n 10 kilometer afstand van waar de terreurgroep Islamitische Staat (IS) zich bevindt. Op dit moment is het niet mogelijk om contact te leggen met eiseressen en weten hun ouders niet hoe het met hen gaat.

7.5.

In hun beroepsgronden hebben eiseressen gewezen op diverse landenrapporten. Uit deze rapporten blijkt het volgende. Ongetrouwde Yezidi meisjes die in handen van IS vallen worden op grote schaal als (seks)slavinnen verhandeld als ze zich weigeren te bekeren en als bruid aan IS strijders gegeven als ze zich bekeren. Zo luidt een nieuwsbericht van de Verenigde Naties van 13 augustus 2014 (UN News Service, ‘Barbaric’ sexual violence perpetrated by Islamic State militants in Iraq – UN, 13 August 2014, available at: http://www.refworld.org/docid/53flbba24.html) als volgt:

Two senior United Nations officials today condemned in the strongest terms the ‘barbaric acts’ of sexual violence and ‘savage rapes’ the armed group Islamic State (IS) has perpetrated on minorities in areas under its control.

In a joint statement from Baghdad, the Special Representative of the Secretary-General on Sexual Violence (SRSG) in Conflict, Zainab Hawa Bangura and the Special Representative of the Secretary-General for Iraq, Nickolay Mladenov urged the immediate protection of civilians.

‘We are gravely concerned by continued reports of acts of violence, including sexual violence against women and teenage girls and boys belonging to Iraqi minorities,’ Ms Bangura and Mr Mladenov said.

‘Atrocious accounts of abduction and detention of Yazidi, Christian, as well as Turkomen and Shabak women, girls and boys, and reports of savage rapes, are reaching us in an alarming manner’, Ms Bangura and Mr Mladenov stated, pointing out that some 1,500 Yazidi and Christian persons may have been forced into sexual slavery.

The officials condemned, in the strongest terms, the explicit targeting of women and children and the barbaric acts IS has perpetrated on minorities. Acts of sexual violence are grave human rights violations that can be considered as war crimes and crimes against humanity, they warned.”

Ook uit een rapport van Human Rights Watch van 12 oktober 2014 (Iraq: Forced Marriage, conversion for Yezidis) blijkt dat IS jonge Yezidi vrouwen als slaaf houdt. Deze jonge vrouwen en meisjes worden als bruiden verkocht en verkracht. Ditzelfde beeld komt naar voren uit het rapport van de United Nations Assistance Mission for Iraq (UNAMI) en de Office of the High Commissioner for Human Rights (OHCHR) ‘Report on the Protection of Civilians in the Armed Conflict in Iraq: 6 July – 10 September 2014 (te vinden op www.uniraq.org). In dit rapport staat onder meer vermeld:

“p. 12

Attacks against Yezidi

The Yezidi community continues to be systematically targeted by ISIL and subjected to gross human rights abuses. ISIL regards the Yezidi as kufara (non-believers) to whom they give the option of conversion or death.

[…] Beginning of August, entire communities of civilians from ethnic and religious groups began to flee from areas seized by ISIL including, Sinjar District, as well as Zummar and Rabeea’a sub-districts in Tal Afar. Tens of thousands of Yezidi, but also members of Shi’a Turkmen, Shi’a Shabak and Christians fled their homes, mainly towards the Sinjar mountainous area (Jabal Sinjar) in north Sinjar in al-Qahdissiya sub-district. […]

p. 13

UNAMI/OHCHR received numerous reports that on 2 and 3 August, serious and systematic abuses occurred against Yezidi civilians by ISIL and associated armed groups. […]

p. 14

UNAMI/OHCHR interviewed displaced Yezidi and Christians who reported events that had taken place between 3 and 6 August. Several of those interviewed recounted witnessing mass killings committed by ISIL […].

p. 15

During the reporting period, UNAMI/OHCHR received reports of rape and sexual assaults against women and children committed by ISIL. On 2 August, the Yezidi village of Maturat, southern Sinjar, witnessed abductions of women who were taken by ISIL fighters to Badoush Prison in Mosul. On 3 August, ISIL herded approximately 450-500 women and girls to the citadel of Tal Afar in Ninewa where, two days later, 150 unmarried girls and women, predominantly from the Yezidi and Christian communities, were reportedly transported to Syria, either to be given to ISIL fighters as a reward or to be sold as sex slaves (‘malak yamiin’). Victims reported being transferred to Badouch Prison, or transferred to Syria.

By the end of August, local sources informed UNAMI that ISIL had abducted up to 2,500 civilians, predominantly women and children, but also some men from Sinjar, Tal Afar, the Ninewa Plains and Shirkhan. These people were being held in the former Badoush prison outside Mosul, and at a number of sites within Mosul city and Tal Afar, and other locations. A number of men and women who managed to contact UNAMI/OHCHR from where they were being detained stated that teenage children (both males and females) were being sexually assaulted by ISIL fighters. They also stated that ISIL was taking groups of children away on a daily basis to unknown locations. They also recounted how women and children who refused to convert were being allotted to ISIL fighters or were being trafficked as slaves (‘malak yamiin’) in markets in Mosul and to Raqqa in Syria. Married women who converted were told by ISIL that their previous marriages were not recognised in Islamic law and that they, as well as unmarried women who converted, would be given to ISIL fighters as wives. Men who converted with their wives were told they would be transported to new locations where their conversion would be monitored.

UNAMI/OHCHR was contacted by an adolescent Yezidi girl who had been abducted by ISIL when they attacked her village on 3 August. She stated that ISIL took hundreds of women who had not been able to flee to Jabal Sinjar. ISIL first held them in Si Basha Khidri (al-Jazira compound), and then transferred them to Ba’aj. The girl stated that she was raped several times by several ISIL fighters before she was sold in a market.

UNAMI/OHCHR received a number of reports that an office for the sale of abducted women was opened in the al-Quds area of Mosul city. Women and girls are brought with price tags for the buyers to choose and negotiate the sale. The buyers were said to be mostly youth from the local communities. Apparently, ISIL was ‘selling’ these Yezidi women to the youth as a means of inducing them to join their ranks.”

7.6.

Voorts acht de rechtbank van belang dat uit jurisprudentie van het EHRM blijkt dat voor vluchtelingen de meest gunstige regeling met betrekking tot het recht op gezinsleven moet worden toegepast. Volgens het EHRM is de eenheid van het gezin een fundamenteel recht voor vluchtelingen en is gezinshereniging een fundamenteel element voor vluchtelingen om hun leven weer op te pakken (zie onder andere Mugenzi tegen Frankrijk, 10 juli 2014, nr. 52701/09). Gezien de situatie voor Yezidi vrouwen, zoals omschreven in overweging 7.5, de plaats waar eiseressen zich bevinden, zoals omschreven in overweging 7.4, acht de rechtbank aannemelijk dat zij zich in een buitengewoon zorgelijke situatie bevinden. Ter zitting is gebleken dat het feit dat eiseressen zich nog steeds in Irak bevinden het hele leven beheerst van het gehele gezin. De ouders van eiseressen, maar ook hun broertje en zusjes, maken zich permanent zorgen over wat er met eiseressen kan gebeuren. Hierdoor wordt het gezin van eiseressen belemmerd in hun integratie in Nederland. Nu, zoals is vastgesteld in rechtsoverweging 7.3, eiseressen tot het kerngezin van referent behoren, dienen zij ook te vallen onder de meest gunstige regeling voor gezinshereniging.

7.7.

Ten slotte acht de rechtbank de ratio van de zogenaamde waterscheiding van belang. Met het begrip waterscheiding wordt tot uitdrukking gebracht dat in een asielprocedure geen reguliere aspecten worden meegewogen, en dat omgekeerd in een reguliere procedure geen asielgronden worden beoordeeld. De waterscheiding beoogt te voorkomen dat de asielprocedure wordt belast met reguliere aspecten en wordt gebruikt om reguliere toelatingsvoorwaarden te ontlopen (zie bijvoorbeeld de Nota van Toelichting, horende bij het Besluit van 17 december 2013 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 (stroomlijning toelatingsprocedures), gepubliceerd in het Staatsblad, jaargang 2013, nr. 580, 23 december 2013). Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Indien eiseressen op eigen gelegenheid Nederland zouden weten te bereiken, vallen zij immers onder speciaal beleid van verweerder en kunnen zij voor een zelfstandige vergunning in aanmerking komen. Daarbij komt dat met het van kracht worden van artikel 3.6a, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 de waterscheiding tussen reguliere procedures en asielprocedures minder absoluut is geworden.

7.8.

Op grond van al deze bovenstaande factoren cumulatief genomen, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in dit bijzondere geval direct had moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM in plaats van zich op het standpunt te stellen dat eiseressen een aparte, reguliere, aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM kunnen indienen.

8. Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en genomen en niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Hieruit volgt voorts dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van het horen. Het bestreden besluit is dan ook genomen in strijd met de artikelen 7:2, 7:12, eerste lid, en 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Gelet op de urgentie van de situatie, dient verweerder in dit geval binnen drie weken een nieuw besluit te nemen. Voorts ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat verweerder niet alsnog dient te horen. Daarbij betrekt de rechtbank dat referent de situatie van eiseressen ter zitting heeft kunnen toelichten. Indien nieuwe informatie ten aanzien van eiseressen beschikbaar is en zij willen dat verweerder deze informatie bij zijn standpunt betrekt, dan dienen zij deze informatie uit eigen beweging binnen een week na verzending van deze uitspraak aan verweerder te verstrekken.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseressen gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,--, en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseressen een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseressen het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen 3 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,-- (zegge: honderdvijfenzestig euro) aan eiseressen te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen tot een bedrag van € 974,-- (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C.E. Krikke, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2014.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.:JK

Coll.: JvB

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.